id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 17 juni 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2010:
Art. 54
, § 2 Thesaurus CAS: MONUMENTEN EN LANDSCHAPPEN (BEHOUD VAN) UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RUIMTELIJKE ORDENING - Vlaams Gewest - Gewestplanbestemming (bijzondere bepalingen) PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RUIMTELIJKE ORDENING - Vlaams Gewest - Inbreuken en sancties - Algemeen Vrije woorden: Natuurbehoud - Duingebied - Bescherming - Bouwverbod - Recht op schadevergoeding - Ontstaan - Ogenblik - Gevolg - Vordering tot betaling - Ontvankelijkheid Wettelijke bepalingen:
Art. 54
, § 2 Fiches 3 - 5 Vanaf de datum van inwerkingtreding van het besluit van de Vlaamse Regering van 8 oktober 1996 tot uitvoering van artikel 54 van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud, met name 25 november 1996, dienen de aanvragen tot schadevergoeding wegens het bouwverbod voortvloeiend uit de aanduiding als beschermd duingebied of voor het duingebied belangrijk landbouwgebied, aan de in dit besluit bepaalde vorm- en inhoudelijke eisen te beantwoorden
(1).
(1)Het O.M. concludeerde eveneens tot vernietiging, doch op het tweede onderdeel van het tweede cassatiemiddel. Wat het eerste onderdeel van het eerste middel betreft concludeerde het O.M. tot verwerping van dit onderdeel omdat de appelrechters naar zijn oordeel hun beslissing hadden gegrond op de leer van het rechtsmisbruik; met hun oordeel dat eiser in de gegeven omstandigheden en nadat de eis volgens hem verjaard zou zijn niet voor het eerst kan inroepen dat de aanvraag voorbarig en derhalve niet op ontvankelijke wijze werd ingesteld, gaven zij volgens het O.M. te kennen dat hij zijn recht om de onontvankelijkheid in te roepen heeft uitgeoefend zonder redelijk en afdoend belang op een wijze die de perken van de uitoefening ervan door een voorzichtig en zorgvuldig persoon kennelijk te buiten gaat. Op grond van dit niet betwist oordeel hebben zij volgens het O.M. hun beslissing naar recht verantwoord. Wat het tweede onderdeel van het eerste middel betreft was het O.M. van oordeel dat het opkwam tegen een overtollig motief en derhalve niet ontvankelijk was. Het O.M. was, wat het tweede onderdeel van het tweede middel betreft, van mening dat dit onderdeel gegrond was. Uit de wettelijke bepalingen ter zake, en in het bijzonder artikel 54, § 3, van de wet van 12 juli 1973, volgt naar zijn mening dat het verbod om rekening te houden met het bouwverbod bij het bepalen van de verwervingswaarde, enkel betrekking heeft op de gevolgen van het bouwverbod dat van kracht werd na de datum van de verwerving en niet op de gevolgen van een bouwverbod dat voor die datum reeds van kracht was. Nu de appelrechters in casu oordeelden dat bij het bepalen van de verwervingswaarde geen rekening mag worden gehouden met de gevolgen van een bouwverbod dat voor de datum van verwerving reeds van kracht was, hadden de appelrechters volgens het O.M. voormeld wetsartikel en artikel 1, § 1 van het uitvoeringsbesluit van 8 oktober 1996 geschonden. Thesaurus CAS: MILIEURECHT UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RUIMTELIJKE ORDENING - Vlaams Gewest - Gewestplanbestemming (bijzondere bepalingen) PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RUIMTELIJKE ORDENING - Vlaams Gewest - Inbreuken en sancties - Algemeen Vrije woorden: Natuurbehoud - Duingebied - Bescherming - Bouwverbod - Schadevergoeding - Aanvraag - Vorm- en inhoudelijke eisen Wettelijke bepalingen:
Art. 54, § 2 Besluit Vlaamse Regering - 08-10-1996 - Artt.
