← België

ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100621.7

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 21 juni 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100621.7 Rolnummer: C.09.0113.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-09-23 Raadplegingen: 725 - laatst gezien 2026-07-02 16:56 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100621.7 Fiches 1 - 2 Uit de artikelen 3, §6, 5° en 11, eerste lid van het Delegatiebesluit en de artikelen 70, §2, eerste lid en 196bis van het Stedenbouwdecreet 1999 volgt dat het artikel 70, §2, eerste lid van het Stedenbouwdecreet 1999 juncto het artikel 196bis, eerste lid van dit decreet, voorzien in een uitzondering in de zin van artikel 11 van het Delegatiebesluit op de bevoegdheid van de Vlaamse minister van Binnenlandse aangelegenheden en dat, ingeval het onteigeningsplan tegelijk met het plan van aanleg wordt opgemaakt, de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening, bevoegd voor het goedkeuren van het plan van aanleg, ook de bevoegdheid heeft het onteigeningsplan goed te keuren en de daarmee verbonden bevoegdheid tot het verlenen van de onteigeningsmachtiging

(1).
(1)Zie de conclusies van het openbaar ministerie. Thesaurus CAS: STEDENBOUW - RUIMTELIJKE ORDENING. PLAN VAN AANLEG UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RUIMTELIJKE ORDENING - Vlaams Gewest - Onteigening (verwezenlijking plan) PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - ONTEIGENING - Onteigeningswet - Administratieve fase Vrije woorden: Onteigening ten algemenen nutte - Administratieve fase - Verwezenlijking plan - Onteigeningsplan dat tegelijk met het plan van aanleg wordt opgemaakt - Procedure - Verlenen van onteigeningsmachtiging - Bevoegde minister Wettelijke bepalingen: Besluit Vlaamse Regering - 27-07-2004 - Artt. 3, § 6, 5° en 11, eerste lid Decreet Vlaamse Raad - 18-05-1999 - Artt. 70, § 2, eerste lid en 196bis Thesaurus CAS: ONTEIGENING TEN ALGEMENEN NUTTE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RUIMTELIJKE ORDENING - Vlaams Gewest - Onteigening (verwezenlijking plan) PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - ONTEIGENING - Onteigeningswet - Administratieve fase Vrije woorden: Administratieve fase - Verwezenlijking plan - Onteigeningsplan dat tegelijk met het plan van aanleg wordt opgemaakt - Procedure - Verlenen van onteigeningsmachtiging - Bevoegde minister Wettelijke bepalingen: Besluit Vlaamse Regering - 27-07-2004 - Artt. 3, § 6, 5° en 11, eerste lid Decreet Vlaamse Raad - 18-05-1999 - Artt. 70, § 2, eerste lid en 196bis Fiches 3 - 4 Conclusie van advocaat-generaal MORTIER. Thesaurus CAS: STEDENBOUW - RUIMTELIJKE ORDENING. PLAN VAN AANLEG UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RUIMTELIJKE ORDENING - Vlaams Gewest - Onteigening (verwezenlijking plan) PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - ONTEIGENING - Onteigeningswet - Administratieve fase Vrije woorden: Onteigening ten algemenen nutte - Administratieve fase - Verwezenlijking plan - Onteigeningsplan dat tegelijk met het plan van aanleg wordt opgemaakt - Procedure - Verlenen van onteigeningsmachtiging - Bevoegde minister Thesaurus CAS: ONTEIGENING TEN ALGEMENEN NUTTE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RUIMTELIJKE ORDENING - Vlaams Gewest - Onteigening (verwezenlijking plan) PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - ONTEIGENING - Onteigeningswet - Administratieve fase Vrije woorden: Administratieve fase - Verwezenlijking plan - Onteigeningsplan dat tegelijk met het plan van aanleg wordt opgemaakt - Procedure - Verlenen van onteigeningsmachtiging - Bevoegde minister Tekst van de beslissing Nr. C.09.0113.N
  1. GEMEENTE LAAKDAL, vertegenwoordigd door haar college van burgemeester en schepenen, gevestigd te 2430 Vorst-Laakdal, Kerkstraat 21, handelend door tussenkomst van de voorzitter van het Aankoopcomité van Onroerende Goederen, met kantoor te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4, bus 8,
  2. VLAAMS GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering in de persoon van de minister-president, wiens kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Martelaarsplein 19, voor wie optreedt de Viceminister-President van de Vlaamse Regering en Vlaamse Minister, bevoegd voor Financiën, Begroting en Ruimtelijke Ordening, met kabinet te 1210 Sint-Joost-ten-Node, Koning Albert II-laan 19, eisers, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de eisers woonplaats kiezen, tegen
  3. A.J. en
  4. B.A., verweerders, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, waar de verweerders woonplaats kiezen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis, op 14 januari 2008 in hoger beroep gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Turnhout. De zaak is bij beschikking van de eerste voorzitter van 19 mei 2010 verwezen naar de derde kamer. Raadsheer Alain Smetryns heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eisers voert in hun verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 16 en 159 van de Grondwet; - de artikelen 6, §1, I, 1°, 68, 69 en 79, §1, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, de genoemde artikelen 68 en 69 van toepassing vóór de opheffing bij artikel 28 van het bijzonder decreet van 7 juli 2006 over de Vlaamse instellingen; - de artikelen 1, 7, tweede en derde lid, van de wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake de onteigeningen ten algemene nutte, vervat in artikel 5 van de wet van 26 juli 1962 betreffende de onteigeningen ten algemene nutte en de concessies voor de bouw van autosnelwegen; - de artikelen 69, §1 en §2, eerste lid, 70, §2, 73 en 196bis van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (afgekort Stedenbouw-decreet 1999); - de artikelen 19, 21 en 26, eerste lid, van het op 22 oktober 1996 gecoördineerd decreet op de ruimtelijke ordening, het genoemde artikel 26 zoals van toepassing vóór de opheffing bij artikel 64 van het decreet van 21 november 2003 houdende wijziging van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening en van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996; - de artikelen 59, 64 en 70 van het decreet van 21 november 2003 houdende wijziging van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening en van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996; - de artikelen 3 en 4 van het decreet van 13 april 1988 tot bepaling van de gevallen en de modaliteiten waarbij de Vlaamse Executieve kan overgaan tot onteigeningen ten algemenen nutte inzake de gewestelijke aangelegenheden; - de artikelen 1 en 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 december 1991 inzake onteigeningen ten algemene nutte ten behoeve van de gemeenten, de provincies, de intercommunale verenigingen en de gewestelijke ontwikkelings-maatschappijen; - de artikelen 