- Individuele vrijstelling - Bevoegdheid - Rechterlijke instanties van de Lid-Staten - Werking in de tijd Wettelijke bepalingen: Huishoudelijk Reglement - 16-12-2002 - Artt. 3.1 en 45 Thesaurus CAS: INTERNATIONALE VERDRAGEN UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - TAALGEBRUIK GERECHTSZAKEN - Algemeen (taalgebruik in gerechtzaken) GERECHTELIJK RECHT - TAALGEBRUIK GERECHTSZAKEN - Taalgebruik voor Hof van Cassatie HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - MEDEDINGING - Europees mededingingsrecht - Vertikale overeenkomsten - Exclusieve afname Vrije woorden: Europese Unie - E.G.-
- Mededinging - Individuele vrijstelling - Bevoegdheid - Rechterlijke instanties van de Lid-Staten - Werking in de tijd Wettelijke bepalingen: Huishoudelijk Reglement - 16-12-2002 - Artt. 3.1 en 45 Thesaurus CAS: ECONOMIE UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - TAALGEBRUIK GERECHTSZAKEN - Algemeen (taalgebruik in gerechtzaken) GERECHTELIJK RECHT - TAALGEBRUIK GERECHTSZAKEN - Taalgebruik voor Hof van Cassatie HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - MEDEDINGING - Europees mededingingsrecht - Vertikale overeenkomsten - Exclusieve afname Vrije woorden: Mededinging - Europese Unie - E.G.-
- Individuele vrijstelling - Bevoegdheid - Rechterlijke instanties van de Lid-Staten - Werking in de tijd Wettelijke bepalingen: Huishoudelijk Reglement - 16-12-2002 - Artt. 3.1 en 45 Tekst van de beslissing Nr. C.09.0494.N BROUWERIJ HAACHT, naamloze vennootschap, met zetel te 3190 Boortmeerbeek, Provinciesteenweg 28, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Paul Lefèbvre, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 480, bus 9, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen LIMBURGSE DRANKENCENTRALE, naamloze vennootschap, met zetel te 3830 Wellen, Vloeiherkstraat 27 A, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 25 mei 2009 gewezen door het hof van beroep te Antwerpen. Voorzitter Ivan Verougstraete heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd. II. FEITEN Blijkens de voorziening verdeelt de eiseres haar bieren en andere dranken via bierhandelaars, zoals de verweerster, die op hun beurt leveren aan verkooppunten. Aangezien vele verkooppunten verbonden zijn op grond van exclusieve afnameverplichtingen jegens brouwerijen en bierhandelaars, is het voor deze laatsten van belang om over leveringsrechten ten aanzien van de gebonden verkooppunten te beschikken. De eiseres verleende aan de verweerster leveringsrechten betreffende een aantal jegens haar verbonden verkooppunten. De eiseres beëindigde deze leveringsrechten met een opzegging op 5 juli 2001. De geldigheid van die opzegging wordt door de verweerster betwist. De verweerster roept daarbij onder andere in dat de voormelde exclusiviteitcontracten strijdig zijn met het Europees mededingingsrecht, meer bepaald met artikel 81 EG-Verdrag. Het hof van beroep beslist onder meer dat voor twee exclusieve drankafnamecontracten (de overeenkomst met Fitlink, Universitaire Campus, Diepenbeek en de overeenkomst met Gemeentelijke Feestzaal te Aalst, Dorp 25) niet is voldaan aan de voorwaarden voor het beroep op de groepsvrijstelling. Het hof verwerpt het verzoek van de eiseres tot individuele vrijstelling voor deze overeenkomsten. Het hof verklaart vervolgens de bedingen met betrekking tot de duur in deze twee overeenkomsten nietig. III. CASSATIEMIDDELEN De eiseres voert in haar verzoekschrift twee middelen aan. Het verzoekschrift is aan dit arrest gehecht. IV. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Memorie van wederantwoord 1. Artikel 1094 van het Gerechtelijk Wetboek geeft de eiser de mogelijkheid een memorie van wederantwoord neer te leggen als de verweerder de niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep opwerpt. 