id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 24 juni 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100624.18 Rolnummer: C.08.0621.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2010-11-25 Raadplegingen: 214 - laatst gezien 2026-07-02 16:52 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Het neerleggen van een door hem opgemaakt plan van zijn jachtterrein ontslaat de indiener ervan niet om in geval van betwisting van zijn jachtrechten voor de rechtbank, dit jachtrecht te bewijzen overeenkomstig de regels van het burgerlijk recht. Thesaurus CAS: JACHT UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BIJZONDERE STRAFWETTEN - Jacht en visvangst - Jacht Vrije woorden: Jachtrecht - Neerlegging plan jachtterrein door de houder - Betwisting jachtrecht voor de rechtbank - Bewijs Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Art. 1315 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 870 Decreet Vlaamse Raad - 24-07-1991 - Art. 7 Thesaurus CAS: BEWIJS - BURGERLIJKE ZAKEN - Bewijsvoering UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BIJZONDERE STRAFWETTEN - Jacht en visvangst - Jacht Vrije woorden: Jachtrecht - Neerlegging plan jachtterrein door de houder - Betwisting jachtrecht voor de rechtbank Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Art. 1315 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 870 Decreet Vlaamse Raad - 24-07-1991 - Art. 7 Tekst van de beslissing Nr. C.08.0621.N V.L., eiser, vertegenwoordigd door mr. Ludovic De Gryse, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, waar de eiser woonplaats kiest, tegen
- V.L.,
- V.W., verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 26 mei 2008 gewezen door het hof van beroep te Antwerpen. Raadsheer Eric Stassijns heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Het verzoekschrift is aan dit arrest gehecht en maakt er deel van uit. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
- In zoverre het onderdeel die schending aanvoert van artikel 1138, 2° van het Gerechtelijk Wetboek, gaat het ervan uit dat de verweerders eisers jachtrechten alleen betwisten in zoverre zij betrekking hebben op de gronden van de familie S.
- Uit de conclusie door de verweerders neergelegd op de griffie van het hof van beroep te Antwerpen op 24 oktober 2007, blijkt dat zij hebben aangevoerd: "Los daarvan dient vastgesteld te worden dat (de eiser) tot op heden in gebreke blijft aan te tonen op welke gronden (de eiser) meent over een jachtrecht te beschikken" en "(De eiser) beweert omvangrijke jachtrechten te bezitten doch weigert evenwel te bewijzen op welke gronden hij een jachtrecht zou hebben".
- Hieruit blijkt dat de verweerders betwisting hebben gevoerd, niet alleen over de gronden van de familie S., maar over alle gronden waarvan de eiser het jachtrecht opeiste. Hieruit volgt dat de appelrechters die oordelen dat de eiser niet aantoont dat hij titularis is van het subjectief recht dat hij aanvoert, in casu het recht om op bepaalde niet nader vermelde percelen te jagen, geen uitspraak doen over niet gevorderde zaken. Het onderdeel mist in zoverre feitelijke grondslag.
- De maatregelen die de eiser vorderde hebben betrekking op het geheel van zijn jachtgebied. De oplossing van de vraag of de eiser al dan niet jachtrechten bezit op de gronden van de familie S. , is niet relevant voor de oplossing van de vraag of de gevorderde maatregelen kunnen worden toegekend. De appelrechters die oordelen dat de eiser niet aantoont op welke percelen hij een jachtrecht bezit, dienden niet te antwoorden op het doelloos geworden verweer van de eiser omtrent zijn jachtrecht op de eigendom van de familie S. , dat slechts betrekking heeft op een deel van zijn beweerd jachtgebied.
- De vaststelling dat de eiser zijn jachtrecht op bepaalde percelen niet aantoont, laat het Hof toe zijn wettigheidscontrole uit te oefenen. In zoverre het onderdeel schending aanvoert van artikel 149 van de Grondwet kan het niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
- In zoverre het onderdeel de schending aanvoert van de artikelen 1315 van het Burgerlijk Wetboek en 870 van het Gerechtelijk Wetboek, gaat het uit van de in het eerste onderdeel vergeefs aangevoerde stelling dat de verweerders het jachtrecht van de eiser alleen betwisten in zoverre het betrekking heeft op de gronden eigendom van de familie S. Het onderdeel is in zoverre niet ontvankelijk.
- Artikel 7 van het Jachtdecreet van 24 juli 1991 legt elke houder van het jachtrecht die op welke wijze ook van zijn recht gebruik maakt de verplichting op een door hem opgemaakt plan van zijn jachtterrein met aanduiding van de percelen waarbinnen hij geen jachtrecht heeft in te dienen bij de arrondissementscommissaris of de door de Vlaamse Executieve aan te wijzen ambtenaar, in wiens ambtsgebied het jachtterrein of het grootste gedeelte ervan is gelegen. Het neerleggen van een dergelijk plan ontslaat de indiener ervan niet om in geval van betwisting van zijn jachtrechten voor de rechtbank, dit jachtrecht te bewijzen overeenkomstig de regels van het burgerlijk recht. In zoverre het onderdeel uitgaat van het tegendeel, faalt het naar recht. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. Bepaalt de kosten op de som van 530,36 jegens de eisende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit raadsheer Eric Dirix, waarnemend voorzitter, als voorzitter, en de raadsheren Eric Stassijns en Alain Smetryns, en in openbare terechtzitting van 24 juni 2010 uitgesproken door raadsheer Eric Dirix, waarnemend voorzitter, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100624.18 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div