id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 10 juni 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100610.7 Rolnummer: F.08.0061.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige - Belastingrecht - Bestuursrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2010-06-28 Raadplegingen: 654 - laatst gezien 2026-07-02 17:09 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100610.7 Fiches 1 - 2 Een vordering inzake een geschil betreffende de toepassing van een belastingwet door de belastingplichtige kan slechts op ontvankelijke wijze worden aanhangig gemaakt bij de rechtbank van eerste aanleg indien hij vooraf het door of krachtens de wet georganiseerd administratief beroep heeft ingesteld; deze vereiste van de uitputting van het administratief beroep vervat in artikel 1385undecies, eerste lid, van het Ger. W., is slechts van toepassing op geschillen met betrekking tot de toepassing van een belastingwet die worden ingeleid voor de rechtbank van eerste aanleg vanaf 6 april 1999 en waarvoor de termijn voor het indienen van het administratief beroep op die datum niet reeds is verstreken
(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: VORDERING IN RECHTE UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BEVOEGDHEID - Materiële bevoegdheid - Rechtbank van eerste aanleg - Bijzondere gevallen FISCAAL RECHT - REGIONALE BELASTINGEN - Vlaanderen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - BESTUURSRECHT - Motivering bestuurshandelingen - Motiveringsplicht Vrije woorden: Geschil m.b.t. de toepassing van een belastingwet - Vordering voor de rechtbank van eerste aanleg - Voorwaarden - Voorafgaande uitputting van het administratief beroep - Inwerkingtreding Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 569, eerste lid, 32°, en 1385undecies, eerste lid oud Burgerlijk Wetboek - Art. 2 Wet - 23-03-1999 - Art. 11, eerste lid Thesaurus CAS: BELASTING UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BEVOEGDHEID - Materiële bevoegdheid - Rechtbank van eerste aanleg - Bijzondere gevallen FISCAAL RECHT - REGIONALE BELASTINGEN - Vlaanderen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - BESTUURSRECHT - Motivering bestuurshandelingen - Motiveringsplicht Vrije woorden: Geschil m.b.t. de toepassing van een belastingwet - Vordering voor de rechtbank van eerste aanleg - Voorwaarden - Voorafgaande uitputting van het administratief beroep - Inwerkingtreding Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 569, eerste lid, 32°, en 1385undecies, eerste lid oud Burgerlijk Wetboek - Art. 2 Wet - 23-03-1999 - Art. 11, eerste lid Fiche 3 In geval van een administratief beroep van de houder van het zakelijk recht tegen de vaststelling van de leegstand van het goed, moet de administratie een formele beslissing nemen over het beroep en moet zij de beslissing om het goed al dan niet op te nemen in de inventaris ter kennis brengen van de houder van het zakelijk recht
(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: GEMEENSCHAPS- EN GEWESTBELASTINGEN UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BEVOEGDHEID - Materiële bevoegdheid - Rechtbank van eerste aanleg - Bijzondere gevallen FISCAAL RECHT - REGIONALE BELASTINGEN - Vlaanderen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - BESTUURSRECHT - Motivering bestuurshandelingen - Motiveringsplicht Vrije woorden: Gewestbelasting - Leegstandheffing - Vaststelling van de leegstand - Kennisgeving aan de houder van het zakelijk recht - Beroep - Rechtsgevolgen - Verplichting in hoofde van de administratie Wettelijke bepalingen: Decreet Vlaamse Raad - 22-12-1995 - Artt. 26, eerste lid, 28, § 1, eerste lid, en 33 Fiches 4 - 5 De beslissing tot opname van het gebouw en/of de woning in de inventaris overeenkomstig artikel 33, vierde lid, van het Heffingsdecreet beoogt rechtsgevolgen vermits ze op zich reeds de materiële belastingschuld veroorzaakt, en is derhalve een bestuurshandeling die uitdrukkelijk moet worden gemotiveerd in de zin van artikel 2 van de Wet Motivering Bestuurshandelingen
(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: GEMEENSCHAPS- EN GEWESTBELASTINGEN UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BEVOEGDHEID - Materiële bevoegdheid - Rechtbank van eerste aanleg - Bijzondere gevallen FISCAAL RECHT - REGIONALE BELASTINGEN - Vlaanderen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - BESTUURSRECHT - Motivering bestuurshandelingen - Motiveringsplicht Vrije woorden: Gewestbelasting - Leegstandheffing - Beslissing tot opname van het goed in de inventaris - Bestuurshandeling Wettelijke bepalingen: Decreet Vlaamse Raad - 22-12-1995 - Art. 33, vierde lid Wet - 29-07-1991 - Artt. 1 en 2 Thesaurus CAS: MACHTEN - ALLERLEI UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BEVOEGDHEID - Materiële bevoegdheid - Rechtbank van eerste aanleg - Bijzondere gevallen FISCAAL RECHT - REGIONALE BELASTINGEN - Vlaanderen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - BESTUURSRECHT - Motivering bestuurshandelingen - Motiveringsplicht Vrije woorden: Wet Motivering Bestuurshandelingen - Leegstandheffing - Beslissing tot opname van het goed in de inventaris Wettelijke bepalingen: Decreet Vlaamse Raad - 22-12-1995 - Art. 33, vierde lid Wet - 29-07-1991 - Artt. 1 en 2 Fiches 6 - 10 Conclusies van advocaat-generaal THIJS. Thesaurus CAS: VORDERING IN RECHTE UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BEVOEGDHEID - Materiële bevoegdheid - Rechtbank van eerste aanleg - Bijzondere gevallen FISCAAL RECHT - REGIONALE BELASTINGEN - Vlaanderen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - BESTUURSRECHT - Motivering bestuurshandelingen - Motiveringsplicht Vrije woorden: Geschil m.b.t. de toepassing van een belastingwet - Vordering voor de rechtbank van eerste aanleg - Voorwaarden - Voorafgaande uitputting van het administratief beroep - Inwerkingtreding Thesaurus CAS: BELASTING UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BEVOEGDHEID - Materiële bevoegdheid - Rechtbank van eerste aanleg - Bijzondere gevallen FISCAAL RECHT - REGIONALE BELASTINGEN - Vlaanderen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - BESTUURSRECHT - Motivering bestuurshandelingen - Motiveringsplicht Vrije woorden: Geschil m.b.t. de toepassing van een belastingwet - Vordering voor de rechtbank van eerste aanleg - Voorwaarden - Voorafgaande uitputting van het administratief beroep - Inwerkingtreding Thesaurus CAS: GEMEENSCHAPS- EN GEWESTBELASTINGEN UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BEVOEGDHEID - Materiële bevoegdheid - Rechtbank van eerste aanleg - Bijzondere gevallen FISCAAL RECHT - REGIONALE BELASTINGEN - Vlaanderen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - BESTUURSRECHT - Motivering bestuurshandelingen - Motiveringsplicht Vrije woorden: Gewestbelasting - Leegstandheffing - Vaststelling van de leegstand - Kennisgeving aan de houder van het zakelijk recht - Beroep - Rechtsgevolgen - Verplichting in hoofde van de administratie Gewestbelasting - Leegstandheffing - Beslissing tot opname van het goed in de inventaris - Bestuurshandeling Thesaurus CAS: MACHTEN - ALLERLEI UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BEVOEGDHEID - Materiële bevoegdheid - Rechtbank van eerste aanleg - Bijzondere gevallen FISCAAL RECHT - REGIONALE BELASTINGEN - Vlaanderen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - BESTUURSRECHT - Motivering bestuurshandelingen - Motiveringsplicht Vrije woorden: Wet Motivering Bestuurshandelingen - Leegstandheffing - Beslissing tot opname van het goed in de inventaris Tekst van de beslissing Nr. F.08.0061.N VLAAMS GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, voor wie optreedt de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening, met kantoor te 1210 Sint-Joost-ten-Node, Koning Albert-II-laan 19, eiser, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 9051 Gent, Driekoningenstraat 3, waar de eiser woonplaats kiest, tegen D.V.L, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen de arresten, op 13 september 2006 en 28 juni 2007 gewezen door het hof van beroep te Brussel. Raadsheer Eric Stassijns heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift twee middelen aan. Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek; - de artikelen 9 en 11, eerste lid, van de wet van 23 maart 1999 betreffende de rechterlijke inrich¬ting in fiscale zaken; - artikel 39, §2, in de versie van toepassing vóór de vervanging ervan bij decreet van het Vlaams Parlement van 30 juni 2000, van het decreet van 22 december 1995 houdende bepalingen van de bege¬leiding van de begroting 1996 (hieronder afgekort als Heffingsdecreet); - artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek; - het algemeen rechtsbeginsel betreffende het verbod van terugwerkende kracht, zoals neergelegd in artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek. Aangevochten beslissingen In het tussenarrest van 13 september 2006 verklaart het hof van beroep te Brussel, recht sprekend over de vordering van de verweerder tot de nietigverklaring van de beslissing van de eiser tot opname van zijn woning in de inventaris der leegstaande gebouwen, het hoger beroep van de verweerder ontvankelijk en reeds gegrond in zover het bestreden vonnis zijn vordering onontvankelijk verklaarde, op grond van alle motieven waarop de beslissing steunt, die hier beschouwd worden integraal te zijn hernomen, en in het bijzonder op de volgende overwegingen: "
