← België

ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100624.2

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 24 juni 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100624.2 Rolnummer: C.09.0365.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Insolventierecht - Burgerlijk recht - Belastingrecht Invoerdatum: 2010-07-02 Raadplegingen: 1020 - laatst gezien 2026-07-02 16:50 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100624.2 Fiche 1 Schuldvergelijking na faillissement is in beginsel uitgesloten; in de gevallen waar er een nauwe samenhang bestaat tussen de schuldvorderingen, is de schuldvergelijking mogelijk ook al zijn de voorwaarden voor schuldvergelijking eerst na het faillissement in vervulling gegaan; schuldvergelijking blijft dus in beginsel uitgesloten tussen schulden en schuldvorderingen ontstaan vóór het faillissement en schuldvorderingen en schulden ontstaan na het faillissement, ook al is er samenhang

(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M; Op 24 juni 2010 heeft het Hof een analoog arrest uitgesproken in de zaak F.O9.OO85.N. Thesaurus CAS: FAILLISSEMENT, FAILLISSEMENTSAKKOORD EN GERECHTELIJK AKKOORD - ALLERLEI UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSEN UIT OVEREENKOMST - Tenietgaan verbintenis - Schuldvergelijking Vrije woorden: Schulden en schuldvorderingen ontstaan vóór en na het faillissement - Mogelijkheden tot schuldvergelijking Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Art. 1298 Wet - 08-08-1997 - Art. 17.2 Fiches 2 - 3 Artikel 334 van de programmawet van 27 december 2004, dat de schuldvergelijking na samenloop ook mogelijk maakt tussen niet-samenhangende vorderingen, geldt alleen voor vorderingen die ontstaan zijn vóór de samenloop, te dezen, vóór de faillietverklaring; die bepaling laat derhalve geen schuldvergelijking toe tussen een fiscale schuldvordering ontstaan vóór de faillietverklaring van de belastingschuldige en fiscale tegoeden die aan de curator dienen te worden terugbetaald ingevolge de handelsverrichtingen voortgezet door hem na de faillietverklaring van de betrokken belastingplichtige
(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M.; Op 24 juni 2010 heeft het Hof een analoog arrest uitgesproken in de zaak F.09.0058.N. Thesaurus CAS: FAILLISSEMENT, FAILLISSEMENTSAKKOORD EN GERECHTELIJK AKKOORD - ALLERLEI UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSEN UIT OVEREENKOMST - Tenietgaan verbintenis - Schuldvergelijking Vrije woorden: Faillissement - Fiscale schuldvordering ontstaan vóór het faillissement - Fiscaal tegoed ontstaan na het faillissement - Mogelijkheden tot schuldvergelijking Wettelijke bepalingen: Wet - 27-12-2004 - Art. 334 Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - RECHTEN, TENUITVOERLEGGING EN VOORRECHTEN VAN DE SCHATKIST UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSEN UIT OVEREENKOMST - Tenietgaan verbintenis - Schuldvergelijking Vrije woorden: Faillissement - Fiscale schuldvordering ontstaan vóór het faillissement - Fiscaal tegoed ontstaan na het faillissement - Mogelijkheden tot schuldvergelijking Wettelijke bepalingen: Wet - 27-12-2004 - Art. 334 Fiches 4 - 6 Conclusie van advocaat-generaal THIJS. Thesaurus CAS: FAILLISSEMENT, FAILLISSEMENTSAKKOORD EN GERECHTELIJK AKKOORD - ALLERLEI UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSEN UIT OVEREENKOMST - Tenietgaan verbintenis - Schuldvergelijking Vrije woorden: Schulden en schuldvorderingen ontstaan vóór en na het faillissement - Mogelijkheden tot schuldvergelijking Faillissement - Fiscale schuldvordering ontstaan vóór het faillissement - Fiscaal tegoed ontstaan na het faillissement - Mogelijkheden tot schuldvergelijking Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - RECHTEN, TENUITVOERLEGGING EN VOORRECHTEN VAN DE SCHATKIST UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSEN UIT OVEREENKOMST - Tenietgaan verbintenis - Schuldvergelijking Vrije woorden: Faillissement - Fiscale schuldvordering ontstaan vóór het faillissement - Fiscaal tegoed ontstaan na het faillissement - Mogelijkheden tot schuldvergelijking Tekst van de beslissing Nr. C.09.0365.N
  1. WILLAERT Herman, advocaat, met kantoor te 8501 Kortrijk-Bissegem, Meensesteenweg 289,
  2. MATTHYS Carmen, advocaat, met kantoor te 8560 Wevelgem-Gullegem, Oude Ieperstraat 4,