3, §6, eerste lid, 5°, en derde lid, 5, 8°, 6 en 11, eerste lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 juli 2004 tot bepaling van de bevoegdheden van de leden van de Vlaamse Regering, het genoemde artikel 3 zoals van toepassing vóór de vervanging bij besluit van de Vlaamse Regering van 28 juni 2007 tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 juli 2004 tot bepaling van de bevoegdheden van de leden van de Vlaamse Regering; - sub 1.1 van de omzendbrief BA-99/01 van 23 februari 1999 "betreffende de onteigeningen voor algemeen nut: algemene administratieve vormvereisten, onteigeningen in toepassing van het decreet Ruimtelijke Ordening, aangevuld met concrete toepassing voor de verwerving van bedrijventerreinen" (B.S. 30 maart 1999). Bestreden beslissing Het bestreden vonnis beslist dat het onteigeningsbesluit vervat in het ministerieel besluit van Vlaams minister van Financiën, Begroting, en Ruimtelijke Ordening van 16 juni 2005 "houdende goedkeuring van het bijzonder plan van aanleg ‘containerpark' genaamd, van de gemeente Laakdal" (B.S. 30 juni 2005), is aangetast door machtsoverschrijding, waardoor het niet regelmatig is, omdat het uitgaat van de Vlaamse minister van Financiën, Begroting, en Ruimtelijke Ordening, terwijl, volgens de rechtbank, de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden bevoegd was, verklaart dienvolgens het hoger beroep van eiseres en de vordering van eiser ongegrond, bevestigt het vonnis a quo waarin voor recht werd gezegd "dat de onderhavige vordering van de onteigenaar dient te worden afgewezen en er geen aanleiding bestaat om de procedure voort te zetten, dit alles in toepassing van artikel 7, tweede en derde lid, van de Wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemenen nutte, vervat in artikel 5 van de Wet van 26 juli 1962 betreffende de onteigeningen ten algemenen nutte en de concessies voor de bouw van autosnelwegen", op volgende gronden. "M.b.t. de bevoegdheid van de minister van Ruimtelijke Ordening De onteigenden stellen dat de minister van Ruimtelijke Ordening niet bevoegd is om de onteigeningsmachtiging te verlenen en dat er sprake is van machtsoverschrijding, zodat de onteigening niet regelmatig is. De onteigenaar stelt dat in deze de minister van Ruimtelijke Ordening wel bevoegd is op grond van artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 december 1991 inzake onteigeningen ten algemene nutte ten behoeve van de gemeenten, de provincies, de intercommunale verenigingen en de gewestelijke ontwikkelingsmaatschappijen (B.S, 22 februari 1992), artikel 5,1e lid, 8°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 juli 2004 tot bepaling van de bevoegdheden van de leden van de Vlaamse regering (B.S., 4 augustus 2004), artikel 70, §2, van het Ruimtelijk Ordeningsdecreet van 18 mei 1999 en artikel 26, 1e lid, van het Ruimtelijk Ordeningsdecreet van 22 oktober
  5. Art. 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 december 1991 inzake onteigeningen ten algemene nutte ten behoeve van de gemeenten, de provincies, de intercommunale verenigingen en de gewestelijke ontwikkelingsmaatschappijen luidt als volgt: ‘De Vlaamse minister, bevoegd voor de binnenlandse aangelegenheden is, behoudens in de gevallen bepaald in de wet, bevoegd om de gemeenten, provincies, intercommunale verenigingen en de gewestelijke ontwikkelingsmaatschappijen te machtigen over te gaan tot onteigeningen ten algemene nutte, met instemming van de functioneel bevoegde Vlaamse minister.' Art. 5, 1e lid, 8°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 juli 2004 luidt als volgt: ‘Inzake de aangelegenheden die hen krachtens artikel 3 zijn toegewezen zijn de leden van de Vlaamse Regering, ieder wat hem of haar betreft, bevoegd voor: ... 8° het verlenen van onteigeningsmachtigingen, onverminderd de bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 december 1991 inzake onteigeningen ten algemene nutte ten behoeve van de gemeenten, de provincies, de intercommunale verenigingen en de gewestelijke ontwikkelingsmaatschappijen'; Art. 3, §6, 5° van voormeld delegatiebesluit luidt als volgt: ‘De heer .V.M. , lid van de Vlaamse Regering, is bevoegd voor: ... 5° de ruimtelijke ordening, vermeld in artikel 6, §1, I, 1°, 2°, 4°, 5°, 6° en 7° van de bijzondere wet: a. de stedenbouw en de ruimtelijke ordening; b. de rooiplannen van de gemeentewegen; c. de stadsvernieuwing; d. de vernieuwing van afgedankte bedrijfsruimten; e. het grondbeleid; f. de monumenten en de landschappen, alsook het archeologisch patrimonium en het varend erfgoed'. Art. 11, 1e lid, van het delegatiebesluit luidt als volgt: ‘De Vlaamse minister, bevoegd voor de Binnenlandse Aangelegenheden, heeft delegatie om onteigeningsmachtigingen te verlenen ten algemene nutte, behoudens in de gevallen bepaald in de wet, aan de gemeenten, de provincies, de intergemeentelijke samen-werkingsverbanden en de erkende provinciale ontwikkelingsmaatschappijen, overeenkomstig het besluit van de Vlaamse Regering van 19 december 1991 inzake onteigeningen ten algemene nutte ten behoeve van de gemeenten, de provincies, de intercommunale verenigingen en de gewestelijke ontwikkelingsmaatschappijen. De leden van de Vlaamse Regering hebben delegatie om onteigeningsmachtigingen te verlenen aan instellingen of rechtspersonen die onder hun bevoegdheid vallen. Wanneer de aangelegenheid waarvoor de onteigening zich opdringt behoort tot de bevoegdheid van een ander lid van de Vlaamse Regering, wordt de machtiging verleend met instemming van dit lid.' Art. 70, §2, van het Ruimtelijk Ordeningsdecreet van 18 mei 1999 luidt als volgt: ‘Het onteigeningsplan dat ter uitvoering van dit decreet tegelijkertijd met het ruimtelijk uitvoeringsplan wordt opgemaakt, wordt tegelijk het ruimtelijk uitvoeringsplan onderworpen aan de procedureregels bepaald voor het opmaken van dat ruimtelijk uitvoeringsplan. Evenwel wordt een onteigeningsplan dat gekoppeld is aan een gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan dat ter goedkeuring aan de bestendige deputatie wordt voorgelegd, niet aan die bestendige deputatie maar aan de Vlaamse Regering ter goedkeuring voorgelegd. Dit kan pas na de goedkeuring van het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan door de bestendige deputatie. De Vlaamse Regering beslist over het onteigeningsplan en verleent een onteigeningsmachtiging conform de wetgeving inzake onteigeningen.' Art. 196bis, 1° lid, van het Ruimtelijk Ordeningsdecreet luidt als volgt: ‘De bepalingen van artikelen 69, 70, 71, 72, 73, 74 en 75 van dit decreet zijn eveneens van toepassing bij de verwerving van onroerende goederen, vereist voor de verwezenlijking van de plannen van aanleg, bedoeld in het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996.' Art. 26, 1° lid, van het Ruimtelijk Ordeningsdecreet van 22 oktober 1996 stelt: ‘Wanneer het onteigeningsplan en het plan van aanleg tezelfdertijd worden opgemaakt, worden beide samen onderworpen aan de formaliteiten bepaald voor het opmaken voor het plan van aanleg.' De onteigenaar stelt dat artikel 70, §2, ingevolge artikel 196bis, 1e lid, van toepassing is op het BPA ‘Containerpark' en dat uit voormeld artikel 70, §2, 1e lid, volgt dat de overheid die de procedurele bevoegdheid heeft om het plan van aanleg goed te keuren(de minister bevoegd voor de ruimtelijke ordening op grond van voormeld delegatiebesluit van 27 juli 1994) tevens de bevoegdheid bezit om het onteigeningsplan goed te keuren en de daarmee verbonden bevoegdheid tot verlening van de onteigeningsmachtiging uit te oefenen. De onteigenaar stelt dat zodoende voldaan is aan de door het besluit van 19 december 1991 vereiste wettelijke uitzonderingsregeling die de bevoegdheid van de minister van Binnenlandse aangelegenheden uitsluit. De onteigenden baseren zich op het advies van de door de eerste rechter aangestelde deskundige, Professor M.B. die stelt: ‘Vooreerst mag worden opgemerkt dat met het woord ‘wet' in deze context alleen de ‘federale wet' bedoeld kan zijn. Hiervoor werd immers al aangestipt dat de Vlaamse decreetgever niet bevoegd is om een bepaalde minister van de Vlaamse Regering rechtstreeks een bepaalde bevoegdheid toe te bedelen. Artikel 69 van de Bijzondere Wet tot Hervorming van de Instellingen van 8 augustus 1980 verzet zich daartegen: de Regering oefent haar bevoegdheden collegiaal uit en alleen zij, en niet de decreetgever, kan bevoegdheden toebedelen aan individuele ministers. Die beperking geldt niet en gold niet voor de federale wetgever. Anderzijds is het zo dat voor de geldigheid van een koninklijk besluit tot uitvoering van een federale wet naast de handtekening van de Koning, de handtekening van gelijk welke federale minister volstaat: artikel 106 van de Grondwet bepaalt: ‘Geen akte van de Koning kan gevolg hebben, wanneer ze niet medeondertekend is door een minister, die daardoor alleen reeds ervoor verantwoordelijk wordt.', en die bepaling maakt geen enkel onderscheid tussen de ministers. Dit belet evenwel niet dat de wetgever wel bevoegd is om te bepalen dat een koninklijk besluit tot uitvoering van een bepaalde wet slechts genomen kan worden op de voordracht van een minister of meer ministers, die bevoegd is of zijn voor bepaalde aangelegenheden. Dat is op de voordracht van die bepaalde minister of ministers. Een bekend voorbeeld is artikel 30 van de wet van 30 december 1970 betreffende de economische expansie (‘Over het gehele grondgebied kunnen de Staat, de provincies, de gemeenten en de openbare rechtspersonen aangeduid door de Koning overgaan tot de onteigening en verwerving voor algemeen nut van de onroerende goederen noodzakelijk voor de aanleg van gronden voor de industrie, het ambachtswezen of diensten, voor de aanleg van hun toegangswegen of voor bijkomende infrastructuurwerken. Tot het onteigeningsbesluit en de aanwijzing van de gronden wordt, op voorstel van de minister die Openbare Werken onder zijn bevoegdheid heeft, door de Koning besloten.') Volledigheidshalve moet ook melding gemaakt worden van de decreten die de Cultuurraad voor de Nederlandse Cultuurgemeenschap aangenomen heeft voor de inwerkingtreding van de Bijzondere Wet tot Hervorming der Instellingen van 8 augustus
  6. De wet van 27 juli 1971 bepaalde niet dat de uitvoeringsbesluiten van de decreten van de Cultuurraden collegiaal genomen moesten worden (door de Regering of door de ministeriële Comités voor Gewestelijke aangelegenheden, de voorlopers van de latere regeringen van de Gewesten). Er zijn evenwel geen decreten uit die periode bekend die aan de minister bevoegd voor de Ruimtelijke Ordening de bevoegd maakten voor het geven van machtigingsonteigeningen (de deskundige bedoelt hier wellicht: die de minister bevoegd voor de Ruimtelijke Ordening bevoegd maakten voor het geven ) Met de woorden ‘behoudens in de gevallen bij wet bepaald' bedoelen artikel 1 van het besluit van 19 december 1992 (de deskundige bedoelt wellicht 1991) en artikel 11 van het besluit van 27 juli 2004 dus die gevallen waar de federale wet bepaalde dat een onteigeningsmachtiging bij koninklijk besluit te verlenen aan een gemeente, moest genomen worden op de voordracht van een welbepaalde minister. Decreten tot stand gekomen op grond van de Bijzondere Wet tot Hervorming der Instellingen van 8 augustus 1980 kunnen dus geen ‘wet' zijn in de zin van de hiervoor vermelde bepalingen. Dat geldt dus ook voor het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, met inbegrip van artikel 70, §2, van dat decreet. Deze vaststellingen zouden kunnen volstaan om de eerste vraag negatief te beantwoorden. Volledigheidshalve wordt nagegaan of de minister bevoegd voor de Ruimtelijke Ordening op grond van de (federale) wet van 29 maart 1962 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw, via het besluit van 19 december
(1991), mogelijk wel bevoegd zou kunnen zijn voor het verlenen van onteigeningsmachtigingen aan gemeenten. De artikels 25 tot 30 van de wet van 29 maart 1962 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw hadden betrekking op de onteigenings-procedure... Nergens in deze bepalingen wordt een specifieke minister aangeduid. In het coördinatiedecreet van 22 oktober 1996 wordt overigens, zoals het hoort, steeds de Vlaamse Regering aangeduid. Weliswaar is er de omzendbrief BA-99/01 van 23 februari 1999 die het volgende bepaalt: ‘Onteigeningsplan initieel gekoppeld aan een plan van aanleg. Hiervoor werd reeds de onteigeningsmogelijkheid vermeld van het artikel 26, 1e lid, van het decreet Ruimtelijke ordening waarbij het onteigeningsplan en het plan van aanleg samen worden opgemaakt en tegelijk worden behandeld en goedgekeurd door de Vlaamse minister die bevoegd is voor de goedkeuring van het plan van aanleg, dit is de Vlaamse minister van Ruimtelijke Ordening. Die procedure geldt als een uitzonderingsprocedure op de algemene machtigingsprocedure die tot de bevoegdheid behoort van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden. Het is evident dat voor bestemmingen die volgens de voorschriften bij het plan door een openbaar bestuur moeten gerealiseerd worden, deze gekoppelde procedure wordt gevolgd. Als voorbeeld bij uitstek geldt de zone die op het plan van aanleg wordt voorzien voor de bouw van een gemeentehuis. De administratie ruimtelijke ordening zal erop toezien dat bij de opmaak van de plannen van aanleg de nodige onteigeningsplannen worden gevoegd'. Hoe logisch ook, deze omzendbrief vindt geen steun in enige (federale) wet en is evenmin als een decreet bij machte af te wijken van de delegaties gegeven bij het besluit van 27 juli