- b)Wat de toepassing van de uitputtingsvereiste betreft (De verweerder) meent dat de eerste rechter ten onrechte van oordeel was dat, nu de zaak nog niet bij de rechtbank was ingeleid voor 6 april 1999 (datum van inwerkingtreding van de wetten van 15 en 23 maart 1999 tot hervorming van de fiscale procedure), de termijn om bezwaar in te dienen pas is begonnen lopen vanaf 6 april 1999. Hij is daarentegen van oordeel dat het hier een geschil betreft dat reeds was ontstaan voor 1 maart 1999, zodat de uitputtingsvereiste nog niet gold. Het hof (van beroep) treedt (de verweerder) op dit punt bij. Nu het administratieve luik van deze zaak was afgesloten op datum van 12 februari 1999, d.w.z. voor de inwerkingtreding van voormelde wetten van 15 en 23 maart 1999, gold de uitputtingsvereiste nog niet, nu deze pas werd ingevoerd door voormelde Wetten. Dit betekent dat de vordering van (de verweerder) ontvankelijk dient te worden verklaard. Derhalve dient het bestreden vonnis, dat de vordering van (de verweerder) onontvankelijk heeft verklaard, te worden hervormd (...)". Grieven 1.1. Artikel 9 van de wet van 23 maart 1999 betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken bepaalt dat in Boek IV van het vierde deel van het Gerechtelijk Wetboek een Hoofdstuk XXIV wordt ingevoegd, met de artikelen 1385decies en artikel 1385undecies. Artikel 1385undecies, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, bepaalt dat de vordering tegen de belastingadministratie inzake de geschillen bedoeld in artikel 569, eerste lid, 32°, van het Gerechtelijk Wetboek slechts wordt toegelaten indien de eiser voorafgaandelijk het door of krachtens de wet georganiseerd administratief beroep heeft ingesteld. Krachtens artikel 39, §2, eerste lid, van het decreet van 22 december 1995 houdende bepa¬lingen van de begeleiding van de begroting 1996, hieronder afgekort als Heffingsdecreet, in de versie van toepassing voor de vervanging ervan bij decreet van het Vlaams Parlement van 30 juni 2000 kan de belastingplichtige binnen dertig kalenderdagen na de verzending van de aanslag met een gemotiveerd verzoekschrift in beroep gaan bij de Vlaamse regering tegen de fiscale heffing. 1.2. Artikel 11, eerste lid, van de wet van 23 maart 1999 betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken bepaalt dat de gedingen die hangende zijn bij de hoven, de rechtbanken en andere instanties, met inbegrip van de rechtsmiddelen die tegen hun beslissingen kunnen worden aangewend, worden vervolgd en afgehandeld met toepassing van de voor 1 maart 1999 geldende regels. Op de geschillen die op de dag van de inwerkingtreding van de wet van 23 maart 1999 betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken niet aanhangig zijn gemaakt bij de hoven, de rechtbanken en andere instanties, moeten dus de na 1 maart 1999 geldende regels wor¬den toegepast. 1.3. Op het vierde blad, laatste alinea, van het arrest van 13 september 2006 beslist het hof van beroep dat de termijn waarbinnen de verweerder tegen de leegstandheffing bezwaar kon aantekenen, is beginnen lopen vanaf de dag na de werkelijke verzending van het aanslagbil¬jet, d.w.z. op 14 januari 1999 om een einde te nemen op 12 februari 1999. Op het derde blad, vierde en vijfde alinea, van het arrest van 13 september 2006 stelt het hof van beroep vast dat de verweerder tegen de heffing niet in beroep is gegaan bij de Vlaamse regering en dat hij op 30 november 1999 overging tot dagvaarding van de eiser voor de rechtbank van eerste aanleg te Brugge. Aldus stelt het hof van beroep feitelijk vast dat op 6 april 1999, datum van de inwerkingtre¬ding van de wet van 23 maart 1999 betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken, tussen de eiser en de verweerder geen geding hangend was bij een hof, een rechtbank of een andere instantie. Op de vordering die de verweerder instelde op: 30 november 1999, dit is na 6 april 1999, da¬tum van de inwerkingtreding van de wet van 23 maart 1999 betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken, waren dan ook de na 1 maart 1999 geldende regels toepasselijk, waaronder artikel 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek. 1.4. Krachtens een algemeen rechtsbeginsel, dat onder meer is neergelegd in artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek is de nieuwe wet onmiddellijk van toepassing op alle gevolgen van onder de vroegere wet ontstane toestanden, voor zover deze toepassing geen afbreuk doet aan definitief verworven rechten. Artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de wet alleen beschikt voor het toekomende, zij heeft geen terugwerkende kracht. Het beginsel dat een wet geen terugwerkende kracht heeft, is een algemeen rechtsbeginsel. Gelet op dat verbod van non-retroactiviteit begon op 6 april 1999 een nieuwe termijn te lopen waarbinnen de verweerder tegen de leegstandheffing bezwaar kon aantekenen bij de Vlaamse Regering, bij gebreke waarvan hij geen toelaatbare vordering kon stellen voor de rechtbank van eerste aanleg. 