3, 4 en 10 Thesaurus CAS: MONUMENTEN EN LANDSCHAPPEN (BEHOUD VAN) UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RUIMTELIJKE ORDENING - Vlaams Gewest - Gewestplanbestemming (bijzondere bepalingen) PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RUIMTELIJKE ORDENING - Vlaams Gewest - Inbreuken en sancties - Algemeen Vrije woorden: Natuurbehoud - Duingebied - Bescherming - Bouwverbod - Schadevergoeding - Aanvraag - Vorm- en inhoudelijke eisen Wettelijke bepalingen:
Art. 54, § 2 Besluit Vlaamse Regering - 08-10-1996 - Artt.
3, 4 en 10 Thesaurus CAS: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - WERKING IN DE TIJD EN IN DE RUIMTE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RUIMTELIJKE ORDENING - Vlaams Gewest - Gewestplanbestemming (bijzondere bepalingen) PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RUIMTELIJKE ORDENING - Vlaams Gewest - Inbreuken en sancties - Algemeen Vrije woorden: Milieurecht - Natuurbehoud - Duingebied - Bescherming - Bouwverbod - Schadevergoeding - Aanvraag - Vorm- en inhoudelijke eisen Wettelijke bepalingen:
Art. 54, § 2 Besluit Vlaamse Regering - 08-10-1996 - Artt.
3, 4 en 10 Tekst van de beslissing Nr. C.09.0068.N VLAAMS GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, in de persoon van de minister-president, voor wie optreedt de minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur, met kantoor te 1000 Brussel, Koning Albert II-laan 20, eiser, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de eiser woonplaats kiest, tegen
- P.M.
- P.W. verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 25 april 2006 gewezen door het hof van beroep te Brussel. Raadsheer Alain Smetryns heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiser voert in zijn verzoekschrift twee middelen aan. Het verzoekschrift is aan dit arrest gehecht. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
- Krachtens het artikel 54, §2, van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud, ontstaat het recht op schadevergoeding bij overdracht van het goed, bij de afgifte van een weigering van bouwvergunning of bij de afgifte van een negatief stedenbouwkundig attest, mits de overdracht of de afgifte geschiedt na de bekendmaking van het besluit tot definitieve aanduiding als beschermd duingebied of voor het duingebied belangrijk landbouwgebied. Zolang het recht op schadevergoeding overeenkomstig die bepaling niet is ontstaan, kan in de regel geen vordering tot betaling van schadevergoeding op ontvankelijke wijze worden ingediend.
- Uit het arrest blijkt dat de verweerders het goed verkocht hebben op 9 juni 1995, zodat overeenkomstig het genoemde artikel 54, §2, het recht op schadevergoeding dan ontstond. Uit het arrest blijkt eveneens dat de verweerders een eis tot schadevergoeding hebben ingediend op 28 april 1995 bij de Vlaamse overheid.
- Hieruit volgt dat de vordering voorbarig was.
- Het arrest dat oordeelt dat de vordering wel ontvankelijk was, schendt de in het onderdeel aangewezen wetsbepalingen. Het onderdeel is gegrond. Tweede onderdeel
- Het onderdeel is gericht tegen de subsidiaire beslissing van de appelrechters dat de dagvaarding van 17 januari 1997 als aanvraag kan gelden.
- Krachtens de voornoemde wetsbepaling, gewijzigd bij artikel 3 van het decreet van 29 november 1995, dienen de vorderingen tot betaling van schadevergoeding te worden ingediend bij de Vlaamse regering.
- De uitvoeringsmodaliteiten van artikel 54 werden bepaald bij besluit van de Vlaamse regering van 8 oktober 1996 in werking getreden op 25 november
- Dit besluit bepaalt inzonderheid hoe de aanvraag moet worden ingediend en hoe zij moet onderzocht worden door het bestuur.
- Uit deze bepalingen volgt dat vanaf 25 november 1996 de aanvragen aan bepaalde vorm- en inhoudelijke vereisten moeten beantwoorden.
- Uit de vaststellingen van het arrest blijkt niet dat de dagvaarding te dezen kan gelijkgesteld worden met het regelmatig instellen van een vordering bij de Vlaamse regering zoals in het besluit bedoeld. Het onderdeel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Antwerpen. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, en de raadsheren Eric Stassijns, Beatrijs Deconinck, Alain Smetryns en Geert Jocqué, en in openbare terechtzitting van 17 juni 2010 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100617.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div