  3. CHANTERIE Kristof, advocaat, met kantoor te 8790 Waregem, Stationsstraat 155, allen als curators van het faillissement van de nv Sofinal-Cotesa,
  4. FORTIS BANK, naamloze vennootschap, met zetel te 1000 Brussel, Warandeberg 3, eisers, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de eisers woonplaats kiezen, tegen BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de ontvanger van het btw-ontvangkantoor te Zottegem, met kantoor te 9620 Zottegem, G. Schockaertstraat 4, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, bus 14, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 14 januari 2008 gewezen door het hof van beroep te Gent. Voorzitter Ivan Verougstraete heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd. II. FEITEN Bij vonnis van 14 januari 2003 werd de nv Sofinal Cotesa door de rechtbank van koophandel te Kortrijk failliet verklaard en werden de eerste, tweede en derde eisers aangesteld als curators. Op 5 februari 2003 diende het ontvangkantoor van de btw te Zottegem een provisionele aangifte van schuldvordering in voor een bedrag van 2,00 euro. Naar aanleiding van de vereffening van het faillissement dienden de curatoren bij de btw twee verzamelaangiftes in met betrekking tot de periode na het faillissement. Uit deze aangifte bleek dat de curators 174.545,01 euro meer btw hadden betaald dan ontvangen tijdens de voortzetting der handelsactiviteiten. Bij aangetekend schrijven van 13 maart 2006 deed de btw-administratie afstand van haar aangifte van schuldvordering in het faillissement. Op 15 maart 2006 liet de btw-administratie weten dat het bedrag van 174.545,01 euro niet aan de curators zou worden terugbetaald maar zou worden aangewend ter gedeeltelijke compensatie met de schuld van de gefailleerde bij de administratie der directe belastingen uit de periode van voor het faillissement. Deze schuld bedroeg 498.149,73 euro. De curators betwistten de doorgevoerde schuldvergelijking en vorderden lastens de btw betaling van de som van 174.545,01 euro. De rechtbank van koophandel te Kortrijk sprak vonnis uit op 7 november 2006 waarbij de vordering van de curatoren ontvankelijk doch ongegrond werd verklaard. De rechtbank was van oordeel dat de schuldvergelijking wettig werd doorgevoerd overeenkomstig het artikel 334 Programmawet van 27 december
  5. De curators tekenden hoger beroep aan tegen deze beslissing. Bij arrest van 14 januari 2008 verklaarde het hof van beroep te Gent het hoger beroep ontvankelijk maar ongegrond. Het beroepen vonnis werd volledig bevestigd. III. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden bepalingen - de artikelen 10, 11 en 172 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994; - de artikelen 7 en 8 van de wet van 16 december 1851 op de voorrechten en hypotheken, die Titel XVIII van Boek III van het Burgerlijk Wetboek vormt; - de artikelen 1289, 1290, 1291, eerste lid, en 1298 van het Burgerlijk Wetboek;, - de artikelen 16, 17.2°, 23, 25, 26 en 99 van de Faillissementswet van 8 augustus 1997; - artikel 334 van de Programmawet van 27 december 2004, in zijn versie zoals van toepassing vóór de inwerkingtreding van de wet van 22 december 2008; - artikel 2, tweede lid, van de wet van 3 juli 1969 tot invoering van het Btw-wetboek; - artikel 26, §1, 3° en §2, derde lid, van de Bijzondere Wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof; - het algemeen rechtsbeginsel van de gelijkheid van de schuldeisers bij samenloop, zoals onder meer afgeleid uit artikel 8 van de Hypotheekwet en artikelen 16, 23, 25, 26 en 99 van de Faillissementswet van 8 augustus
  6. Bestreden beslissing Bij het bestreden arrest van 14 januari 2008 verklaart het hof van beroep te Gent, na aan de vierde eiseres akte te hebben verleend van haar vrijwillige tussenkomst, het hoger beroep van de eerste, tweede en derde eisers qq. ontvankelijk, doch ongegrond en bevestigt het vonnis van 7 november 2006 van de rechtbank van koophandel te Kortrijk, waarbij de tegenvordering van de eerste, tweede en derde eisers qq. om de verweerder te veroordelen tot betaling van 174.545,01 euro, vermeerderd met de gerechtelijke rente, ontvankelijk doch onge¬grond werd verklaard. Het hof van beroep te Gent wijst het verzoek tot het stellen van een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof af als ongegrond, veroordeelt de eerste, tweede en derde eisers qq. tot de gedingkosten van de be¬roepsprocedure vereffend in hoofde van de verweerder op 5.000,00 euro rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep en verwijst de vierde eiseres in haar eigen gedingkosten, en dit op de volgende gronden: "
