id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 10 juni 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100610.8 Rolnummer: F.09.0014.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige - Belastingrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2010-06-28 Raadplegingen: 903 - laatst gezien 2026-07-02 17:09 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100610.8 Fiche 1 Uit het gegeven dat de verweerder binnen de wettelijke termijn een memorie van antwoord heeft neergelegd door tussenkomst van een advocaat bij het Hof van Cassatie en geantwoord heeft op de middelen ingeroepen in het cassatieberoep, volgt dat de betekening, ook al zou zij onregelmatig zijn, het doel dat de wet haar toeschrijft heeft bereikt, met name aan de verwerende partij een afschrift doen toekomen en haar toelaten haar verweermiddelen uiteen te zetten; in dat geval heeft de onregelmatigheid in de betekening van het cassatieberoep niet de onontvankelijkheid ervan tot gevolg
(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - BELASTINGZAKEN - Vormen - Vorm en termijn van betekening en-of neerlegging UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Excepties (Gerechtelijk Wetboek) - Nietigheid - Dekking FISCAAL RECHT - FISCAAL RECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Inrichting - Algemeen FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING -VESTIGING EN INVORDERING - Aanslagprocedure - Algemeen FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING -VESTIGING EN INVORDERING - Aanslag - Aanslagtermijnen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - WETTEN, DECRETEN, ORDONNANTIES, BESLUITEN - Bekendmaking Vrije woorden: Onregelmatige betekening - Memorie van antwoord - Neerlegging binnen de wettelijke termijn Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 867 en 1079 Fiche 2 Een besluit dat de inwendige werking van een openbare dienst beoogt en geen plichten formuleert in hoofde van de rechtsonderhorigen, heeft geen openbaar nut zodat van de publicatie ervan in het Belgisch Staatsblad mag worden afgezien
(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: TAALGEBRUIK - BESTUURSZAKEN UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Excepties (Gerechtelijk Wetboek) - Nietigheid - Dekking FISCAAL RECHT - FISCAAL RECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Inrichting - Algemeen FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING -VESTIGING EN INVORDERING - Aanslagprocedure - Algemeen FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING -VESTIGING EN INVORDERING - Aanslag - Aanslagtermijnen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - WETTEN, DECRETEN, ORDONNANTIES, BESLUITEN - Bekendmaking Vrije woorden: Tweetalige besluiten - Bekendmaking in het B.S. - Bekendmaking zonder openbaar nut Wettelijke bepalingen: Wet - 18-07-1966 - Art. 56, § 1, vierde lid Fiche 3 De fiscale administratie is niet verplicht gebruik te maken van de door artikel 358 van het W.I.B.
(1992)voorziene uitzonderlijke aanslagtermijn van 12 maanden, wanneer zij over de mogelijkheid beschikt de belasting te vestigen binnen de in artikel 354, eerste lid, van dat wetboek gestelde buitengewone aanslagtermijn van drie jaar
(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - AANSLAGPROCEDURE - Aanslagtermijnen UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Excepties (Gerechtelijk Wetboek) - Nietigheid - Dekking FISCAAL RECHT - FISCAAL RECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Inrichting - Algemeen FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING -VESTIGING EN INVORDERING - Aanslagprocedure - Algemeen FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING -VESTIGING EN INVORDERING - Aanslag - Aanslagtermijnen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - WETTEN, DECRETEN, ORDONNANTIES, BESLUITEN - Bekendmaking Vrije woorden: Uitzonderlijke aanslagtermijnen van 12 maanden Wettelijke bepalingen: Wetboek van Inkomstenbelastingen - 12-06-1992 - Artt. 354, eerste lid, en 358 - 30 ELI link Pub nr 1992003455 Fiche 4 Voor de toepassing van de buitengewone aanslagtermijn van drie jaar van artikel 354, eerste lid, van het W.I.B.