  1. De voor de hand liggende oplossing is om het delegatiebesluit aan te passen, maar tot zolang dat niet is gebeurd, is de minister bevoegd voor Binnenlandse Aangelegenheden bevoegd om onteigeningsmachtigingen te geven aan de gemeenten, ook wanneer die machtiging betrekking heeft op een onteigeningsplan dat samen met een Bijzonder Plan van Aanleg werd opgemaakt. Overeenkomstig artikel 1 van het besluit van 19 december 1992 (de deskundige bedoelt wellicht 1991), besluit dat nog steeds van toepassing is blijkens artikel 11 van het besluit van 27 juli 2004, dient het besluit wel te worden genomen door de minister bevoegd voor Binnenlandse aangelegenheden en de minister bevoegd voor de Ruimtelijke Ordening.' Deze rechtbank onderschrijft samen met de eerste rechter de stelling van de deskundige: De verdeling van de bevoegdheden van de ministers behoort tot de exclusieve bevoegdheid van de regering (R. v. St., nr. 117.412 van 21 maart 2003). Art. 70, §2, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de Ruimtelijke Ordening is geen andersluidende bepaling in de zin van artikel 1 van het besluit van 19 december 1991 en van artikel 11 van het delegatiebesluit van 27 juli 2004, spijts de bepalingen van de omzendbrief van 1999 die geen wettelijke basis heeft. Het advies van de Auditeur bij de Raad van State in de zaak NV Roscofin en Peerbooms- Lemmens kan niet gevolgd worden, nu artikel 70, §2, van het decreet niet van aard is om af te wijken van de delegaties gegeven bij het besluit van 27 juli
  2. Derhalve is niet de minister van Ruimtelijke Ordening bevoegd doch wel de minister van Binnenlandse Aangelegenheden en is het onteigeningsbesluit aangetast door machtsoverschrijding waardoor het niet regelmatig is. Het eerste vonnis wordt bevestigd" (vonnis pp. 4-8). Grieven
  3. Luidens artikel 16 van de Grondwet kan niemand van zijn eigendom worden ontzet dan ten algemenen nutte, in de gevallen en op de wijze bij de wet bepaald en tegen billijke schadeloosstelling. Dit voorschrift houdt in dat het bepalen van de gevallen waarin en van de wijze waarop tot onteigening ten algemenen nutte kan worden overge¬gaan, een aan de federale wetgever voorbehouden aangelegenheid is, en dat de Gemeenschappen en de Gewesten in die voorbehouden aangelegenheid slechts kunnen optreden in zoverre een bijzondere en uitdrukkelijke machtiging is gegeven bij de wetten tot hervorming der instellingen. Krachtens artikel 79, §1, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, kan de Vlaamse Regering en de Franse Gemeenschapsregering overgaan tot onteigeningen ten algemenen nutte "in de gevallen en volgens de modaliteiten bepaald bij decreet, met inachtneming van de bij de wet vastgestelde gerechtelijke procedures en van het principe van de billijke en voorafgaande schadeloosstelling bepaald bij artikel 11 (thans 16) van de Grondwet". Dit artikel machtigt de Gemeenschappen en de Gewesten, met inachtneming van de wettelijke gestelde vereisten, om, bij decreet, de gevallen te bepalen waarin de Gemeenschaps- en Gewestregeringen tot onteigening ten algemenen nutte kunnen overgaan en de modaliteiten daarvan te bepalen, en om bij decreet de Regeringen te machtigen publiekrechtelijke rechtspersonen toe te staan over te gaan tot onteigeningen. Overeenkomstig artikel 3 van het decreet van 13 april 1988 tot bepaling van de gevallen en de modaliteiten waarbij de Vlaamse Executieve kan overgaan tot onteigeningen ten algemenen nutte inzake de gewestelijke aangelegenheden, kan "de executieve" (lees, overeenkomstig artikel 127, §1, van de Bijzondere wet van 16 juli 1993 tot vervollediging van de federale staatsstructuur, "de regering"), "andere rechtspersonen, die bevoegd zijn om onroerende goederen ten algemenen nutte te onteigenen, machtigen tot onteigening in de gevallen waarin zij oordeelt dat de verkrijging ervan noodzakelijk is voor de uitbouw van de infrastructuur of voor het beleid inzake de gewestelijke aangelegenheden, zoals bepaald in de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen". Overeenkomstig artikel 4 van hetzelfde decreet van 13 april 1988, wordt de in artikel 3 voorziene onteigeningsmachtiging verleend "met overeenkomstige toepassing van de regels en procedures voorgeschreven bij de inzake onteigeningen geldende wetgeving". De beslissing waarbij de Vlaamse Regering, voor elk geval afzonderlijk, andere rechtspersonen machtiging verleent om tot onteigening over te gaan, is een handeling van bestuurlijk toezicht, waarbij zowel de externe en interne wettigheid van de voorgenomen maatregel als het oogmerk van algemeen nut worden getoetst.
  4. Krachtens artikel 6, §1, I, 1°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, is de stedenbouw en de ruimtelijke ordening een gewestelijke aangelegenheid.
  5. De onteigeningsmogelijkheid en -procedure ter verwezenlijking van plannen van aanleg werd geregeld door de artikelen 23 tot 34 van het op 22 oktober 1996 gecoördineerd decreet op de ruimtelijke ordening, en voordien door de artikelen 25 tot 36 van de Stedenbouwwet van 29 maart
  6. De artikelen 69 tot 75 van het Stedenbouwdecreet van 18 mei 1999 bevatten een eigen onteigeningsregeling voor de onteigeningen ter verwezenlijking van ruimtelijke uitvoeringsplannen. Bij decreet van 21 november 2003 houdende wijziging van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening en van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, heeft de decreetgever de in beide genoemde decreten voorziene onteigeningsregelingen willen terugbrengen tot één enkele regeling. Te dien einde voerde het decreet van 21 november 2003 (artikel 59) een nieuw artikel 196bis in het Stedenbouwdecreet 1999, waarvan het eerste lid luidt als volgt: "De bepalingen van artikelen 69, 70, 71, 72, 73, 74 en 75 van dit decreet zijn eveneens van toepassing bij de verwerving van onroerende goederen, vereist voor de verwezenlijking van de plannen van aanleg, bedoeld in het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996". De artikelen 23 tot 34 van het op 22 oktober 1996 gecoördineerd decreet op de ruimtelijke ordening werden bij artikel 64 van het decreet van 21 november 2003, opgeheven. Dienvolgens gelden, ingevolge de inwerkingtreding van voornoemd decreet van 21 november 2003 op 8 februari 2004 (artikel 70 van het decreet van 21 november 2003), ook voor de onteigeningen doorgevoerd ter verwezenlijking van plannen van aanleg, de onteigeningsvoorschriften van het Stedenbouwdecreet
  7. In zoverre de voorschriften van de artikelen 69 tot 75 van het Stedenbouwdecreet 1999 dan ook melding maken van de onteigeningen in uitvoering van "de ruimtelijke uitvoeringsplannen", bedoelen zij ook, gelet op voornoemde overgangsregeling in artikel 196bis, de onteigeningen in uitvoering van de voorschriften van de plannen van aanleg zoals voorzien in het op 22 oktober 1996 gecoördineerd decreet op de ruimtelijke ordening, en inzonderheid het bijzonder plan van aanleg voorzien in artikel 14 van dit decreet.