2. In zoverre de memorie van wederantwoord van de eiseres een verweer inhoudt tegen het antwoord van de verweerster op het middel zelf, is de memorie niet ontvankelijk. Ontvankelijkheid van het cassatieberoep 3. De verweerster voert een middel van niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep aan: het cassatieberoep is niet ontvankelijk omdat het, waar het in het eerste middel de appelconclusie van de eiseres citeert, niet volledig in het Nederlands gesteld is; de voorziening is mitsdien nietig ingevolge het bepaalde in de artikelen 27 en artikel 40, eerste lid, van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. 4. Artikel 27 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken bepaalt dat voor het Hof van Cassatie, voor de rechtspleging, de taal wordt gebruikt waarin de bestreden beslissing is gesteld. Krachtens artikel 40 van dezelfde wet, zijn voornoemde regels voorgeschreven op straffe van nietigheid. Een akte van de rechtspleging wordt geacht in de taal van de rechtspleging te zijn gesteld wanneer alle vermeldingen vereist voor de regelmatigheid van de akte in die taal zijn gesteld. 5. Uit de in het Nederlands gestelde tekstgedeelten van de appelconclusie van de eiseres zoals die worden geciteerd in het eerste middel van de eiseres, blijkt evenwel dat het citaat in het Frans van de rechtspraak van het Hof van Justitie wordt aangehaald ter toelichting of illustratie van het daaraan voorafgaande argument in het Nederlands dat "het Hof van Justitie bevestigd (heeft) dat, zelfs wanneer er een netwerk aan soortgelijke overeenkomsten zou bestaan, zij niet automatisch de mededinging beperken". Dit citaat heeft derhalve op zich geen pertinentie voor de beoordeling van het middel. Het middel van niet-ontvankelijkheid van de voorziening kan niet worden aangenomen. Eerste middel 6. Het middel gaat volledig ervan uit dat de appelrechters niet nader onderzocht hebben of er een schending was van artikel 81, lid 1, van het EG-Verdrag. 7. Het bestreden arrest verwijst evenwel naar het beroepen vonnis, waarvan het de redenen verklaart over te nemen. Het beroepen vonnis onderzoekt beredeneerd en gemotiveerd of artikel 81, lid 1, principieel toepassing vond en oordeelt in positieve zin. Het middel mist feitelijke grondslag. Tweede middel 8. Artikel 81, lid 1, EG-Verdrag, zoals te dezen van toepassing, bepaalt dat onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt en verboden zijn, alle overeenkomsten tussen ondernemingen, alle besluiten van ondernemersverenigingen en alle onderling afgestemde feitelijke gedragingen welke de handel tussen lidstaten ongunstig kunnen beïnvloeden en ertoe strekken of ten gevolge hebben dat de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt wordt verhinderd, beperkt of vervalst en met name die welke bestaan in: - het rechtstreeks of zijdelings bepalen van de aan- of verkoopprijzen of van andere contractuele voorwaarden; - het beperken of controleren van de productie, de afzet, de technische ontwikkeling of de investeringen; - het verdelen van de markten of van de voorzieningsbronnen; - het ten opzichte van handelspartners toepassen van ongelijke voorwaarden bij gelijkwaardige prestaties, hun daarmede nadeel berokkenend bij de mededinging; - het afhankelijk stellen van het sluiten van overeenkomsten van de aanvaarding door de handelspartners van bijkomende prestaties welke naar hun aard of volgens het handelsgebruik geen verband houden met het onderwerp van deze overeenkomsten. Artikel 81, lid 2, EG-Verdrag bepaalt dat de krachtens dit artikel verboden overeenkomsten of besluiten van rechtswege nietig zijn. Krachtens artikel 81, lid 3, EG-Verdrag, kunnen de bepalingen van artikel 81, lid 1, buiten toepassing worden verklaard: - voor elke overeenkomst of groep van overeenkomsten tussen ondernemingen; - voor elk besluit of groep van besluiten van ondernemersverenigingen; - voor elke onderling afgestemde feitelijke gedraging of groep van gedragingen die bijdragen tot verbetering van de productie of van de verdeling der producten of tot verbetering van de technische of economische vooruitgang, mits een billijk aandeel in de daaruit voortvloeiende voordelen de gebruikers ten goede komt, en zonder nochtans aan de betrokken ondernemingen:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.