(1992)volstaat maar is vereist dat de verschuldigde belasting hoger is dan de belasting met betrekking tot de belastbare inkomsten en de andere gegevens waarvan aangifte is gedaan; voor de toepassing van deze aanslagtermijn is niet vereist dat de hogere belasting voortvloeit uit een handeling of nalatigheid van de belastingplichtige bij het invullen van het aangifteformulier
(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - AANSLAGPROCEDURE - Aanslagtermijnen UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Excepties (Gerechtelijk Wetboek) - Nietigheid - Dekking FISCAAL RECHT - FISCAAL RECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Inrichting - Algemeen FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING -VESTIGING EN INVORDERING - Aanslagprocedure - Algemeen FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING -VESTIGING EN INVORDERING - Aanslag - Aanslagtermijnen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - WETTEN, DECRETEN, ORDONNANTIES, BESLUITEN - Bekendmaking Vrije woorden: Buitengewone driejarige aanslagtermijn - Toepassingsmodaliteiten Wettelijke bepalingen: Wetboek van Inkomstenbelastingen - 12-06-1992 - Art. 354, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1992003455 Fiche 5 Het standpunt dat de liquidatieboni uitgekeerd vóór 1 januari 2003 volledig vrijgesteld zijn van belasting, faalt naar recht
(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - PERSONENBELASTING - Inkomsten uit roerende goederen UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Excepties (Gerechtelijk Wetboek) - Nietigheid - Dekking FISCAAL RECHT - FISCAAL RECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Inrichting - Algemeen FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING -VESTIGING EN INVORDERING - Aanslagprocedure - Algemeen FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING -VESTIGING EN INVORDERING - Aanslag - Aanslagtermijnen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - WETTEN, DECRETEN, ORDONNANTIES, BESLUITEN - Bekendmaking Vrije woorden: Dividenden - Liquidatieboni - Uitkeringen vóór 1 januari 2003 - Fiscale behandeling Wettelijke bepalingen: Wet - 24-12-2002 - Artt. 2 tot 5 en 32, § 1, eerste lid Fiches 6 - 10 Conclusie van advocaat-generaal THIJS. Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - BELASTINGZAKEN - Vormen - Vorm en termijn van betekening en-of neerlegging UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Excepties (Gerechtelijk Wetboek) - Nietigheid - Dekking FISCAAL RECHT - FISCAAL RECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Inrichting - Algemeen FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING -VESTIGING EN INVORDERING - Aanslagprocedure - Algemeen FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING -VESTIGING EN INVORDERING - Aanslag - Aanslagtermijnen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - WETTEN, DECRETEN, ORDONNANTIES, BESLUITEN - Bekendmaking Vrije woorden: Onregelmatige betekening - Memorie van antwoord - Neerlegging binnen de wettelijke termijn Thesaurus CAS: TAALGEBRUIK - BESTUURSZAKEN UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Excepties (Gerechtelijk Wetboek) - Nietigheid - Dekking FISCAAL RECHT - FISCAAL RECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Inrichting - Algemeen FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING -VESTIGING EN INVORDERING - Aanslagprocedure - Algemeen FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING -VESTIGING EN INVORDERING - Aanslag - Aanslagtermijnen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - WETTEN, DECRETEN, ORDONNANTIES, BESLUITEN - Bekendmaking Vrije woorden: Tweetalige besluiten - Bekendmaking in het B.S. - Bekendmaking zonder openbaar nut Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - AANSLAGPROCEDURE - Aanslagtermijnen UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Excepties (Gerechtelijk Wetboek) - Nietigheid - Dekking FISCAAL RECHT - FISCAAL RECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Inrichting - Algemeen FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING -VESTIGING EN INVORDERING - Aanslagprocedure - Algemeen FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING -VESTIGING EN INVORDERING - Aanslag - Aanslagtermijnen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - WETTEN, DECRETEN, ORDONNANTIES, BESLUITEN - Bekendmaking Vrije woorden: Uitzonderlijke aanslagtermijnen van 12 maanden Buitengewone driejarige aanslagtermijn - Toepassingsmodaliteiten Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - PERSONENBELASTING - Inkomsten uit roerende goederen UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Excepties (Gerechtelijk Wetboek) - Nietigheid - Dekking FISCAAL RECHT - FISCAAL RECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Inrichting - Algemeen FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING -VESTIGING EN INVORDERING - Aanslagprocedure - Algemeen FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING -VESTIGING EN INVORDERING - Aanslag - Aanslagtermijnen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - WETTEN, DECRETEN, ORDONNANTIES, BESLUITEN - Bekendmaking Vrije woorden: Dividenden - Liquidatieboni - Uitkeringen vóór 1 januari 2003 - Fiscale behandeling Tekst van de beslissing Nr. F.09.0014.N
- V. J., en,
- V. T. M., eisers, met als raadsman mr. Michel Maus, advocaat bij de balie te Brugge, met kantoor te 8000 Brugge, Leopold II-Laan 132/b, tegen BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de ambtenaar gedelegeerd door de gewestelijk directeur te Brugge, met kantoor te 8000 Brugge, G. Vincke-Dujardinstraat 4, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Dalstraat 67, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 25 november 2008 gewezen door het hof van beroep te Gent. Voorzitter Ivan Verougstraete heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eisers voeren in hun verzoekschrift vier middelen aan. Het verzoekschrift is aan dit arrest gehecht. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
- De verweerder werpt op dat het cassatieberoep niet ontvankelijk is omdat het niet regelmatig werd betekend op het kantoor van de gewestelijke directeur te Brugge.
- Luidens artikel 867 van het Gerechtelijk Wetboek, kan het verzuim of de onregelmatigheid van een proceshandeling niet tot nietigheid leiden, wanneer uit de gedingstukken blijkt ofwel dat de handeling het doel heeft bereikt dat de wet ermee beoogt ofwel dat de niet vermelde vorm in acht is genomen.
- De verweerder heeft binnen de wettelijke termijn een memorie van antwoord neergelegd door tussenkomst van een advocaat bij het Hof van Cassatie en geantwoord op de middelen ingeroepen in het cassatieberoep. Hieruit volgt dat de betekening, ook al zou zij onregelmatig zijn, het doel dat de wet haar toeschrijft heeft bereikt, met name aan de verwerende partij een afschrift doen toekomen en haar toelaten haar verweermiddelen uiteen te zetten.
- Het middel van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen. Eerste middel Eerste onderdeel
- De in het onderdeel als geschonden aangewezen wettelijke bepalingen beletten niet dat de bevoegde minister de detailregeling uitwerkt van de werking van zijn diensten en zorgt voor de nodige deconcentratie.
- De appelrechters stellen vast dat de bekritiseerde regeling van het ministerieel besluit van 10 oktober 1979 een detailregeling betreft die betrekking heeft op de territoriale bevoegdheid van de fiscale diensten en een regeling van inwendige inrichting van die diensten uitmaakt, waarbij de minister door aan de secretaris-generaal opdracht te geven de territoriale bevoegdheid te regelen, controle- en goedkeuringsbevoegdheid behoudt nu het gaat om de organisatie van de eigen diensten. Zij stellen eveneens vast dat uit het tijdsverloop sedert de regeling van de secretaris-generaal mag worden afgeleid dat de minister minstens stilzwijgend de door zijn secretaris-generaal uitgewerkte regeling heeft goedgekeurd. Aldus hebben zij zonder de in het middel aangewezen wetsbepalingen te schenden, kunnen beslissen dat het middel van ongrondwettelijkheid of onwettelijkheid van het ministerieel besluit van 10 oktober 1979 ongegrond is. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
- Artikel 56, §1, vierde lid, van de gecoördineerde bestuurstaalwetten bepaalt dat, wanneer de tweetalige besluiten geen belang hebben voor de meerderheid van de burgers, zij bij uittreksel mogen worden bekendgemaakt of dat zij gewoon vermeld mogen worden in het Belgisch Staatsblad. Heeft de bekendmaking geen openbaar nut, dan mag daarvan worden afgezien.