  8. Artikel 69, §1, van het Stedenbouwdecreet 1999 bevat de door artikel 16 van de Grondwet vereiste habilitatie tot onteigening: "Elke verwerving van onroerende goederen, vereist voor de verwezenlijking van de ruimtelijke uitvoeringsplannen, kan door onteigening ten algemenen nutte tot stand worden gebracht". Ingevolge artikel 196bis van het Stedenbouwdecreet 1999 geldt deze habilitatie ook voor de verwezenlijking van plannen van aanleg. Overeenkomstig de artikelen 69, §2, eerste lid, en 196bis, van het Stedenbouwdecreet 1999 kunnen o.m. de gemeenten optreden als onteigenende instantie ter verwezenlijking van ruimtelijke uitvoeringsplannen, respectievelijk plannen van aanleg. De administratieve procedure die door de gemeente moet gevolgd worden teneinde tot onteigening in uitvoering van een (bijzonder) plan van aanleg over te gaan, is omschreven in artikel 70, §2, van het Stedenbouwdecreet 1999, dat een onderscheid maakt tussen het onteigeningsplan dat tegelijk met het plan van aanleg wordt opgemaakt, en het onteigeningsplan dat na het plan van aanleg waarvan het de verwezenlijking beoogt, wordt opgemaakt. Wanneer, zoals te dezen, een onteigeningsplan samen met een bijzonder plan van aanleg wordt opgesteld, geldt het voorschrift van artikel 70, §2, eerste lid, van het Stedenbouwdecreet 1999, juncto 196bis, naar luid waarvan "het onteigeningsplan dat ter uitvoering van dit decreet tegelijkertijd met het ruimtelijk uitvoeringsplan (of plan van aanleg) wordt opgemaakt, tegelijk met het ruimtelijk uitvoeringsplan (wordt) onderworpen aan de procedureregels bepaald voor het opmaken van dat ruimtelijk uitvoeringsplan (of plan van aanleg)". Dezelfde bepaling bevat een afwijking van deze procedureregels voor het te dezen niet toepasselijke geval van een gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan. Artikel 26, eerste lid, van het op 22 oktober 1996 gecoördineerd decreet op de ruimtelijke ordening, zoals van toepassing vóór de opheffing bij artikel 64 van het decreet van 21 november 2003, bevatte hetzelfde voorschrift bij gezamenlijke aanneming van het onteigeningsplan met het plan van aanleg, nu het bepaalde "(dat) wanneer het onteigeningsplan en het plan van aanleg tezelfdertijd worden opgemaakt, beide samen (worden) onderworpen aan de formaliteiten bepaald voor het opmaken van het plan van aanleg". De "procedureregels" ("formaliteiten") bepaald voor het opmaken van een bijzonder plan van aanleg zijn voorzien in de artikelen 19 tot 22 van het op 22 oktober 1996 gecoördineerd decreet betreffende de ruimtelijke ordening: na voorlopige aanneming van het ontwerpplan door de gemeenteraad volgt een openbaar onderzoek door het schepencollege, het ontwerpplan wordt samen met de bezwaren, de opmerkingen en het proces-verbaal van sluiting van het onderzoek aan de bevoegde Commissie van advies overge¬maakt, binnen de zestig daaropvolgende dagen kan de gemeenteraad, na kennisname van de uitslag van het onderzoek, het plan definitief aannemen dan wel beslissen het te wijzigen (artikel 19), de bestendige deputatie verleent advies binnen 30 dagen na ontvangst van het volledig dossier, de Vlaamse Regering dient het plan goed te keuren, en heeft hiervoor 60 dagen na ontvangst van het dossier, en wanneer een onteigeningsplan is bijgevoegd wordt deze termijn verlengd met 30 dagen, bij ontstentenis van een beslissing van de Vlaamse Regering binnen de voornoemde termijn, kan de gemeente bij aangetekend schrijven de Vlaamse Regering rappelleren, en indien alsdan geen beslissing wordt genomen binnen een termijn van 45 dagen, wordt het plan, zoals definitief aanvaard door de gemeenteraad, geacht te zijn goedgekeurd, behoudens wat het onteigeningsplan betreft (artikel 21). De goedkeuring door de Vlaamse Regering, overeenkomstig artikel 21 van het op 22 oktober 1996 gecoördineerd decreet betreffende de ruimtelijke ordening, van het onteigeningsplan samen met het bijzonder plan van aanleg waarvan het de verwezenlijking beoogt, houdt in zich de onteigeningsmachtiging, m.n. de handeling van bestuurlijk toezicht, waarbij zowel de externe en interne wettigheid van de voorgenomen onteigening als het oogmerk van algemeen nut, worden getoetst.
  9. Artikel 21 van het op 22 oktober 1996 gecoördineerd decreet betreffende de ruimtelijke ordening, en de artikelen 70, §2, en 196bis, van het Stedenbouwdecreet 1999 gelden dan ook als de "inzake onteigeningen geldende wetgeving" die de regels en procedures bevat voor de onteigeningsmachtiging door de Vlaamse Regering aan "andere rechtspersonen, die bevoegd zijn om onroerende goederen ten algemenen nutte te onteigenen", in de zin van de artikelen 3 en 4 van voornoemd decreet van 13 april 1988 tot bepaling van de gevallen en de modaliteiten waarbij de Vlaamse Executieve kan overgaan tot onteigeningen ten algemenen nutte inzake de gewestelijke aangelegenheden. De onteigeningsmachtiging die de Vlaamse Regering met toepassing van voornoemde voorschriften verleent bij goedkeuring van het gemeentelijk onteigeningsplan samen met het bijzonder plan van aanleg, ontslaat van alle andere formaliteiten opgelegd door andere onteigeningswetgeving, en inzonderheid het onderzoek in de vorm en binnen de termijn bepaald in de artikelen 3 tot 6 van de wet van 27 mei 1870 houdende vereenvoudiging der administratieve vormvereisten inzake onteigening ten openbare nutte, zoals ook voorgeschreven bij artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 december 1991 inzake onteigeningen ten algemene nutte ten behoeve van de gemeenten, de provincies, de intercommunale verenigingen en de gewestelijke ontwikkelingsmaatschappijen. De gerechtelijke onteigeningsprocedure blijft, overeenkomstig artikel 79, §1, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, beheerst door de federale wet, waaronder de wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake de onteigeningen ten algemene nutte. Artikel 73 van het Stedenbouwdecreet van 1999 bepaalt dan ook dat de onteigeningen ter verwezenlijking van de plannen "zullen gevorderd (worden) met toepassing van de gemeenrechtelijke onteigeningsprocedure of van de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden".
  10. Wanneer, na vervulling van de administratieve formaliteiten met toepassing van artikel 21 van het op 22 oktober 1996 gecoördineerd decreet betreffende de ruimtelijke ordening, en de artikelen 70, §2 en 196bis, van het Stedenbouwdecreet 1999, wordt overgegaan tot onteigening met toepassing van de wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigeningen ten algemenen nutte, is, overeenkomstig artikel 1 van deze wet, ook de vaststelling vereist dat de onmiddellijke inbezitneming van een of meer onroerende goederen ten algemenen nutte onontbeerlijk is. In de aangelegenheden die zijn overgedragen aan de Gemeenschappen of Gewesten, is het aan hun respectieve regeringen om deze vaststelling te verrichten.