1.5. Door te beslissen dat de uitputtingsvereiste van artikel 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek niet geldt op de overweging dat die vereiste pas werd ingevoerd door de wetten van 15 en 23 maart 1999 en het administratieve luik van de zaak was afgesloten op 12 fe¬bruari 1999, d.w.z. vóór de inwerkingtreding van die wetten, schendt het hof van beroep artikel 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek en de artikelen 9 en 11, eerste lid, van de wet van 23 maart 1999 betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken en artikel 39, §2, van het Heffingsdecreet alsook artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek en het algemeen rechtsbeginsel betreffende het verbod van terugwerkende kracht. Ook de overweging van het hof van beroep dat het de stelling van de verweerder bijtreedt waar die van oordeel is dat de uitputtingsvereiste niet geldt omdat het gaat om een geschil dat was ontstaan voor 1 maart 1999, verantwoordt de beslissing niet dat de uitputtingsvereiste van artikel 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek niet geldt. Aldus verklaart het hof van beroep de vordering van de verweerder op onwettige wijze ontvankelijk (schending van artikel 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek, de artikelen 9 en 11, eerste lid, van de wet van 23 maart 1999 betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken en artikel 39, §2, van het Heffingsdecreet en van artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek en het algemeen rechtsbeginsel betreffende het verbod van terugwerkende kracht). Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 33, in de versie, met ingang van 1 januari 1996, gewijzigd bij artikel 4 van het decreet van 8 juli 1997 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 1997 en vóór de vervanging ervan door artikel 38 van het decreet van 24 december 2004 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2005, van het decreet van 22 december 1995 houdende bepalingen van de begeleiding van de begroting 1996 (hierna afgekort als Heffingsdecreet); - artikel 3, §2, van het besluit van 2 april 1996 van de Vlaamse regering betreffende de heffing ter bestrijding van leegstand en verkrotting van gebouwen en/of woningen; - de artikelen 1, 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hieronder afgekort als Wet Motivering Bestuurshandelingen). Aangevochten beslissing In het eindarrest van 28 juni 2007 verklaart het hof van beroep te Brussel, recht sprekend over de vordering van de verweerder tot de nietigverklaring van de beslissing van de eiser tot opname van zijn woning in de inventaris der leegstaande gebouwen, het hoger beroep van de verweerder gegrond, op grond van alle motieven waarop de beslissing steunt, die hier beschouwd worden integraal te zijn hernomen, en in het bijzonder op de volgende overwe¬gingen: "Art. 33 van voornoemd Decreet van 22 december 1995 bepaalt thans (...) dat de inventarisbeheerder drie maanden de tijd heeft om het bezwaar tegen de inventarisatie te behandelen, en voegt er nog aan toe dat wanneer er geen uitspraak binnen deze termijn is, het bezwaar wordt geacht te zijn ingewilligd. Terecht leidt (de verweerder) uit deze tekst af dat (de eiser) wel degelijk binnen voormelde termijn een formele beslissing moet nemen (en dus moet antwoorden) op de bezwaarschriften die worden ingediend tegen de inventarisatie. Wel is het zo dat deze verplichting pas expliciet werd opgenomen in artikel 33 van voornoemd Decreet van 22 december 1995 ingevolge de wijzigingen aan deze bepaling aangebracht door de Decreten van 7 mei 2004 en 24 december 2004, zodat deze verplichting geen toepassing vindt op onderhavige zaak. Overeenkomstig artikel 33 van voornoemd Decreet, zoals dat van toepassing was op het ogenblik van de opname van de woning van (de verweerder) in de inventaris, geniet de betrokkene een preventieve bescherming, nu de woning nog niet wordt ingeschreven op het ogenblik van de vaststelling van de leegstand. Hij wordt eerst in kennis gesteld van de vaststelling van de leegstand en van de repercussies die daaraan verbonden zijn, waarna hij één maand de tijd heeft om de administratie ervan te overtuigen dat de woning op de dag van de administratieve akte niet als leegstaand kan worden be¬schouwd (zie: W. Bossuyt, "Heffing op de leegstand en de verkrotting van gebouwen en/of woningen", T. Not., 1998, 278). Indien er geen betwisting is of geen tegenbewijs wordt geleverd, wordt de woning door de administratie ingeschreven op de inventarislijst voor leegstand op de datum van de administratieve akte (zie: W. Bossuyt, o. c., 288). Het hof (van beroep) stelt vast dat (de eiser) niet betwist dat (de verweerder) in deze binnen de maand na de verzending van de administratieve akte de gedane vaststellingen van leegstand heeft betwist. Verder blijkt dat de woning in kwestie in de inventaris werd opgenomen zonder tussenkomst van een formele beslissing omtrent de betwisting van de vaststelling. Ten onrechte roept (de eiser) in dat zij niet verplicht was om binnen een bepaalde termijn een formele beslissing te nemen omtrent de betwisting. Deze (onjuiste) zienswijze van (de eiser) komt erop neer dat, indien (de eiser) oordeelde dat de bezwaarindiener niet in staat was het tegenbewijs van de vastgestelde leegstand te leveren, de admini¬stratie kon volstaan met de stilzwijgende opname van de woning in de inventaris, waarbij deze opname dan als het ware als een afwijzing van het bezwaar gold. Daarmee gaat (de eiser) evenwel voorbij aan het feit dat de administratie zelf deze betwisting of beter deze procedure van bezwaar als een volwaardige bezwaarprocedure beschouwde, zoals blijkt uit het verslag van de hoorzitting gehouden op 3 