← België

ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100617.3

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 17 juni 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2010:

Artikel 81

- Individuele vrijstelling - Bevoegdheid - Rechterlijke instanties van de Lid-Staten - Werking in de tijd Wettelijke bepalingen: Huishoudelijk Reglement - 16-12-2002 - Artt. 3.1 en 45 Thesaurus CAS: INTERNATIONALE VERDRAGEN UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - TAALGEBRUIK GERECHTSZAKEN - Algemeen (taalgebruik in gerechtzaken) GERECHTELIJK RECHT - TAALGEBRUIK GERECHTSZAKEN - Taalgebruik voor Hof van Cassatie HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - MEDEDINGING - Europees mededingingsrecht - Vertikale overeenkomsten - Exclusieve afname Vrije woorden: Europese Unie - E.G.-

Artikel 81

- Mededinging - Individuele vrijstelling - Bevoegdheid - Rechterlijke instanties van de Lid-Staten - Werking in de tijd Wettelijke bepalingen: Huishoudelijk Reglement - 16-12-2002 - Artt. 3.1 en 45 Thesaurus CAS: ECONOMIE UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - TAALGEBRUIK GERECHTSZAKEN - Algemeen (taalgebruik in gerechtzaken) GERECHTELIJK RECHT - TAALGEBRUIK GERECHTSZAKEN - Taalgebruik voor Hof van Cassatie HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - MEDEDINGING - Europees mededingingsrecht - Vertikale overeenkomsten - Exclusieve afname Vrije woorden: Mededinging - Europese Unie - E.G.-