  11. De bevoegdheid tot goedkeuring van een onteigeningsplan samen met het bijzonder plan van aanleg waarvan het de verwezenlijking beoogt, op grond van artikel 21 van het op 22 oktober 1996 gecoördineerd decreet betreffende de ruimtelijke ordening, en de artikelen 70, §2, en 196bis, van het Stedenbouwdecreet 1999, en de bevoegdheid tot vaststelling van de noodzaak tot onmiddellijke inbezitneming in de zin van artikel 1 van de wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigeningen ten algemenen nutte, komt toe aan de Vlaamse Regering. Luidens de artikelen 68 en 69 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, zoals te dezen van toepassing vóór de opheffing bij artikel 28 van het bijzonder decreet van 7 juli 2006 over de Vlaamse instellingen, beraadslaagt de Vlaamse Regering collegiaal, en kan zijzelf aan individuele leden delegaties verlenen. Overeenkomstig het te dezen toepasselijke besluit van de Vlaamse Regering van 27 juli 2004 tot bepaling van de bevoegdheden van de leden van de Vlaamse Regering, is de heer Dirk Van Mechelen, lid van de Vlaamse Regering, o.a. bevoegd voor de stedenbouw en ruimtelijke ordening vermeld in artikel 6, §1, I, 1°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 (artikel 3, §6, eerste lid, 5°), heeft hij in deze aangelegenheden de bevoegdheid tot het verlenen van onteigeningsmachtigingen "onverminderd de bepalingen van het besluit van de (Vlaamse Regering) van 19 december 1991 inzake onteigeningen ten algemenen nutte ten behoeve van de gemeenten, de provincies, de intercommunale verenigingen en de gewestelijke ontwikkelingsmaatschappijen" (artikel 5, 8°), en draagt hij uit hoofde van de hem toegewezen bevoegdheden de titel "Vlaams minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening" (artikel 3, §6, derde lid). Artikel 6, eerste tot derde lid, van voornoemd delegatiebesluit van 27 juli 2004 bepaalt aangaande de delegatie van bevoegdheid: "Elk lid van de Vlaamse Regering oefent de in dit hoofdstuk gedelegeerde beslissingsbevoegdheden uit in de aangelegenheden die hem of haar zijn toegewezen krachtens hoofdstuk 1 van dit besluit. De delegaties, toegestaan in dit hoofdstuk, gelden ook voor beslissingen die betrekking hebben op aangelegenheden die tot de bevoegdheid behoren van meerdere leden van de Vlaamse Regering. De bij dit hoofdstuk gedelegeerde beslissingsbevoegdheden worden uitgeoefend binnen de perken en met inachtneming van de voorwaarden en modaliteiten die zijn vastgelegd in wetten, decreten, besluiten en omzendbrieven". Aangezien overeenkomstig artikel 70, §2, van het Stedenbouwdecreet 1999, en voordien artikel 26, eerste lid, van het op 22 oktober 1996 gecoördineerd decreet op de ruimtelijke ordening, de administratieve procedure geldend bij aanneming van een onteigeningsplan samen met het bijzonder plan van aanleg, deze is die geldt voor het bijzonder plan van aanleg, is de goedkeuring van het onteigeningsplan samen met het bijzonder plan, de hiermede gepaard gaande onteigeningsmachtiging, en de vaststelling van de noodzaak tot onmiddellijke inbezitneming in de zin van artikel 1 van de wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigeningen ten algemenen nutte, een bevoegdheid van "stedenbouw en ruimtelijke ordening", in de zin van artikel 3, §6, eerste lid, 5°, van het voornoemd delegatiebesluit van 27 juli 2004, op grond waarvan minister D.V.M., met toepassing van artikel 5, 8°, van hetzelfde besluit, onteigeningsmachtiging kon verlenen, en dit "binnen de perken en met inachtneming van de voorwaarden en modaliteiten die zijn vastgelegd in wetten, decreten, besluiten en omzendbrieven", zoals voorzien in artikel 6, derde lid, van hetzelfde besluit. Dit wordt bevestigd door de omzendbrief BA-99/01 van 23 februari 1999 "betreffende de onteigeningen voor algemeen nut: algemene administratieve vormvereisten, onteigeningen in toepassing van het decreet Ruimtelijke Ordening, aangevuld met concrete toepassing voor de vetwerving van bedrijventerreinen" (B.S. 30 maart 1999), van de toenmalige Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening, Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Stedelijk Beleid en Huisvesting, en Vlaamse minister van Cultuur, Gezin en Welzijn, waaruit blijkt (sub 1.1) dat bij koppeling van het onteigeningsplan aan het plan van aanleg, de goedkeuring van het plan van aanleg samen met de machtiging tot onteigening wordt verleend door de minister die bevoegd is voor de goedkeuring van het plan van aanleg, dit is de Vlaamse minister van Ruimtelijke Ordening. Bovendien blijkt uit de onteigeningsmachtigingen zoals die bij uittreksel worden bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad, dat de onteigeningsmachtigingen aan gemeenten die betrekking hebben op een onteigeningsplan dat samen met een bijzonder plan van aanleg werd opgesteld, steeds door de minister bevoegd voor Ruimtelijke Ordening werden verleend, dit zowel vóór als na het Stedenbouwdecreet van 1999, als vóór en na voornoemde omzendbrief BA-99/01 van 23 februari
  12. De omstandigheid dat, overeenkomstig artikel 5, 8°, van het delegatiebesluit van 27 juli 2004, de bevoegdheid van minister V.M. tot het verlenen van onteigeningsmachtigingen in de aangelegenheden die tot zijn bevoegdheid behoren, geldt "onverminderd de bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 december 1991 inzake onteigeningen ten algemenen nutte ten behoeve van de gemeenten, de provincies, de intercommunale verenigingen en de gewestelijke ontwikkelings-maatschappijen", doet hieraan geen afbreuk. Artikel 1 van dit besluit van 19 december 1991 bepaalt: "De Vlaamse minister, bevoegd voor de Binnenlandse Aangelegenheden is, behoudens in de gevallen bepaald in de wet, bevoegd om de gemeenten, provincies, intercommunale verenigingen en de gewestelijke ontwikkelingsmaatschappijen te machtigen over te gaan tot onteigeningen ten algemenen nutte, met instemming van de functioneel bevoegde Vlaamse minister". Artikel 11, eerste lid, van voornoemd delegatiebesluit van 27 juli 2004, bevat een gelijkluidend voorschrift, met verwijzing naar het genoemde besluit van 19 december