  7. (De eerste, tweede en derde eisers qq.) hebben ingevolge voortgezette handelsactiviteiten na het faillissement een bedrag aan btw-tegoed (tegoed van de boedel). Anderzijds heeft (de verweerder) uit hoofde van directe belastingen een tegoed op de gefailleerde voor handelstransacties van vóór het faillissement (schuldvordering in de massa). Mag er compensatie worden toegepast over de boedels heen? Artikel 334 Programmawet van 27 december 2004 (BS 31 december 2004) bepaalt: ‘Elke som die aan een belastingplichtige moet worden teruggegeven of betaald in het kader van de toepassing van de wettelijke bepalingen inzake de inkomstenbelastingen en de ermee gelijkgestelde belastingen, de belasting over de toegevoegde waarde of krachtens de bepalingen van het burgerlijk recht met betrekking tot de onverschuldigde betaling, kan door de bevoegde ambtenaar zonder formaliteit worden aangewend ter betaling van de door deze belastingschuldige verschuldigde voorheffingen, inkomstenbelastingen en ermee gelijkgestelde belastingen, de belasting over de toegevoegde waarde, in hoofdsom, opcentiemen en verhogingen, fiscale of administratieve geldboeten, intresten en kosten, wanneer deze laatste niet of niet meer worden betwist. Het voorgaande lid blijft van toepassing in geval van beslag, overdracht, samenloop of een insolvabiliteitsprocedure". Artikel 334 (in fine) Programmawet stelt derhalve glashelder dat deze mogelijkheid tot compensatie van toepassing blijft in geval van beslag, overdracht, samenloop of een insolvabiliteitsprocedure onder andere in geval van faillissement. Dit artikel is in werking getreden op 1 januari 2005 (artikel 338 Programmawet). Sindsdien kan (de verweerder) zich op deze voorrangsregel beroepen voor aanwendingen die vanaf 1 januari 2005 gebeuren. De schuldvergelijking kan plaatsvinden op het ogenblik dat de aan te zuiveren schuldvordering en de schuld over en weer eisbaar zijn, in casu op het ogenblik dat het btw-tegoed vaststaand en opeisbaar was. Deze wet dient het algemeen belang, o.a. de fiscale achterstand wegwerken en de invorderingsprocedure doeltreffender maken (Parl. St. Kamer, 2004-2005, DOC 51-1437/001, DOC 51-1438/001, p. 212). Fiscale inkomsten worden aangewend voor overheidsuitgaven die gericht zijn op het algemeen belang. Artikel 334 Programmawet schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet (Grondwettelijk Hof, nr. 54/2006, 19 april 2006, J.T. 2006, 701). De wettekst van het artikel is duidelijk en grondwetconform (Antwerpen, 19 juni 2007, 2006/AR/2590, inzake mr. K. Patroons qq. t.\ de Belgische Staat FOD Financiën, onuitgegeven - stuk 7 verweerder).
  8. De mogelijkheid tot schuldvergelijking ten voordele van (de verweerder), ook na het tussengekomen faillissement, was dus in casu van toepassing vanaf 1 januari
  9. De tegoeden die zijn ontstaan na deze datum, konden gecompenseerd worden met de bedragen die reeds voor het faillissement verschuldigd waren ingevolge het niet betalen van directe belastingen door de nv Sofinal-Cotesa. Bij brief van 28 februari 2006 liet het ontvangkantoor Kortrijk 3 weten dat er voor dezelfde gefailleerde onbetaalde aanslagen bij haar gekend waren voor een bedrag dat de btw-tegoeden overtrof (stuk 1 verweerder), zodat deze tegoeden terecht conform artikel 334 Programmawet werden overgemaakt aan het ontvangkantoor Kortrijk