- Een besluit dat de inwendige werking van een openbare dienst beoogt en geen plichten formuleert in hoofde van de rechtsonderhorigen, heeft geen openbaar nut.
- De appelrechters stellen vast: - dat de litigieuze besluiten enkel een kwestie van louter interne organisatie van het Ministerie van Financiën zijn en geen rechten of verplichtingen doen ontstaan in hoofde van rechtsonderhorigen; - dat enkel de interne werking van het ministerie erdoor wordt geregeld, en hier enkel wat de toebedeling van een ambtsgebied betreft; - dat het kunnen stellen van fiscale onderzoekshandelingen zijn oorsprong vindt in het Wetboek van de Inkomstenbelastingen en niet in de regeling van de ambtsgebieden; - dat een vast gebruik voor publicatie voor het verleden niet blijkt.
- Uit die vaststellingen hebben de appelrechters kunnen afleiden dat de bekendmaking geen openbaar nut heeft. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede middel
- Het tweede middel neemt als uitgangspunt aan dat uit het bericht van wijziging van de aangifte, alsook uit de Circulaire nr. Ci.RH.231/566.182 (AOIF 20/2005), blijkt dat de taxatieambtenaar, bij het vestigen van de aanslag, toepassing heeft gemaakt van de bijkomende aanslagtermijn van één jaar bepaald in artikel 358, §1, 4°, en §2, 4°, WIB92, die aanving op 23 november 2004 en eindigde op 23 november 2005, zodat de aanslag, die pas op 1 december 2005 was gevestigd, laattijdig en dus nietig was.
- Voormeld artikel 358 voorziet in uitzonderlijke aanslagtermijnen, die toelaten om in de in dat artikel omschreven gevallen, de belasting te vestigen zelfs nadat de in artikel 354, eerste lid, van dat wetboek, gestelde buitengewone aanslagtermijn van drie jaar is verstreken.
- De fiscale administratie is niet verplicht gebruik te maken van de door voormeld artikel 358 voorziene uitzonderlijke aanslagtermijn, wanneer zij over de mogelijkheid beschikt de belasting te vestigen binnen de in artikel 354, eerste lid, gestelde buitengewone aanslagtermijn van drie jaar. In zoverre het middel uitgaat van het tegendeel, faalt het naar recht.
- Het middel berust voorts op de onjuiste veronderstelling in feite dat de taxatieambtenaar de litigieuze aanslag zou hebben gevestigd op grond van artikel 358, §1, 4° en §2, 4°, van hetzelfde wetboek. Het middel mist in zoverre feitelijke grondslag. Derde middel Eerste onderdeel
- Artikel 354, eerste lid, WIB92, bepaalt dat, wanneer de verschuldigde belasting hoger is dan de belasting met betrekking tot de belastbare inkomsten en de andere gegevens zoals vermeld in de daartoe bestemde rubrieken van een aangifteformulier dat voldoet aan de vorm- en termijnvereisten van de artikelen 307 tot 311, de belasting of de aanvullende belasting in afwijking van artikel 359 mag worden gevestigd gedurende drie jaar vanaf 1 januari van het jaar waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd waarvoor de belasting is verschuldigd.
- Voor de toepassing van de buitengewone aanslagtermijn van artikel 354, eerste lid, is niet vereist dat de hogere belasting voortvloeit uit een handeling of nalatigheid van de belastingplichtige bij het invullen van het aangifteformulier. Voor de toepassing van de buitengewone aanslagtermijn van artikel 354, eerste lid, volstaat maar is vereist dat de verschuldigde belasting hoger is dan de belasting met betrekking tot de belastbare inkomsten en de andere gegevens waarvan aangifte is gedaan. Het onderdeel dat van de tegengestelde opvatting uitgaat, faalt naar recht.