  13. Artikel 2 van het besluit van 19 december 1991 bepaalt: "De machtiging kan slechts worden verleend nadat het onteigeningsplan werd onderworpen aan een onderzoek in de vorm en binnen de termijn bepaald in de artikelen 3 tot 6 van de wet van 27 mei 1870 houdende vereenvoudiging der administratieve vormvereisten inzake onteigening ten openbare nutte". In zoverre de bevoegdheid van de minister bevoegd voor de Binnenlandse Aangelegenheden is vermeld "behoudens in de gevallen bepaald in de wet", verwees artikel 1 van dit besluit van 19 december 1991 oorspronkelijk o.m. naar de Stedenbouwwet van 29 maart 1962, waarin reeds, in artikel 28, eerste lid, het principe was opgenomen, thans voortvloeiend uit de artikelen 70, §2, eerste lid, en 196bis van het Stedenbouwdecreet 1999, dat bij het gelijktijdig opstellen van een onteigeningsplan met het plan van aanleg waarvan het de verwezenlijking beoogt, "beide samen onderworpen (worden) aan de formaliteiten bepaald voor het opmaken van het plan van aanleg", zodat ook onder gelding van de Stedenbouwwet van 29 maart 1962 de onteigeningsmachtiging tot de materie "ruimtelijke ordening" behoorde. Dat nadien de Stedenbouwwet van 29 maart 1962, wat betreft het Vlaams Gewest, werd gecoördineerd bij decreet van 22 oktober 1996, en de stedenbouwwetgeving vervolgens werd gewijzigd door het Stedenbouwdecreet van 1999, terwijl de term "wet" in artikel 1 van het besluit van 19 december 1991 niet uitdrukkelijk werd aangepast, wijzigt niets aan de draagwijdte van de uitzondering die het bevat op de bevoegdheid van de minister, bevoegd voor de Binnenlandse Aangelegenheden: ook wanneer uit de voorschriften van een decreet, inzonderheid het Stedenbouwdecreet 1999, blijkt dat de onteigenings-machtiging de procedurevoorschriften van het plan van aanleg volgt, geldt de uitzondering op de principiële bevoegdheid van de minister bevoegd voor de Binnenlandse Aangelegenheden tot het verlenen van onteigeningsmachtiging aan o.m. gemeenten. Artikel 11, eerste lid, van voornoemd delegatiebesluit van 27 juli 2004 herneemt louter de formulering van artikel 1 van het besluit van 19 december 1991, door een uitzondering te voorzien op de principiële bevoegdheid van de minister bevoegd voor Binnenlandse Aangelegenheden met de vermelding "behoudens in de gevallen bepaald in de wet", en heeft dan ook dezelfde draagwijdte als artikel 1 van het besluit van 19 december 1991 zoals hiervoor toegelicht. Het voornoemde artikel 21 van het op 22 oktober 1996 gecoordineerd decreet betreffende de ruimtelijke ordening en de voornoemde artikelen 70, §2, en 196bis van het Stedenbouwdecreet 1999 wijzen weliswaar geenszins rechtstreeks de minister bevoegd voor Ruimtelijke Ordening aan voor de goedkeuring van het onteigeningsplan samen met het bijzonder plan van aanleg, en konden dit ook niet nu de interne bevoegdheidsverdeling binnen de Vlaamse Regering alleen een zaak is van de Vlaamse regering zelf, doch uit de samenhang met de voorschriften van artikel 3, §6, eerste lid, 5°, artikel 5, 8°, artikel 6, derde lid, en artikel 11, eerste lid, van het delegatiebesluit van 27 juli 2004, blijkt dat door verwijzing in het delegatiebesluit naar de bevoegdheid inzake ruimtelijke ordening, en de uitoefening ervan "binnen de perken en met inachtneming van de voorwaarden en modaliteiten die zijn vastgelegd in wetten, decreten, besluiten, en omzendbrieven", de uitzondering op de bevoegdheid van de minister bevoegd voor de Binnenlandse Aangelegenheden inzake onteigeningsmachtigingen aan de gemeenten -"behoudens in de gevallen bepaald in de wet"- ook betrekking heeft op de van het gemeen onteigeningsrecht afwijkende administratieve procedurevoorschriften inzake onteigening bij gezamenlijke goedkeuring van het onteigeningsplan met het bijzonder plan van aanleg, zoals die blijken uit artikel 21 van het op 22 oktober 1996 gecoördineerd decreet betreffende de ruimtelijke ordening en de artikelen 70, §2, en 196bis van het Stedenbouwdecreet
  14. Artikel 21 van het op 22 oktober 1996 gecoördineerd decreet betreffende de ruimtelijke ordening en de artikelen 70, §2, en 196bis van het Stedenbouwdecreet 1999, vormen derhalve samen, een "in de wet bepaald geval", in de zin van artikel 1 van het besluit van 19 december 1991 en artikel 11, eerste lid, van het delegatiebesluit van 27 juli 2004, waarbij de onteigeningsmachtiging niet door de minister bevoegd voor de Binnenlandse Aangelegenheden moet gegeven worden. De jarenlange praktijk van onteigeningsmachtigingen aan gemeenten die samen met een bijzonder plan van aanleg een onteigeningsplan opstelden, door de minister bevoegd voor Ruimtelijke Ordening, is dan ook in overeenstemming met de wet, en de voornoemde omzendbrief BA-99/01 van 23 februari 1999, waarvan de "voorwaarden en modaliteiten", blijkens artikel 6, derde lid, van het delegatiebesluit van 27 juli 2004, bovendien deel uitmaken van de in acht te nemen voorwaarden en modaliteiten van de gedelegeerde beslissingsbevoegdheden, heeft dan ook een wettelijke basis.
  15. Overeenkomstig artikel 7, tweede en derde lid, van de wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake de onteigeningen ten algemene nutte, oordeelt de vrederechter, en de rechtbank van eerste aanleg in graad van beroep, of een met toepassing van de genoemde wet van 26 juli 1962 gevorderde onteigening, regelmatig is ingesteld, of de door de wet voorgeschreven formaliteiten vervuld zijn, en of het plan van de grondinnemingen van toepassing is op het goed waarvan de onteigening wordt gevorderd. Luidens artikel 159 van de Grondwet passen de hoven en rechtbanken de algemene, provinciale en plaatselijke besluiten en verordeningen alleen toe voor zover zij met de wetten overeenstemmen.