februari 2004 in de commissie voor binnenlandse aangelegenheden, huisvesting en stedelijk beleid van het Vlaamse Parlement (zie www. vlaamsparlement. be, 2002-2003, stuk 1678/2, p. 5). Dit geldt des te meer, nu tegen de beslissing van de administratie om de woning, ondanks het bezwaar, toch te registeren geen beroepsprocedure is voorzien (behou¬dens het indienen van een verzoekschrift tot nietigverklaring bij de Raad van State) (zie: W. Bossuyt, o.c., 288; W. Robben, Leegstandsbelastingen in het Vlaamse Gewest, Dossier Het onroerend goed in de praktijk, Antwerpen, Kluwer Rechtsweten¬schappen België, 1998, nr. 68, p. 43). Gelet op het karakter van volwaardige bezwaarprocedure, gaat het hof (van beroep) met (de verweerder) akkoord dat deze procedure diende te worden afgesloten met een antwoord, of beter met een gemotiveerde beslissing van de bevoegde administratieve overheid. Zonder een dergelijke beslissing, waarbij het bezwaar van de bezwaarindiener wordt afgewezen, kon de woning niet in de inventaris worden opgenomen overeenkomstig artikel 33 van voornoemd Decreet van 22 december 1995. Overeenkomstig deze laatste bepaling kon er slechts een opname in de inventaris plaatsvinden wanneer de vaststellingen niet werden betwist of het tegenbewijs niet werd geleverd. Dit impliceert dat een beslissing met betrekking tot het bezwaarschrift vereist was, zonder dewelke de bezwaarprocedure hangende bleef. Het hof (van beroep) kan dan ook niet akkoord gaan met (de eiser) die stelt dat een decretaal georganiseerde bezwaarprocedure kan worden afgespoten door een stilzwijgende beslissing, die dan dient te worden afgeleid uit het feit dat de woning alsnog door de administratie in de inventaris werd opgenomen. Een dergelijke handelswijze is in strijd met de bepalingen van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen. Deze wet legt aan de besturen op hun bestuurshandelingen uitdrukkelijk te motiveren, waarbij de opge¬legde motivering in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen en afdoende moet zijn. Onder "besturen" moet worden verstaan de administratieve overheden als bedoeld in artikel 14 van de gecoördineerde Wetten op de Raad van State. Krachtens de rechtspraak van de Raad van State zijn dit alle organen van het nationaal, communautair, gewestelijk, provinci¬aal of gemeentelijk bestuur die belast zijn met een openbare dienst en die niet behoren tot de wetgevende of de rechterlijke macht. "Bestuurshandelingen" in de zin van de wet van 29 juli 1991 zijn dan de eenzijdige rechtshandelingen met individuele strekking die uitgaan van een bestuur en beogen rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden of voor een ander bestuur. Het hof meent dat de door de administratie, in het kader van het bezwaar tegen de voorgenomen inventarisatie, te nemen beslissing een bestuurshandeling in de zin van voornoemde wet van 29 juli 1991 uitmaakt. Het gaat hier immers niet om een louter feitelijke vaststelling, een maatregel van orde, een louter materiële handeling of een meerzijdige rechtshandeling, die van de toepassing van de wet van 29 juli 1991 werden uitgesloten (zie: P. Van Orshoven, "Uitdrukke¬lijke motivering van (fiscale) bestuurshandelingen", Fisc. Koer, 1991, 508). De beslis¬sing in kwestie is daarentegen een eenzijdige beslissing met individuele strekking die beoogt rechtsgevolgen te hebben: een definitieve opname in de inventaris vormt im¬mers de grondslag voor het heffen van de leegstandsheffing. Dit geldt naar het oordeel van het hof des te meer, nu, zoals gezegd, geen beroepsprocedure werd ingesteld tegen de beslissing van de administratie om de woning ondanks het bezwaar, toch te re¬gistreren. Derhalve dient het hoger beroep van (de verweerder) te worden ingewilligd, zonder dat het noodzakelijk is diens andere grieven te onderzoeken". (...). Grieven 2.1. Eerste onderdeel 2.1.1. De in deze zaak toepasselijke versie van artikel 33 van het decreet van 22 december 1995 houdende bepalingen van de begeleiding van de begroting 1996, hieronder afgekort als Heffingsdecreet, bepaalt: "Elke gemeente deelt, volgens bepalingen die door de Vlaamse regering worden vastgesteld, aan de administratie mee welke gebouwen en/of woningen op haar grondge¬bied leeg staan. De administratie stelt de leegstand vast in een gemotiveerde administratieve akte, zoals bedoeld in artikel 28, en geeft de houder van het zakelijk recht, bedoeld in artikel 27, bij aangetekend schrijven kennis van deze vaststelling. De houder van het zakelijk recht kan de vaststelling binnen één maand na de kennisgeving betwisten en met alle bewijsmiddelen van gemeen recht, met uitzondering van de eed, het bewijs leveren dat het gebouw en/of de woning effectief gebruikt wordt. Wanneer de vaststelling niet werd betwist of de houder van het zakelijk recht er niet in slaagt het tegenbewijs te leveren binnen de gestelde termijn, neemt de administratie het gebouw en/of de woning op in de inventaris, bedoeld in artikel 28. Het gebouw en/of de woning wordt ingeschreven op de datum van de administratieve