Artikel 81

- Individuele vrijstelling - Bevoegdheid - Rechterlijke instanties van de Lid-Staten - Werking in de tijd Wettelijke bepalingen: Huishoudelijk Reglement - 16-12-2002 - Artt. 3.1 en 45 Tekst van de beslissing Nr. C.09.0494.N BROUWERIJ HAACHT, naamloze vennootschap, met zetel te 3190 Boortmeerbeek, Provinciesteenweg 28, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Paul Lefèbvre, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 480, bus 9, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen LIMBURGSE DRANKENCENTRALE, naamloze vennootschap, met zetel te 3830 Wellen, Vloeiherkstraat 27 A, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 25 mei 2009 gewezen door het hof van beroep te Antwerpen. Voorzitter Ivan Verougstraete heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd. II. FEITEN Blijkens de voorziening verdeelt de eiseres haar bieren en andere dranken via bierhandelaars, zoals de verweerster, die op hun beurt leveren aan verkooppunten. Aangezien vele verkooppunten verbonden zijn op grond van exclusieve afnameverplichtingen jegens brouwerijen en bierhandelaars, is het voor deze laatsten van belang om over leveringsrechten ten aanzien van de gebonden verkooppunten te beschikken. De eiseres verleende aan de verweerster leveringsrechten betreffende een aantal jegens haar verbonden verkooppunten. De eiseres beëindigde deze leveringsrechten met een opzegging op 5 juli 2001. De geldigheid van die opzegging wordt door de verweerster betwist. De verweerster roept daarbij onder andere in dat de voormelde exclusiviteitcontracten strijdig zijn met het Europees mededingingsrecht, meer bepaald met artikel 81 EG-Verdrag. Het hof van beroep beslist onder meer dat voor twee exclusieve drankafnamecontracten (de overeenkomst met Fitlink, Universitaire Campus, Diepenbeek en de overeenkomst met Gemeentelijke Feestzaal te Aalst, Dorp 25) niet is voldaan aan de voorwaarden voor het beroep op de groepsvrijstelling. Het hof verwerpt het verzoek van de eiseres tot individuele vrijstelling voor deze overeenkomsten. Het hof verklaart vervolgens de bedingen met betrekking tot de duur in deze twee overeenkomsten nietig. III. CASSATIEMIDDELEN De eiseres voert in haar verzoekschrift twee middelen aan. Het verzoekschrift is aan dit arrest gehecht. IV. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Memorie van wederantwoord 1. Artikel 1094 van het Gerechtelijk Wetboek geeft de eiser de mogelijkheid een memorie van wederantwoord neer te leggen als de verweerder de niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep opwerpt. 2. In zoverre de memorie van wederantwoord van de eiseres een verweer inhoudt tegen het antwoord van de verweerster op het middel zelf, is de memorie niet ontvankelijk. Ontvankelijkheid van het cassatieberoep 3. De verweerster voert een middel van niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep aan: het cassatieberoep is niet ontvankelijk omdat het, waar het in het eerste middel de appelconclusie van de eiseres citeert, niet volledig in het Nederlands gesteld is; de voorziening is mitsdien nietig ingevolge het bepaalde in de artikelen 27 en artikel 40, eerste lid, van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. 4. Artikel 27 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken bepaalt dat voor het Hof van Cassatie, voor de rechtspleging, de taal wordt gebruikt waarin de bestreden beslissing is gesteld. Krachtens artikel 40 van dezelfde wet, zijn voornoemde regels voorgeschreven op straffe van nietigheid. Een akte van de rechtspleging wordt geacht in de taal van de rechtspleging te zijn gesteld wanneer alle vermeldingen vereist voor de regelmatigheid van de akte in die taal zijn gesteld. 5. Uit de in het Nederlands gestelde tekstgedeelten van de appelconclusie van de eiseres zoals die worden geciteerd in het eerste middel van de eiseres, blijkt evenwel dat het citaat in het Frans van de rechtspraak van het Hof van Justitie wordt aangehaald ter toelichting of illustratie van het daaraan voorafgaande argument in het Nederlands dat "het Hof van Justitie bevestigd (heeft) dat, zelfs wanneer er een netwerk aan soortgelijke overeenkomsten zou bestaan, zij niet automatisch de mededinging beperken". Dit citaat heeft derhalve op zich geen pertinentie voor de beoordeling van het middel. Het middel van niet-ontvankelijkheid van de voorziening kan niet worden aangenomen. Eerste middel 6. Het middel gaat volledig ervan uit dat de appelrechters niet nader onderzocht hebben of er een schending was van artikel 81, lid 1, van het EG-Verdrag. 7. Het bestreden arrest verwijst evenwel naar het beroepen vonnis, waarvan het de redenen verklaart over te nemen. Het beroepen vonnis onderzoekt beredeneerd en gemotiveerd of artikel 81, lid 1, principieel toepassing vond en oordeelt in positieve zin. Het middel mist feitelijke grondslag. Tweede middel 8. Artikel 81, lid 1, EG-Verdrag, zoals te dezen van toepassing, bepaalt dat onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt en verboden zijn, alle overeenkomsten tussen ondernemingen, alle besluiten van ondernemersverenigingen en alle onderling afgestemde feitelijke gedragingen welke de handel tussen lidstaten ongunstig kunnen beïnvloeden en ertoe strekken of ten gevolge hebben dat de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt wordt verhinderd, beperkt of vervalst en met name die welke bestaan in: - het rechtstreeks of zijdelings bepalen van de aan- of verkoopprijzen of van andere contractuele voorwaarden; - het beperken of controleren van de productie, de afzet, de technische ontwikkeling of de investeringen; - het verdelen van de markten of van de voorzieningsbronnen; - het ten opzichte van handelspartners toepassen van ongelijke voorwaarden bij gelijkwaardige prestaties, hun daarmede nadeel berokkenend bij de mededinging; - het afhankelijk stellen van het sluiten van overeenkomsten van de aanvaarding door de handelspartners van bijkomende prestaties welke naar hun aard of volgens het handelsgebruik geen verband houden met het onderwerp van deze overeenkomsten. Artikel 81, lid 2, EG-Verdrag bepaalt dat de krachtens dit artikel verboden overeenkomsten of besluiten van rechtswege nietig zijn. Krachtens artikel 81, lid 3, EG-Verdrag, kunnen de bepalingen van artikel 81, lid 1, buiten toepassing worden verklaard: - voor elke overeenkomst of groep van overeenkomsten tussen ondernemingen; - voor elk besluit of groep van besluiten van ondernemersverenigingen; - voor elke onderling afgestemde feitelijke gedraging of groep van gedragingen die bijdragen tot verbetering van de productie of van de verdeling der producten of tot verbetering van de technische of economische vooruitgang, mits een billijk aandeel in de daaruit voortvloeiende voordelen de gebruikers ten goede komt, en zonder nochtans aan de betrokken ondernemingen:

  1. a)beperkingen op te leggen welke voor het bereiken van deze doelstellingen niet onmisbaar zijn,
  2. b)de mogelijkheid te geven, voor een wezenlijk deel van de betrokken producten de mededinging uit te schakelen. 9. De toepassing van de artikelen 81 en 82 wordt onder meer geregeld door de Verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het EG-Verdrag (hierna Verordening (EG) nr. 1/2003). 10. Met betrekking tot de in artikel 81, lid 3, EG-Verdrag vervatte uitzonderingen op het verbod van mededingingsbeperkende overeenkomsten blijkt uit de consideransen van deze Verordening alsmede uit de Verordening zelf, dat zij de aanmeldingsregeling bij de Commissie, bedoeld in Verordening nr. 17 van de Raad van 6 februari 1962, vervangt door een stelsel van wettelijke uitzondering waarin de mededingingsautoriteiten en de rechterlijke instanties van de lidstaten bevoegd zijn artikel 81, lid 3, van het EG-Verdrag toe te passen. Aldus zijn overeenkomstig artikel 1.1. van de Verordening (EG) nr. 1/2003 overeenkomsten als bedoeld in artikel 81, lid 1, EG-Verdrag, die niet voldoen aan de voorwaarden van artikel 81, lid 3, EG-Verdrag verboden, zonder dat hiertoe een voorafgaande beslissing vereist is. Overeenkomstig artikel 1.2 van dezelfde Verordening, zijn de overeenkomsten als bedoeld in artikel 81, lid 1, EG-Verdrag, die wel voldoen aan artikel 81, lid 3, EG-Verdrag, niet verboden, zonder dat hiertoe een voorafgaande beslissing vereist is. Deze bepalingen maken geen onderscheid al naargelang deze overeenkomsten zijn afgesloten voor of na de inwerkingtreding van de Verordening. Artikel 3.1. van de Verordening (EG) nr. 1/2003 bepaalt dat wanneer rechterlijke instanties nationaal mededingingsrecht toepassen op overeenkomsten in de zin van artikel 81, lid 1, van het EG-Verdrag welke de handel tussen de Lid-Staten in de zin van die bepaling kunnen beïnvloeden, zíj tevens artikel 81, lid 3, van het EG-Verdrag toepassen op deze overeenkomsten. 11. Overeenkomstig artikel 45 van de Verordening (EG) nr. 1/2003 is deze verordening van toepassing vanaf 1 mei 2004. Procedureregels worden in het EG-recht in het algemeen geacht van toepassing te zijn op alle bij hun inwerkingtreding aanhangige gedingen (zie arresten van 7 september 1999, C-61/98, De Haan, Jurispr. I-5003, ro 13; 28 juni 2007, Dell'Orto, C-467/05, Jurispr. I-5557, ro 48 en arrest van 12 augustus 2008, C-296/08 PPU, Santesteban, Jurispr. I-6307, ro 80). De bevoegdheid voor de rechterlijke instanties van de Lid-Staten om artikel 81, lid 3, van het EG-Verdrag toe te passen is derhalve onmiddellijk van toepassing op de hangende geschillen. Hieruit volgt dat de nationale rechter met ingang van 1 mei 2004 bevoegd is om in de voor hem aanhangige geschillen een uitzondering vast te stellen overeenkomstig artikel 81, lid 3, EG-Verdrag en zodoende een individuele vrijstelling te verlenen. Dat de overeenkomsten die in deze geschillen aan de orde zijn, zouden zijn gesloten vóór de inwerkingtreding van de Verordening (EG) nr. 1/2003 is daarbij niet relevant. 12. De appelrechters oordelen vooreerst dat de rechterlijke autoriteiten sedert 1 mei 2004, dit is na de inwerkingtreding van Verordening (EG) nr. 1/2003, over de mogelijkheid beschikken om artikel 81, lid 3, van het EG-Verdrag toe te passen en niet zoals voorheen de Europese Commissie. Niettemin oordelen zij vervolgens dat het nieuwe systeem van gedecentraliseerde toepassing van het Europees mededingingsrecht niet geldt voor de litigieuze overeenkomsten en dat de eiseres ten gepaste tijde om individuele vrijstelling aan de bevoegde autoriteiten had dienen te verzoeken. 13. De appelrechters die aldus de bedingen met betrekking tot de duur in de litigieuze overeenkomsten nietig verklaren en a priori weigeren aan de eiseres een individuele vrijstelling op grond van artikel 81, lid 3, van het Verdrag te verlenen, verantwoorden hun beslissing niet naar recht. Het middel is gegrond. Overige grieven 14. De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden. Omvang van cassatie 15. De vernietiging van de beslissing over de geldigheid van de overeenkomsten met Fitlink, Universitaire Campus, Diepenbeek en Gemeentelijke Feestzaal te Aalst, Dorp 25, strekt zich uit tot de beslissing van heropening van het debat in zoverre die er op gericht is de partijen standpunt te laten innemen over de eventuele gevolgen van de nietigverklaring van deze overeenkomsten op de opzegging en op de diverse vorderingen en tegenvorderingen m.b.t. deze twee contracten. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het: - zegt voor recht dat de bedingen met betrekking tot de duur in de overeenkomsten met Fitlink, Universitaire Campus, Diepenbeek en Gemeentelijke Feestzaal te Aalst, Dorp 25, nietig zijn op grond van artikel 81, lid 2, EG-Verdrag; - de heropening van het debat beveelt teneinde partijen standpunt te laten innemen over de eventuele gevolgen van de nietigverklaring van deze overeenkomsten op de opzegging en op de diverse vorderingen en tegenvorderingen m.b.t. deze twee contracten. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Brussel. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, en de raadsheren Eric Stassijns, Beatrijs Deconinck, Alain Smetryns en Geert Jocqué, en in openbare terechtzitting van 17 juni 2010 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100617.3 Gerelateerde publicatie(
  3. s)precedenten: ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19980511.8 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080422.7 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091116.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.