- Er is geen aanleiding tot het stellen van de in het onderdeel vermelde prejudiciële vraag nu het onderdeel uitgaat van de verkeerde veronderstelling dat de wet een onderscheid maakt tussen het geval waarin het aangifteformulier alle nodige rubrieken bevat met betrekking tot belastbare inkomsten en het geval waarin dit niet zo is. Tweede onderdeel
- Uit het antwoord op het eerste onderdeel blijkt dat het onderdeel uitgaat van de verkeerde rechtsopvatting dat voor de toepassing van de buitengewone aanslagtermijn van artikel 354, eerste lid, vereist is dat de hogere belasting voortvloeit uit een handeling of nalatigheid van de belastingplichtige bij het invullen van het aangifteformulier. Het onderdeel faalt naar recht. Vierde middel
- De wet van 24 december 2002 tot wijziging van de vennootschapsregeling inzake inkomstenbelastingen en tot instelling van een systeem van voorafgaande beslissingen in fiscale zaken, die de roerende voorheffing op vereffenings- en verkrijgingsuitkeringen heeft ingevoerd, is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 31 december
- Krachtens artikel 32, §1, eerste lid, van dezelfde wet zijn de inkomstenbelasting en de roerende voorheffing van 10 pct. verschuldigd op de inkomsten die zijn toegekend of betaalbaar gesteld, of als dusdanig zijn aan te merken, vanaf 1 januari 2002 en voor zover, wanneer het gaat om verrichtingen als bedoeld in artikel 209 WIB92, de vereffening niet is afgesloten vóór 25 maart
- Het Grondwettelijk Hof heeft bij arrest nummer 109/2004 van 23 juni 2004 voormeld artikel 32, §1, eerste lid, vernietigd in zoverre het de vereffenings- en verkrijgingsuitkeringen die zijn toegekend of betaalbaar zijn gesteld vóór 1 januari 2003 aan de roerende voorheffing onderwerpt. De beroepen tot vernietiging van de artikelen 2 tot 5 en 32, §1, eerste lid, van de wet van 24 december 2002 werden voor het overige verworpen.
- Het Grondwettelijk Hof heeft in overweging B.14.2 van voormeld arrest geoordeeld dat, nu de wet van 24 december 2002 werd bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 31 december 2002, en de bepalingen inzake de inkomstenbelasting in werking treden op 1 januari 2002, artikel 32, §1, eerste lid, geen terugwerkende kracht verleent aan de artikelen 2 tot 5 van de wet van 24 december 2002, aangezien deze laatste de fiscale situatie betreffen van inkomsten waarvan de voorwaarden voor belasting niet kunnen worden beschouwd als zijnde definitief vastgelegd. Het arrest van het Grondwettelijk Hof oordeelt aldus niet dat de liquidatieboni uitgekeerd vóór 1 januari 2003 volledig vrijgesteld zijn van belasting.
- Het middel dat ervan uitgaat dat uit de wet van 24 december 2002, zoals vernietigd door de arresten van het Grondwettelijk Hof, volgt dat de liquidatieboni uitgekeerd vóór 1 januari 2003, volledig van belasting zijn vrijgesteld, faalt naar recht. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eisers in de kosten. Bepaalt de kosten op de som van 219,19 euro jegens de eisende partijen en op de som van 312,54 euro jegens de verwerende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, en de raadsheren Paul Maffei, Eric Stassijns, Alain Smetryns en Geert Jocqué, en in openbare terechtzitting van 10 juni 2010 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100610.8 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100610.8 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2013:CONC.20130207.4 ECLI:BE:CASS:2014:CONC.20140320.14 ECLI:BE:CASS:2015:CONC.20150925.5 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161202.2 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141203.5 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181220.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div