id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 03 juni 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100603.5 Rolnummer: C.09.0125.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Familierecht Invoerdatum: 2010-07-07 Raadplegingen: 832 - laatst gezien 2026-07-02 17:19 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100603.5 Fiches 1 - 2 De afwezigheid van respect dat een kind aan zijn ouders verplicht is, vormt geen uitsluitinggrond voor het recht op onderhoudsbijdrage van dat kind, recht dat van openbare orde is
(1)Zie de concl. van het O.M. Thesaurus CAS: LEVENSONDERHOUD UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - ALIMENTATIE - LEVENSONDERHOUD - Recht op uitkering tot levensonderhoud Vrije woorden: Ouders t.o.v. kinderen - Afwezigheid van respect voor de ouder - Gevolg - Aard van het recht Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Artt. 203, § 1 en 371 Thesaurus CAS: ECHTSCHEIDING EN SCHEIDING VAN TAFEL EN BED - GEVOLGEN T.A.V. DE PERSONEN - T.a.v. de kinderen UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - ALIMENTATIE - LEVENSONDERHOUD - Recht op uitkering tot levensonderhoud Vrije woorden: Levensonderhoud - Afwezigheid van respect voor de ouder - Gevolg - Aard van het recht Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Artt. 203, § 1 en 371 Fiches 3 - 4 Conclusie van advocaat-generaal DUBRULLE. Thesaurus CAS: LEVENSONDERHOUD UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - ALIMENTATIE - LEVENSONDERHOUD - Recht op uitkering tot levensonderhoud Vrije woorden: Ouders t.o.v. kinderen - Afwezigheid van respect voor de ouder - Gevolg - Aard van het recht Thesaurus CAS: ECHTSCHEIDING EN SCHEIDING VAN TAFEL EN BED - GEVOLGEN T.A.V. DE PERSONEN - T.a.v. de kinderen UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - ALIMENTATIE - LEVENSONDERHOUD - Recht op uitkering tot levensonderhoud Vrije woorden: Levensonderhoud - Afwezigheid van respect voor de ouder - Gevolg - Aard van het recht Tekst van de beslissing Nr. C.09.0125.N D.G., eiseres, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen E.X., verweerder, vertegenwoordigd door mr. Ludovic De Gryse, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis, op 31 januari 2008 in hoger beroep gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde. Raadsheer Geert Jocqué heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 203, 203bis, 371, 1134 en 1135, van het Burgerlijk Wetboek; - artikel 1288 van het Gerechtelijk Wetboek, eerste lid, 3°, van voornoemde wetsbepaling zoals van toepassing vóór de wijziging bij artikel 27 van de wet van 30 juni 1994 houdende wijziging van artikel 931, van het Gerechtelijk Wetboek en van de bepalingen betreffende de procedures van echtscheiding. Aangevochten beslissingen Het bestreden vonnis verklaart, na alle andere, meeromvattende en tegenstrijdige middelen en conclusies van de hand te hebben gewezen, het hoger beroep van de verweerder gegrond, hervormt het vonnis a quo in al zijn beschikkingen, en opnieuw wijzende, zegt voor recht dat de verweerder geen onderhoudsbijdrage noch bijkomende onderhoudsbijdrage dient te betalen voor zijn zoon E. vanaf 1 april 2001 en voor zijn dochter E. vanaf 1 maart 2005, en dit op volgende gronden: "3.2.
- De bewering van (de verweerder) dat in onderling akkoord met (de eiseres) hij voor E. vanaf 1 april 2001 geen onderhoudsbijdrage meer moet betalen komt geenszins als bewezen voor. 3.2.
- (...) dat beide ouders krachtens artikel 203, §1, van het Burgerlijk Wetboek, aan hun minderjarige of studerende kinderen levensonderhoud, opvoeding en een passende opleiding verschuldigd zijn tot hun opleiding voltooid is. En kan voortduren tot zij in hun levensonderhoud kunnen voorzien. Tevens heeft een kind, conform artikel 371 van het Burgerlijk Wetboek de levenslange plicht tot eerbied voor zijn ouders. Dit is een juridische gedragsnorm die door de rechter kan worden getoetst. De aanspraak van het kind op een onderhoudsbijdrage impliceert informatie en samenspraak met de ouders. Bij gebrek aan een dergelijk respect, heeft het kind iedere aanspraak op onderhoudsuitkering verbeurd. (Vgl. Rb. Kortrijk 3 december 1968, R.W. 1969-70, 1060 + noot; Rb. Brussel, 31 december 1991, R.W. 1991-92, 1328; Vred. Brugge 9 december 1977, R.W. 1979-80, 1783; Vred. Brugge 9 december 1977, R.W. 1979-80,
- zie ook G. Baetemann, J. Gerlo, E. Guldix, A. Wylleman, V. De Saedeleer en K. Jacobs, "Overzicht van rechtspraak. Personen-en familierecht (1988-1994)", T.P.R.