akte, bedoeld in artikel 28. De bepalingen van dit artikel zijn eveneens van toepassing op gebouwen en/of wonin¬gen die op de datum van inwerkingtreding van dit hoofdstuk minstens 12 opeenvolgende maanden leegstaan". Aldus bepaalt artikel 33 van het Heffingsdecreet geenszins dat de beslissing tot opname van een gebouw of woning in de inventaris, wanneer de vaststelling van de leegstand ervan niet wordt betwist of de bezwaarindiener het tegenbewijs van de leegstand niet levert, uitdrukke¬lijk en/of gemotiveerd moet zijn. Evenmin bepaalt dat artikel dat een woning niet in de inventaris der leegstaande woningen kan worden opgenomen zonder dat de bevoegde administratieve overheid de bezwaarpro¬cedure afsluit met een antwoord, of beter met een gemotiveerde beslissing waarbij het bezwaar van de bezwaarindiener wordt afgewezen, bij gebreke waarvan de bezwaarprocedure hangende blijft. 2.1.2. Het hof van beroep beslist dat de bezwaarprocedure op grond van artikel 33 van het Heffingsdecreet moest worden afgesloten met een antwoord, of beter met een gemotiveerde beslissing van de bevoegde administratieve overheid. Het beslist dat de woning van de verweerder zonder een dergelijke beslissing, waarbij zijn bezwaar werd afgewezen, niet kon worden opgenomen in de inventaris der leegstaande gebouwen op grond van artikel 33 van het Heffingsdecreet, maar dat krachtens die bepaling slechts een opname in de inventaris kan plaatsvinden wanneer de vaststelling van de leegstand niet wordt betwist of het tegenbewijs ervan niet wordt geleverd, wat impliceert dat een beslissing met betrekking tot het bezwaarschrift vereist is, zonder dewelke de bezwaarpro¬cedure hangende blijft. Met de voormelde overwegingen en beslissingen geeft het hof van beroep aan artikel 33 van het Heffingsdecreet een inhoud en kent het daaraan rechtsgevolgen toe welke die bepaling niet heeft en schendt het die bepaling. De overweging van het hof van beroep dat het gaat om een volwaardige bezwaarprocedure en dat de eiseres de procedure zelf als een volwaardige bezwaarprocedure beschouwt, verantwoordt die beslissing niet naar recht. Aldus zegt het hof van beroep niet wettig voor recht dat het hoger beroep van de verweerder gegrond is (schending van artikel 33 van het Heffingsdecreet in de versie aangewezen bij het begin van het middel). 2.2. Tweede onderdeel 2.2.1. Artikel 1, eerste streepje, van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, hieronder afgekort als Wet Motivering Bestuurshandelingen, bepaalt dat voor de toepassing van deze wet onder "bestuurshandeling" moet worden verstaan: de eenzijdige rechtshandeling met individuele strekking die uitgaat van een bestuur en die beoogt rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden of voor een ander bestuur. Het vereiste dat de beslissing beoogt rechtsgevolgen te hebben, houdt in dat de beslissing "uitvoerbaar" dient te zijn. Een uitvoerbare beslissing is een beslissing die onmiddellijk rechtsgevolgen teweegbrengt en een uitvoerbare kracht heeft. Krachtens artikel 2 van de Wet Motivering Bestuurshandelingen moeten de bestuurshande¬lingen van de besturen bedoeld in artikel 1 uitdrukkelijk worden gemotiveerd. Artikel 3 van de Wet Motivering Bestuurshandelingen bepaalt dat de opgelegde motivering in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen. Zij moet afdoende zijn. 2.2.2. Artikel 33, vierde lid, van de in deze zaak toepasselijke versie van het Heffingsdecreet bepaalt dat de administratie, wanneer de vaststelling van de leegstand niet werd betwist of de houder van het zakelijk recht er niet in slaagt het tegenbewijs te leveren binnen de gestelde termijn, het gebouw en/of de woning opneemt in de inventaris. Artikel 3, §2, van het besluit van 2 april 1996 van de Vlaamse regering betreffende de hef¬fing ter bestrijding van leegstand en verkrotting van gebouwen en/of woningen bepaalt dat de bijzondere kohieren worden uitvoerbaar verklaard door de daartoe gemachtigde ambtenaar van de Vlaamse Belastingdienst. Opdat de heffing verschuldigd zou zijn en kan worden geïnd, moet zij dus worden ingekohierd en moet het kohier uitvoerbaar worden verklaard, waarna zo nodig gedwongen uitvoe¬ring kan gebeuren door de bevoegde ambtenaren. De loutere weigering van de administratie de vaststelling van de leegstand te herzien wanneer het oordeelt dat de houder van het zakelijk recht er niet in slaagt het tegenbewijs te leveren van de leegstand van zijn woning, heeft dan ook niet rechtstreeks en onmiddellijk tot gevolg dat de leegstandheffing verschuldigd is en kan zonder meer worden geïnd. Ook de opname van de woning in de inventaris van de leegstaande woningen heeft niet rechtstreeks en onmiddellijk tot gevolg dat de leegstandheffing verschuldigd is en kan wor¬den geïnd. Het gaat niet om uitvoerbare beslissingen en dus niet om een bestuurshandelingen in de zin van de Wet Motivering Bestuurshandelingen. 