  16. Te dezen is bij besluit van 16 juni 2005 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening, de heer D.V.M. (B.S. 30 juni 2005, p. 30.139): "- goedgekeurd het bijgaand bijzonder plan van aanleg ‘Containerpark' van (de eiseres), bestaande uit een plan van de bestaande toestand, een bestemmingsplan met bijbehorende stedenbouwkundige voorschriften en een onteigeningsplan; - verklaard dat het algemeen nut de onteigening vordert van de onroerende goederen aangegeven op het onteigeningsplan; - is aan (de eiseres) machtiging tot onteigenen verleend; - is beslist dat de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigeningen ten algemenen nutte, zoals bepaald in artikel 5 van de wet van 26 juli 1962 op deze onteigeningen kan worden toegepast". Het bestreden vonnis oordeelt, met toepassing van artikel 7, tweede en derde lid, van de wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake de onteigeningen ten algemene nutte, dat het onteigeningsbesluit van 16 juni 2005 aangetast is door machtsoverschrijding, omdat niet de minister van Ruimtelijke Ordening, maar wel "de minister van Binnenlandse Aangelegenheden" bevoegd is, en zegt voor recht dat de vordering van de eiseres moet worden afgewezen en er geen aanleiding bestaat om de onteigeningsprocedure voort te zetten. Het steunt deze beslissing op een bevestiging van de stelling van de eerste rechter en de deskundige, dat artikel 70, §2, van het Stedenbouwdecreet 1999 niet als een andersluidende bepaling in de zin van artikel 1 van het besluit van de Vlaamse regering van 19 december 1991 en artikel 11 van het delegatiebesluit van 27 juli 2004 kan worden beschouwd. Aangezien om de hiervoor toegelichte redenen, die hier als uitdrukkelijk herhaald dienen te worden beschouwd, de minister bevoegd voor Ruimtelijke Ordening, wel bevoegd is om onteigeningsmachtiging te verlenen wanneer, zoals te dezen, het onteigeningsplan tegelijk met het bijzonder plan van aanleg is opgemaakt, miskent het bestreden vonnis de artikelen 16 en 159 van de Grondwet, de artikelen 6, §1, I, 1°, 68, 69 en 79, §1, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, de genoemde artikelen 68 en 69 zoals te dezen van toepassing vóór de opheffing bij artikel 28 van het bijzonder decreet van 7 juli 2006 over de Vlaamse instellingen, de artikelen 1, 7, tweede en derde lid, van de wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake de onteigeningen ten algemene nutte, vervat in artikel 5 van de wet van 26 juli 1962 betreffende de onteigeningen ten algemene nutte en de concessies voor de bouw van autosnelwegen, de artikelen 69, §1 en §2, eerste lid, 70, §2, 73, 196bis van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, de artikelen 19 en 21 van het op 22 oktober 1996 gecoördineerd decreet op de ruimtelijke ordening, de artikelen 59, 64 en 70 decreet van 21 november 2003 houdende wijziging van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening en van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, de artikelen 3 en 4 van het decreet van 13 april 1988 tot bepaling van de gevallen en de modaliteiten waarbij de Vlaamse Executieve kan overgaan tot onteigeningen ten algemenen nutte inzake de gewestelijke aangelegenheden, de artikelen 1 en 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 december 1991 inzake onteigeningen ten algemene nutte ten behoeve van de gemeenten, de provincies, de intercommunale verenigingen en de gewestelijke ontwikkelingsmaatschappijen, de artikelen 3, §6, eerste lid, 5°, en derde lid, 5, 8°, 6 en 11, eerste lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 juli 2004 tot bepaling van de bevoegdheden van de leden van de Vlaamse Regering, het genoemde artikel 3 zoals van toepassing vóór de vervanging bij besluit van de Vlaamse Regering van 28 juni 2007 tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 juli 2004 tot bepaling van de bevoegdheden van de leden van de Vlaamse Regering, en, voor zoveel als nodig, artikel 26, eerste lid, van het op 22 oktober 1996 gecoördineerd decreet op de ruimtelijke ordening, zoals van toepassing vóór de opheffing bij artikel 64 van het decreet van 21 november 2003 houdende wijziging van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening en van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, en sub 1.1 van de omzendbrief BA-99/01 van 23 februari 1999 "betreffende de onteigeningen voor algemeen nut: algemene administratieve vormvereisten, onteigeningen in toepassing van het decreet Ruimtelijke Ordening, aangevuld met concrete toepassing voor de verwerving van bedrijventerreinen", en kon het bestreden vonnis dienvolgens niet wettig de onregelmatigheid van het ministerieel besluit van 16 juni 2005 weerhouden, en de vordering van de eiseres als onteigenaar, afwijzen (schending van dezelfde bepalingen). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
  17. Krachtens artikel 11, eerste lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 juli 2004 tot bepaling van de bevoegdheden van de leden van de Vlaamse Regering (hierna het Delegatiebesluit), heeft de Vlaamse minister, bevoegd voor de Binnenlandse Aangelegenheden, delegatie om onteigeningsmachtigingen te verlenen ten algemenen nutte, behoudens in de gevallen bepaald in de wet, aan de gemeenten, de provincies, de intergemeentelijke samenwerkingsverbanden en de erkende provinciale ontwikkelingsmaatschappijen, overeenkomstig het besluit van de Vlaamse Regering van 19 december 1991 inzake onteigeningen ten algemenen nutte ten behoeve van de gemeenten, de provincies, de intercommunale verenigingen en de gewestelijke ontwikkelingsmaatschappijen. Krachtens artikel 3, §6, 5°, van het Delegatiebesluit, zoals te dezen van toepassing, is de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening bevoegd voor de ruimtelijke ordening, vermeld in artikel 6, §1, I, 1°, 2°, 4°, 5°, 6° en 7°, van de bijzondere wet: a) de stedenbouw en de ruimtelijke ordening; b) de rooiplannen van de gemeentewegen; c) de stadsvernieuwing; d) de vernieuwing van afgedankte bedrijfsruimten; e) het grondbeleid; f) de monumenten en de landschappen, alsook het archeologisch patrimonium en het varend erfgoed. Krachtens artikel 70, §2, eerste lid, van het decreet van het Vlaamse Parlement van 18 mei 1999 betreffende de ruimtelijke ordening (hierna: het Stedenbouwdecreet 1999), wordt het onteigeningsplan dat ter uitvoering van dit decreet tegelijkertijd met het ruimtelijk uitvoeringsplan wordt opgemaakt, tegelijk met het ruimtelijk uitvoeringsplan onderworpen aan de procedureregels bepaald voor het opmaken van dat ruimtelijk uitvoeringsplan. Evenwel wordt een uitvoeringsplan dat gekoppeld is aan een gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan dat ter goedkeuring aan de bestendige deputatie wordt voorgelegd, niet aan die bestendige deputatie maar aan de Vlaamse Regering ter goedkeuring voorgelegd, na de goedkeuring van het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan door de bestendige deputatie. De Vlaamse Regering beslist over het onteigeningsplan en verleent een onteigeningsmachtiging conform de wetgeving inzake onteigeningen. Krachtens artikel 196bis, eerste lid, van het Stedenbouwdecreet 1999, is deze bepaling eveneens van toepassing bij de verwerving van onroerende goederen, vereist voor de verwezenlijking van de plannen van aanleg, bedoeld in het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober
  18. Uit deze bepalingen volgt dat het artikel 70, §2, eerste lid, van het Stedenbouwdecreet 1999 juncto het artikel 196bis, eerste lid, van dit decreet, voorzien in een uitzondering in de zin van het artikel 11 van het Delegatiebesluit op de bevoegdheid van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden en dat, ingeval het onteigeningsplan tegelijk met het plan van aanleg wordt opgemaakt, de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening, bevoegd voor het goedkeuren van het plan van aanleg, ook de bevoegdheid heeft het onteigeningsplan goed te keuren en de daarmee verbonden bevoegdheid tot het verlenen van de onteigeningsmachtiging.
  19. De appelrechters, die oordelen dat, ook al werd het onteigeningsplan tegelijk met het plan van aanleg opgemaakt, te dezen enkel de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden en niet de Vlaamse minister van Ruimtelijke Ordening de bevoegdheid heeft de onteigeningsmachtiging te verlenen, schenden voormelde bepalingen. Het middel is in zoverre gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde vonnis. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de zaak naar de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, zitting houdende in hoger beroep. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, en de raadsheren Eric Dirix, Beatrijs Deconinck, Alain Smetryns en Koen Mestdagh, en in openbare terechtzitting van 21 juni 2010 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100621.7 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100621.7 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100622.5 ECLI:BE:CASS:2012:CONC.20120322.5 ECLI:BE:CASS:2013:CONC.20130614.5 ECLI:BE:CASS:2014:CONC.20140227.1 ECLI:BE:RVSCE:2013:ARR.223.319 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.