- nr. 399, p. 2274; J. Gerlo, noot onder Brussel 5 februari 1986, T. B.B.R. 1987, 48; J. Pauwels, Beginselen van het personen- en familierecht, Leuven, Acco, 1986, 146 en 262; J. Pauwels, "De ouderlijke plicht nadat de ouders uit de echt gescheiden en de kinderen meerderjarig geworden zijn", noot onder Vred. Brugge 14 mei 1976 en Vred. Brugge 9 december 1977, R.W. 1979-80, 1789; P. Senaeve, Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer. Personen- en familierecht, Kluwer Rechtswetenschappen, Antwerpen, art. 371; P. Senaeve, Compendium van het personen- en familierecht, Leuven, Acco, 1991, II, nr. 908 en nr. 1019.) Het kind dat op flagrante wijze zijn plicht tot respect voor zijn ouders (vóór de wetswijziging van 1995, plicht op eerbied en ontzag), miskent door bijvoorbeeld te weigeren hen in te lichten aangaande de studies of hen niet te raadplegen over de voortzetting van de studies, kan zijn recht op voortgezette tussenkomst vanwege zijn ouders in zijn onderhoud en opleiding verbeuren. (zie ook G. Baeteman, J. Gerlo, E. Guldix, A. Wylleman, V. De Saedeleer en K. Jacobs, "Overzicht van rechtspraak. Personen- en familierecht (1988-1994)", T.P.R.
- nr. 399, p. 2274; J. Gerlo, noot onder Brussel 5 februari 1986, T.B.B.R. 1987, 48; J. Pauwels, Beginselen van het personen- en familierecht, Leuven, Acco, 1986, 146 en 262; J. Pauwels, "De ouderlijke plicht nadat de ouders uit de echt gescheiden en de kinderen meerderjarig geworden zijn", noot onder Vred. Brugge 14 mei 1976 en Vred. Brugge 9 december 1977, R.W. 1979-80, 1789; P. Senaeve, Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer. Personen- en familierecht, Kluwer Rechtswetenschappen, Antwerpen, art. 371; P. Senaeve, Compendium van het personen- en familierecht, Leuven, Acco, 1991, II, nr. 908 en nr. 1019.) 3.2.
- Uit de behandeling van de zaak ter zitting en uit de termen van besluiten blijkt zeer duidelijk dat de verhouding van (de verweerder) met zijn kinderen vertroebeld is. 3.2.
- Uit de overlegde stukken en uit de behandeling van de zaak ter zitting blijkt dat (de verweerder) geen contact meer had met zijn zoon, niet op de hoogte was van zijn studies en over de vliegopleiding van E. met (de verweerder) geenszins is overlegd. Het uitgesproken en bewust volkomen negeren van (de verweerder) door (de eiseres) en de zoon E. getuigt van een gebrek aan eerbied en ingevolge de correlatie tussen artikel 371 van het Burgerlijk Wetboek en artikel 203 van het Burgerlijk Wetboek, (de verweerder) in deze omstandigheden geen onderhoudsgeld meer verschuldigd is voor E. en dit vanaf 1 april
- 3.2.
- Wat betreft de dochter E. is er ook reeds geruime tijd geen enkel contact meer met vader. Rekening houdend met het bepaalde in de regelingsakte voorafgaandelijk aan de echtscheiding onderlinge toestemming dient (de verweerder) geen bijdrage te doen voor studiekosten tijdens de humaniora in Oxford. Uit de behandeling van de zaak ter zitting blijkt dat E. na haar humaniorastudies verschillende studierichtingen heeft gevolgd zonder succes, tevens reeds inkomsten heeft gehad uit arbeid en thans weer studeert, avondschool schoonheidsspecialiste en nu tweede jaar marketing en bedrijfsmanagement; zodat op 23 jaar haar opleiding nog niet voltooid is. Bij deze onderscheiden studiekeuzes werd vader nooit betrokken. Het uitgesproken en bewust volkomen negeren van (de verweerder) door (de eiseres) en dochter E. getuigt van een gebrek (aan) eerbied en ingevolge de correlatie tussen artikel 371 van het Burgerlijk Wetboek en artikel 203 van het Burgerlijk Wetboek, is (de verweerder) in deze omstandigheden geen onderhoudsgeld meer verschuldigd voor E. en dit vanaf 1 maart
- 3.2.
