id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 15 juni 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100615.3 Rolnummer: P.10.0151.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Internationaal publiekrecht - Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-06-18 Raadplegingen: 498 - laatst gezien 2026-07-02 17:58 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Het reële en meetbare karakter van het rechtsherstel wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt niet noodzakelijk uitgesloten door de omstandigheid dat bij het verstrijken van een daartoe verkregen verlenging van de uitvoeringstermijn, het herstel in de oorspronkelijke toestand inzake stedenbouw toch moet worden uitgevoerd
(1)Zie Cass., 15 sept. 2009, AR P.09.0433.N, niet gepubliceerd. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RUIMTELIJKE ORDENING - Vlaams Gewest - Inbreuken en sancties Vrije woorden: Redelijke termijn - Overschrijding - Rechtsherstel - Stedenbouw - Herstelmaatregel - Toepassing Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - Art. 6.1 Thesaurus CAS: STEDENBOUW - HERSTEL VAN PLAATS IN DE VORIGE STAAT. BETALING VAN EEN MEERWAARDE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RUIMTELIJKE ORDENING - Vlaams Gewest - Inbreuken en sancties Vrije woorden: Betaling van een meerwaarde - Redelijke termijn - Overschrijding - Rechtsherstel - Herstel in de oorspronkelijke toestand Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - Art. 6.1 Tekst van de beslissing Nr. P.10.0151.N G. A. A. B. beklaagde, eiser, vertegenwoordigd door mr. Caroline De Baets, advocaat bij het Hof van Cassatie, tegen GEWESTELIJK STEDENBOUWKUNDIG INSPECTEUR, bevoegd voor de provincie Oost-Vlaanderen, met kantoor te 9000 Gent, Gebroeders Van Eyckstraat 2-6, eiser tot herstel, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 18 december
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Hij doet eveneens zonder berusting afstand van het cassatieberoep. Afdelingsvoorzitter Etienne Goethals heeft verslag uitgebracht. Eerste advocaat-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Afstand
- De appelrechters oordelen (arrest, p. 6, o. 5.2.) dat voor zover de telastlegging A bewezen is, het oprichtingsmisdrijf voor de eiser de toereikende grondslag vormt voor de herstelvordering, zodat het hof van beroep, wat hem betreft, niet dient te onderzoeken of de herstelvordering nog mede kan gesteund worden op het instandhoudingsmisdrijf (telastlegging B). Ten aanzien van de eiser vormt de beslissing over de herstelvordering aldus een eindbeslissing in de zin van artikel 416, eerste lid, Wetboek van Strafvordering. De afstand wordt niet verleend. Eerste middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 149, § 1, Stedenbouwdecreet 1999, thans artikel 6.1.41, § 1, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, de artikelen 21 en 26 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering en de artikelen 2244 en 2262bis Burgerlijk Wetboek: de appelrechters passen onterecht de verjaringsregels die gelden voor burgerlijke vorderingen uit een misdrijf, toe en miskennen aldus het accessorium¬karakter van de herstelmaatregel ten opzichte van de strafvordering alsook het strafkarakter van de maatregel van herstel in de vorige staat, die tot een toepassing van de verjaringsregels van de strafvordering verplichten.
- De vaststelling dat het herstel in de oorspronkelijke toestand een "straf" is in de zin van artikel 6.1 EVRM, brengt enkel mee dat de waarborgen van die bepaling moeten worden in acht genomen, waaronder de behandeling van de vordering binnen de redelijke termijn. Noch artikel 6 EVRM noch enige andere bepaling van dit verdrag gebieden dat op deze herstelvordering het interne recht van de verjaring van de strafvordering wordt toegepast.
- De herstelvordering heeft niet zozeer een bepaald misdrijf als grondslag, maar wel de stedenbouwkundige verplichting die moet worden nageleefd en waarvan de niet-naleving leidt tot een met de wet strijdige toestand waardoor het openbaar belang wordt geschaad en waaraan een einde moet worden gesteld. De omstandigheid dat deze niet-naleving ook strafrechtelijk wordt gesanctioneerd en naar aanleiding hiervan het herstel ook voor de strafrechter kan worden gevorderd mits de goede ruimtelijke ordening dit vereist en zonder dat hierbij schade moet worden aangetoond, verleent aan deze maatregel nog niet het karakter van een straf in de zin van het Strafwetboek en de bijzondere strafwetten, waarop de verjaringregels van de artikelen 21 tot 28 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering toepasselijk zijn. Het onderdeel faalt naar recht. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 2 Burgerlijk Wetboek en de artikelen 6.1.41, § 5 en 7.7.4 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel inzake de niet-retroactiviteit van wetten: het bestreden arrest miskent de regels van de toepassing van de wet in de tijd in zoverre het de verjaringsregels van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening blijft toepassen op een herstelvordering die bij de inwerkingtreding van deze nieuwe wet reeds verjaard was.
- Het onderdeel is volledig afgeleid uit het vergeefs aangevoerde eerste onderdeel dat de herstelvordering van artikel 149, § 1, Stedenbouwdecreet 1999, ingesteld vóór de wetswijziging bij het Aanpassingsdecreet 2009, verjaart met toepassing van de verjaringsregels voor de strafvordering. Het onderdeel is niet ontvankelijk. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 21ter Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, artikel 149, § 1, Stedenbouwdecreet 1999 vóór zijn wijziging bij het Aanpassingsdecreet 2009, en artikel 6.1.41, § 1, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening: het bestreden arrest, dat vaststelt dat de strafvordering verjaard is en dat de redelijke termijn is overschreden, oordeelt onterecht dat dit laatste voldoende gesanctioneerd wordt door aan de eiser een bijkomende termijn te verlenen vooraleer het volledige herstel in de vorige toestand te moeten uitvoeren.
- Noch artikel 6 EVRM noch enige andere bepaling van dit verdrag bepalen de gevolgen die de rechter aan een door hem vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn moet verbinden. Het staat aldus aan de rechter om, wanneer hij beslist overeenkomstig artikel 13 EVRM een passend rechtsherstel toe te kennen omdat de redelijke termijn is overschreden, in feite en op grond van de concrete gegevens van de zaak te oordelen in welke mate en onder welke voorwaarden die vermindering kan worden toegekend, op voorwaarde dat die vermindering reëel en meetbaar is.
- Het reële en meetbare karakter van het rechtsherstel wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt niet noodzakelijk uitgesloten door de omstandigheid dat bij het verstrijken van een daartoe verkregen verlenging van de uitvoeringstermijn, het herstel in de oorspronkelijke toestand toch moet worden uitgevoerd. Het middel faalt naar recht. Derde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: bij de beoordeling van de redelijkheid van het gevorderde herstel beantwoordt het bestreden arrest niet eisers conclusie waarin hij onder meer het tijdsverloop, de afwezigheid van omwonenden, de grote werkgelegenheid in het bedrijf van de eiser en de aflevering van vergunningen in de reservatiestrook opwierp.
- Anders dan het middel aanvoert, beantwoordt het arrest met de redenen die het vermeldt, eisers conclusie. Het middel mist feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 85,34 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, en de raadsheren Luc Van hoogenbemt, Koen Mestdagh en Filip Van Volsem, en op de openbare rechtszitting van 15 juni 2010 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Marc De Swaef, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky. PDF document ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100615.3 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2012:CONC.20121212.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div