2.2.3. Het hof van beroep beslist dat de door de administratie, in het kader van het bezwaar tegen de voorgenomen inventarisatie, te nemen beslissing een bestuurshandeling is in de zin van Wet Motivering Bestuurshandelingen op de overweging dat het niet gaat om een louter feitelijke vaststelling, een maatregel van orde, een louter materiële handeling of een meerzijdige rechtshandeling, die van de toepassing van die wet is uitgesloten. De genoemde beslissing is volgens het hof van beroep een eenzijdige beslissing met individuele strekking die beoogt rechtsgevolgen te hebben, aangezien een definitieve opname in de inventaris de grondslag vormt voor het heffen van de leegstandheffing. Aldus gaat het hof van beroep voorbij aan het vereiste dat bestuurshandelingen in de zin van de Wet Motivering Bestuurshandelingen een uitvoerbaar karakter moeten hebben en schendt het de artikelen 1, 2 en 3 van de Wet Motivering Bestuurshandelingen, artikel 33 van het Heffingsdecreet en artikel 3, §2, van het besluit van 2 april 1996 van de Vlaamse rege¬ring betreffende de heffing ter bestrijding van leegstand en verkrotting van gebouwen en/of woningen. De overweging van het hof van beroep dat geen beroepsprocedure werd ingesteld tegen de beslissing van de administratie om de woning, ondanks het bezwaar, toch te registreren, verantwoordt niet naar recht de beslissing dat de door de administratie, in het kader van het bezwaar tegen de voorgenomen inventarisatie, te nemen beslissing, een bestuurshandeling is in de zin van de Wet Motivering Bestuurshandeling. Ook de overweging dat de opname van een woning in de inventaris der leegstaande gebou¬wen de grondslag vormt voor het heffen van de leegstandheffing verantwoordt die beslissing niet naar recht. Aldus zegt het hof van beroep niet wettig voor recht dat het hoger beroep van de verweerder gegrond is (schending van alle in de aanhef van het middel als geschonden aangevoerde wettelijke bepalingen). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel 1. Krachtens artikel 11, eerste lid, van de wet van 23 maart 1999 betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken worden de gedingen die hangende zijn bij de hoven, de rechtbanken en andere instanties, met inbegrip van de rechtsmiddelen die tegen hun beslissingen kunnen worden aangewend, vervolgd en afgehandeld met toepassing van de vóór 1 maart 1999 geldende regels. Met die bepaling heeft de wetgever beoogd alle geschillen die op de dag van de inwerkingtreding van die wet, dit is 6 april 1999, nog niet definitief door de rechter beslecht waren, te laten afhandelen volgens de eerder geldende regels. Aldus moet, wanneer voor die datum een geding reeds is gebracht voor een rechtscollege, de vroegere procedure worden gevolgd, ook wat de rechtsmiddelen betreft. 2. Krachtens artikel 569, eerste lid, 32°, van het Gerechtelijk Wetboek neemt de rechtbank van eerste aanleg kennis van geschillen betreffende de toepassing van een belastingwet. Krachtens artikel 1385undecies, eerste lid, van dit wetboek, worden de vorderingen inzake de geschillen bedoeld in artikel 569, eerste lid, 32°, slechts toegelaten indien de eiser voorafgaandelijk het door of krachtens de wet georganiseerde administratief beroep heeft ingesteld. 3. Hieruit volgt dat een vordering inzake een geschil betreffende de toepassing van een belastingwet door de belastingplichtige slechts op ontvankelijke wijze kan worden aanhangig gemaakt bij de rechtbank van eerste aanleg indien hij vooraf het door of krachtens de wet georganiseerde administratief beroep heeft ingesteld. 4. Artikel 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek werd ingevoegd door artikel 9 van de wet van 23 maart 1999 betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken. De wet van 23 maart 1999 werd bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 27 maart 1999 en is in werking getreden op 6 april 1999. Hieruit volgt dat het vereiste van de uitputting van het administratief beroep vervat in artikel 1385undecies, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek slechts van toepassing is op geschillen met betrekking tot de toepassing van een belastingwet die worden ingeleid voor de rechtbank van eerste aanleg vanaf 6 april 1999 en waarvoor de termijn voor het indienen van het administratief beroep op die datum niet reeds is verstreken. In strijd met het algemeen rechtsbeginsel van artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek waarvan de wetgever noch uitdrukkelijk noch impliciet is afgeweken, zou aan de nieuwe wet terugwerkende kracht toegekend worden, indien het voorschrift van artikel 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek zou toegepast worden op een geschil met betrekking tot de belastingwet waarvoor de termijn voor het indienen van het administratief beroep reeds op 6 april 1999 verstreken was. 5. Het middel dat aanvoert dat "gelet op het verbod van retroactiviteit op 6 april 1999 een nieuwe termijn begon te lopen waarbinnen de verweerder tegen de leegstandheffing bezwaar kon aantekenen bij de Vlaamse regering, bij gebreke waarvan hij geen toelaatbare vordering kon instellen voor de rechtbank van eerste aanleg", steunt op een onjuiste