- De vordering van (de verweerder) ter zake is dan ook gegrond en de vordering van (de eiseres) ongegrond", na volgende vaststellingen over de feiten, neergelegd in het bestreden vonnis evenals in het vonnis a quo, gewezen door de Vrederechter van het tweede kanton te Sint-Niklaas van 5 november 2002, waarvan de redengeving werd overgenomen: "Samenvattend: - Gedingvoerende partijen zijn gehuwd geweest en uit hun huwelijk zijn twee thans meerderjarige kinderen geboren namelijk: - E. geboren te Sint-Niklaas op 31 maart 1981; - E. geboren te Sint-Niklaas op 04 mei 1984; - Bij vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 24 april 1993 werd de echtscheiding bij onderlinge toestemming uitgesproken; - In de notariële regelingsakte voorafgaandelijk aan de echtscheiding door onderlinge toestemming van 10 september 1991 en in de aanvullende regelingsakte van 10 februari 1993 werd de door (de verweerder) te betalen onderhoudsbijdrage voor de kinderen bepaald". (bestreden vonnis p. 1 en 2). "Partijen zijn bij onderlinge toestemming uit de echt gescheiden ingevolge vonnis van 24 april 1993 van de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde. Zij hebben twee kinderen: E. E. , geboren op 31 maart 1981, en E. , geboren op 4 mei
- In hun voorafgaande overeenkomst, bij akte verleden voor notaris J. Muller te Waasmunster op 10 september 1991, was onder meer een onderhoudsgeld bedongen ten laste van (de verweerder) van 99,16 euro (4.000 frank) per maand en per kind, en zulks ‘voor het laatst de eerste van de maand waarin de kinderen: - ofwel hun studie voltooien; - ofwel huwen; - ofwel in hun eigen onderhoud kunnen voorzien; - ofwel achttien jaar zijn geworden en hun studies hebben beëindigd of gehuwd zijn of in hun eigen onderhoud kunnen voorzien'. In een aanvullende overeenkomst, bij akte voor dezelfde notaris van 10 februari 1993, waren een aantal verhogingen bedongen: per maand en per kind 24,79 euro (1000 frank) erbij vanaf 1 januari 1993, nogmaals 30,99 euro (1.250 frank) erbij vanaf 1 januari 1995 en eveneens 24,79 euro (1.000 frank) bovenop vanaf 1 januari
- Geïndexeerd zou dit nu 189,64 euro (7.650 frank) per kind bedragen. Verder was in die aanvullende overeenkomst bepaald: ‘Tevens verbindt de heer X. E. er zich toe een ernstige bijdrage te leveren in de studiekosten, ingeval de kinderen in de toekomst hogere studies zullen volgen'. Zoon E. heeft van september 2000 tot augustus 2002 een opleiding tot lijnpiloot gevolgd in Zuid-Afrika of Namibië, en volgt nu sinds kort een soortgelijke opleiding in België. Dochter E. heeft haar middelbaar onderwijs in België stopgezet en volgt sedert mei 2001 een opleiding in Groot-Brittannië. Sinds 1 april 2001 betaalt de eiser geen onderhoudsgeld meer". (vonnis vrederechter p. 2 en 3). Grieven
- Overeenkomstig artikel 203, §1, van het Burgerlijk Wetboek dienen de ouders naar evenredigheid van hun middelen te zorgen voor de huisvesting, het levensonderhoud, het toezicht, de opvoeding en de opleiding van hun kinderen, en loopt de verplichting door na de meerderjarigheid van het kind indien de opleiding niet voltooid is. Artikel 203bis van het Burgerlijk Wetboek laat elk van de ouders toe, onverminderd de rechten van het kind, van de andere ouder diens bijdrage te vorderen in de kosten die voortvloeien uit artikel 203, §1, van hetzelfde wetboek.
- Naar luid van artikel 371 van het Burgerlijk Wetboek zijn een kind en zijn ouders op elke leeftijd aan elkaar respect verschuldigd.
- Artikel 371 van het Burgerlijk Wetboek legt geen wettelijke beperking op aan de uitoefening van de rechten van het kind opzichtens zijn ouders op grond van artikel 203, §1, van hetzelfde wetboek, noch aan de uitoefening van de rechten van de ene ouder opzichtens de andere om diens bijdrage te vorderen overeenkomstig artikel 203bis van hetzelfde wetboek. Een zelfs flagrante miskenning van de voornoemde plicht tot respect voor zijn ouders, kan derhalve de onderhoudsaanspraken van het kind niet beperken. A fortiori kan een gebrek aan respect van de ene ouder voor de andere ouder het recht om van de andere ouder, overeenkomstig artikel 203bis van het Burgerlijk Wetboek, diens bijdrage te vorderen in de kosten die voortvloeien uit artikel 203, §1, van hetzelfde wetboek, geenszins beperken, nu artikel 371 van het Burgerlijk Wetboek enkel het wederzijds respect tussen ouder en kind betreft en niet tussen ouders onderling.
- Zoals blijkt uit de door het bestreden vonnis overgenomen uiteenzetting van de bijzonderste feitelijke gegevens van de zaak weergegeven in het vonnis a quo: - werd de echtscheiding tussen partijen op grond van onderlinge toestemming toegestaan bij vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde van 24 april 1993; - zijn partijen in de op grond van artikel 1288, eerste lid, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek, voorafgaand de echtscheiding door onderlinge toestemming gesloten overeenkomst, op 10 september 1991 overeengekomen dat de verweerder ertoe gehouden is een vast maandelijks onderhoudsgeld ten behoeve van de kinderen aan de eiseres te betalen en zulks "voor het laatst de eerste van de maand waarin de kinderen: ofwel hun studie voltooien, ofwel huwen, ofwel in hun eigen onderhoud kunnen voorzien, ofwel achttien jaar zijn geworden en hun studies hebben beëindigd of gehuwd zijn of in hun eigen onderhoud kunnen voorzien", en zijn zij in een aanvullende overeenkomst van 10 februari 1993 overeengekomen dat de verweerder er zich toe verbond "een ernstige bijdrage te leveren in de studiekosten, ingeval de kinderen in de toekomst hogere studies zullen volgen" (vonnis pp. 1-2, sub 1; vonnis a quo, p. 2, sub 3).
- Hoewel de overeenkomst die de echtgenoten die besloten hebben tot echtscheiding door onderlinge toestemming, op grond van artikel 1288, eerste lid, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek, in zijn versie zoals in de aanhef van het middel aangegeven, vooraf schriftelijk dienen aan te gaan omtrent de bijdrage van elk van beide echtgenoten in het onderhoud en de opvoeding van de kinderen, hen in beginsel, overeenkomstig het artikel 1134 van het Burgerlijk Wetboek, bindt, kan zij niet tot gevolg hebben de verplichting te wijzigen of te beperken welke door artikel 203 van het Burgerlijk Wetboek aan de ouders t.o.v. deze kinderen worden opgelegd. Overeenkomstig artikel 1135 van het Burgerlijk Wetboek verbinden overeenkomsten immers niet alleen tot hetgeen daarin uitdrukkelijk is bepaald, maar ook tot alle gevolgen die door de billijkheid, het gebruik of de wet aan de verbintenis, volgens de aard ervan, worden toegekend. Overeenkomstig artikel 1288, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek kunnen de beschikkingen bedoeld in artikel 1288, eerste lid, 3°, van hetzelfde wetboek, na de echtscheiding door de bevoegde rechter worden herzien wanneer nieuwe omstandigheden buiten de wil van de partijen hun toestand of die van de kinderen ingrijpend wijzigen.