rechtsopvatting en faalt bijgevolg naar recht. Tweede middel Eerste onderdeel 6. Krachtens artikel 2 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen moeten de bestuurshandelingen van de besturen bedoeld in artikel 1, uitdrukkelijk worden gemotiveerd. Krachtens artikel 1 van dezelfde wet moet voor de toepassing van deze wet verstaan worden onder: - bestuurshandelingen: de eenzijdige rechtshandeling met individuele strekking die uitgaat van een bestuur en die beoogt rechtsgevolgen te hebben voor een of meer bestuurden of voor een ander bestuur: - bestuur: de administratieve overheden als bedoeld in artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; - bestuurde: elke natuurlijke of rechtspersoon in zijn betrekkingen met het bestuur. Blijkens de wetgeschiedenis is de bestuurshandeling enkel de handeling die bewust wordt verricht met het oog op het creëren van rechtsgevolgen of het beletten van de totstandkoming van bepaalde rechtsgevolgen, met andere woorden de handeling die gericht is op de wijziging van een bestaande rechtstoestand of die integendeel erop gericht is een wijziging in de rechtstoestand te beletten. 7. Krachtens artikel 26, eerste lid, van het decreet van de Vlaamse Raad van 22 december 1995 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1996 (hierna: het Heffingsdecreet) is de heffing een eerste maal verschuldigd op het ogenblik dat het gebouw en/of de woning wordt opgenomen in de inventaris, bedoeld in onderafdeling 3 van deze afdeling. De aanslag kan worden gevestigd vanaf het ogenblik van de opname, tot uiterlijk 31 december van het jaar dat volgt op de opname in de inventaris. Krachtens artikel 28, §1, eerste lid, van het decreet maakt de administratie, overeenkomstig de bepalingen die door de Vlaamse regering worden vastgesteld, een inventaris met afzonderlijke lijsten van: - leegstaande gebouwen en/of woningen; - ongeschikte en/of onbewoonbare woningen; - verwaarloosde gebouwen en/of woningen. Krachtens artikel 33, eerste lid, van het decreet deelt elke gemeente volgens bepalingen die door de Vlaamse regering worden vastgesteld aan de administratie mee welke gebouwen en/of woningen op haar grondgebied leeg staan. Krachtens artikel 33, tweede lid, van het decreet stelt de administratie de leegstand vast in een gemotiveerde administratieve akte, zoals bedoeld in artikel 28, en geeft de houder van het zakelijk recht, bedoeld in artikel 27, bij aangetekend schrijven kennis van deze vaststelling. Krachtens het derde lid van dit artikel kan de houder van het zakelijk recht de vaststelling binnen één maand na de kennisgeving betwisten en met alle bewijsmiddelen van gemeen recht, met uitzondering van de eed, het bewijs leveren dat het gebouw en/of de woning effectief gebruikt wordt. Krachtens het vierde lid van dit artikel neemt de administratie het gebouw en/of de woning op in de inventaris bedoeld in artikel 28, wanneer de vaststelling niet werd betwist of de houder van het zakelijk recht er niet in slaagt het tegenbewijs te leveren binnen de gestelde termijn. Het gebouw en/of de woning wordt ingeschreven op de datum van de administratieve akte, bedoeld in artikel 28. 8. Hieruit volgt dat de administratie, in geval van een administratief beroep van de houder van het zakelijk recht, een formele beslissing moet nemen over het beroep en de beslissing om het goed al dan niet op te nemen in de inventaris ter kennis moet brengen van de houder van het zakelijk recht. Het onderdeel dat uitgaat van het tegendeel, faalt naar recht. Tweede onderdeel 9. De beslissing tot opname van het gebouw en/of de woning in de inventaris, overeenkomstig artikel 33, vierde lid, van het Heffingsdecreet, beoogt rechtsgevolgen vermits ze op zich reeds de materiële belastingschuld veroorzaakt. Die beslissing is derhalve een bestuurshandeling die uitdrukkelijk moet worden gemotiveerd in de zin van artikel 2 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen. 10. De omstandigheid dat de materiële belastingschuld naderhand nog moet worden geformaliseerd in een kohier, alvorens invorderbaar te zijn, doet daaraan geen afbreuk. 11. Het onderdeel gaat uit van de onjuiste rechtsopvatting dat de opname van een woning in de inventaris van de leegstaande woningen geen bestuurshandeling is in de zin van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen. Het onderdeel faalt naar recht. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eisers in de kosten. Bepaalt de kosten op de som van 131,83 euro jegens de eisende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, en de raadsheren Paul Maffei, Eric Stassijns, Alain Smetryns en Geert Jocqué, en in openbare terechtzitting van 10 juni 2010 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100610.7 Gerelateerde publicatie(
- s)Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100610.7 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2013:CONC.20130517.3 ECLI:BE:CASS:2014:CONC.20141031.5 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170120.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div