- Het bestreden vonnis leidt uit "de correlatie tussen artikel 371 van het Burgerlijk Wetboek en artikel 203 van het Burgerlijk Wetboek" evenwel af dat het kind dat op flagrante wijze zijn "plicht tot respect voor zijn ouders" miskent, zijn recht op voortgezette tussenkomst vanwege zijn ouders in zijn onderhoud en opleiding kan "verbeuren". Volgens de appelrechters is er een miskenning van de plicht van respect wanneer het kind weigert de ouders in te lichten aangaande de studies of hen niet raadpleegt over de voortzetting van de studies. Zowel wat betreft de zoon als de dochter van partijen oordeelt het bestreden vonnis "(dat) het uitgesproken en bewust volkomen negeren van (de verweerder) door (de eiseres) en (respectievelijk zoon E. en dochter E. ) getuigt van een gebrek aan eerbied", waarna het, ingevolge "de correlatie tussen artikel 371 van het Burgerlijk Wetboek en artikel 203 van het Burgerlijk Wetboek" besluit dat, zoals door de verweerder gevorderd, geen onderhoudsgeld meer verschuldigd is vanaf 1 april 2001 voor zoon E. en vanaf 1 maart 2005 voor dochter E. , zonder dat het evenwel vaststelt dat de opleiding van de kinderen, zoals bepaald in artikel 203, §1, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, op de weerhouden data voltooid was, zonder dat het aanneemt dat de verweerder, overeenkomstig de overeenkomsten van 10 september 1991 en 10 februari 1993 voorafgaand de echtscheiding door onderlinge toestemming, geen onderhoudsgeld meer verschuldigd is vanaf voornoemde data, en zonder dat het nieuwe omstandigheden buiten de wil van de partijen die hun toestand of die van de kinderen ingrijpend wijzigen, in de zin van artikel 1288, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, aanneemt.
- Door aldus op grond van een gebrek aan eerbied (respect) van de eiseres en de kinderen opzichtens de verweerder, de onderhoudsrechten van de kinderen alsook de eiseres' recht om de verweerders bijdrage in de onderhoudskosten te vorderen, te beperken, miskent het bestreden vonnis derhalve - de artikelen 203, 203bis en 371 van het Burgerlijk Wetboek; - de verbindende kracht van de overeenkomsten van 10 september 1991 en 10 februari 1993, die partijen in de aanloop van de echtscheidingsprocedure door onderlinge toestemming, op grond van artikel 1288 van het Gerechtelijk Wetboek, nopens de onderhoudsbijdragen, sloten (schending van artikel 1134 van het Burgerlijk Wetboek, en voor zoveel als nodig, artikel 1135 van het Burgerlijk Wetboek en artikel 1288, eerste lid, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek in de versie zoals in de aanhef van het middel aangegeven); - de voorwaarden waaronder de voornoemde overeenkomsten van 10 september 1991 en 10 februari 1993 door de rechter kunnen worden gewijzigd (schending van artikel 1288, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
- Krachtens artikel 203, §1, van het Burgerlijk Wetboek, dienen de ouders naar evenredigheid van hun middelen te zorgen voor de huisvesting, het levensonderhoud, het toezicht, de opvoeding en de opleiding van hun kinderen. Krachtens artikel 371 van het Burgerlijk Wetboek, zijn een kind en zijn ouders op elke leeftijd aan elkaar respect verschuldigd.
- Uit voormelde wetsbepalingen volgt dat de afwezigheid van respect dat een kind aan zijn ouders verplicht is, geen wettelijke uitsluitingsgrond vormt voor het recht op onderhoudsbijdrage van dat kind, recht dat van openbare orde is.
- De appelrechters oordelen dat de aanspraak van het kind op een onderhoudsbijdrage informatie en samenspraak met de ouders impliceert, onder meer met betrekking tot de studies en verderzetting ervan, en dat bij gebrek aan dergelijk respect het kind iedere aanspraak op onderhoudsuitkering verbeurt. Zij oordelen vervolgens tevens dat, aangezien de verweerder niet op de hoogte was van de studiekeuze van zijn kinderen, noch hierin betrokken werd, hij vanaf 1 april 2001 geen onderhoudsgeld meer verschuldigd is voor de zoon en vanaf 1 maart 2005 voor de dochter.
- Door aldus te oordelen schenden de appelrechters de artikelen 203, §1, en 371 van het Burgerlijk Wetboek. Het middel is in zoverre gegrond. Overige grieven
- De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis behalve in zoverre dit het hoger beroep ontvankelijk verklaart. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar de rechtbank van eerste aanleg te Gent, zitting houdende in hoger beroep. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit eerste voorzitter Ghislain Londers, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Robert Boes, en de raadsheren Albert Fettweis, Alain Smetryns en Geert Jocqué, en in openbare terechtzitting van 3 juni 2010 uitgesproken door eerste voorzitter Ghislain Londers, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100603.5 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100603.5 geciteerd door: ECLI:BE:HBGNT:2025:ARR.20250304.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div