  10. Bij brief van 13 maart 2006 werden (de eerste, tweede en derde eisers qq.) ingelicht omtrent deze handelswijze (stuk 3, eerste, tweede en derde eisers qq.). De argumentatie van (de eerste, tweede en derde eisers qq.) faalt, gezien de wetgever een sui generis fiscale schuldvergelijking heeft ingevoerd, met zelfs een uitdrukkelijke bepaling om af te wijken van het gelijkheidsbeginsel van de schuldeisers in geval van faillissement (vastgelegd in artikel 1298 BW en artikel 17, 2°, Faill. W.). Alle andere schuldeisers zijn aan deze regel onderworpen. Er wordt geen onderscheid gemaakt volgens de periode waarin de te compenseren schuldvorderingen zijn ontstaan. Er is voldaan aan de voorwaarde van wederkerigheid gelet op artikel 2, 2°, Btw-wetboek, zodat er geen aanleiding is tot het stellen van een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof. De theorie inzake de schuldvergelijking volgens het gemeenrecht - zoals uiteengezet in de door (de eerste, tweede en derde eisers qq.) aangehaalde beschikking van 13 mei 2005 van de beslagrechter te Brussel - is in casu niet van toepassing gelet op artikel 334 Programmawet, welk primeert op de algemene bepalingen inzake de samenloop. Er werd door de wetgever een soort nieuw voorrecht ingevoerd ten voordele van de fiscus. Het is een fiscale schuldvergelijking die sinds 1 januari 2005 zonder formaliteit en zonder rechterlijke machtiging kan worden toegepast. De eerste rechter heeft bijgevolg een terecht oordeel geveld, zodat het vonnis a quo moet worden bevestigd. Grieven Eerste onderdeel
  11. Ingevolge artikel 16, eerste lid, Faillissementswet 1997 verliest de gefailleerde te rekenen van de dag van het vonnis van faillietverklaring van rechtswege het beheer over al zijn goederen, zelfs over de goederen die hij mocht verkrijgen terwijl hij zich in staat van faillissement bevindt. Alle betalingen, verrichtingen en handelingen van de gefailleerde en alle betalingen aan de gefailleerde gedaan vanaf de dag van het vonnis, kunnen niet aan de boedel worden tegengeworpen. Overeenkomstig artikel 7 Hypotheekwet is ieder die persoonlijk verbonden is, dus ook de gefailleerde, gehouden zijn verbintenissen na te komen onder verband van al zijn goederen, hetzij roerende hetzij onroerende, zo tegenwoordige als toekomstige. Naar luid van artikel 8 Hypotheekwet strekken de goederen van de schuldenaar tot gemeenschappelijke waarborg voor zijn schuldeisers en de prijs ervan wordt onder hen naar evenredigheid van hun vordering verdeeld, tenzij er tussen de schuldeisers wettige redenen van voorrang bestaan. De situatie van samenloop, ontstaan ingevolge het vonnis van faillietverklaring, heeft derhalve tot gevolg dat de onderlinge positie tussen de chirografaire en algemeen bevoorrechte schuldeisers van de gefailleerde op onherroepelijke wijze wordt vastgelegd op het ogenblik van de faillietverklaring en dat het gelijkheidsbeginsel, zoals neergelegd in de artikelen 7 en 8 van de Hypotheekwet en bevestigd inzake faillissement in onder meer de artikelen 16, 23, 25, 26 en 99, Faillissementswet 1997, tussen die schuldeisers in acht dient te worden genomen.
  12. Artikel 1289 Burgerlijk Wetboek bepaalt dat wanneer twee personen elkaars schuldenaar zijn, tussen hen schuldvergelijking plaats heeft, waardoor de twee schulden tenietgaan. Schuldvergelijking heeft ingevolge artikel 1290 van het Burgerlijk Wetboek van rechtswege plaats uit kracht van de wet, zelfs buiten weten van de schuldenaars; de twee schulden vernietigen elkaar op het ogenblik dat zij tegelijk bestaan, ten belope van hun wederkerig bedrag. Artikel 1291, eerste lid, Burgerlijk Wetboek preciseert dat schuldvergelijking alleen plaats heeft tussen twee schulden die beide tot voorwerp hebben een geldsom of een zekere hoeveelheid vervangbare zaken van dezelfde soort en die beide vaststaand en opeisbaar zijn. Schuldvergelijking kan aldus worden beschouwd als een tweevoudig ingekorte betaling, waardoor de wederzijdse verbintenissen tenietgaan tot beloop van de laagste ervan. Luidens artikel 1298 Burgerlijk Wetboek heeft de schuldvergelijking niet plaats ten nadele van de verkregen rechten van de schuldeisers. Overeenkomstig artikel 17,2°, Faillissementswet 1997 kan betaling bij schuldvergelijking wegens niet vervallen of vervallen schulden niet aan de boedel worden tegengeworpen wanneer zij door de schuldenaar is verricht sinds het door de rechtbank bepaalde tijdstip van staking van betaling. Uit deze in hun onderlinge samenhang gelezen bepalingen volgt dat vanaf het ontstaan van een situatie van samenloop met betrekking tot de titularis van de vordering of de vordering zelf, in beginsel elke schuldvergelijking ten nadele van de in samenloop zijnde schuldeisers uitgesloten is omdat hierdoor, precies ingevolge het uitdovend karakter van de schuldvergelijking, afbreuk zou worden gedaan aan de gelijkheid tussen de schuldeisers, tenzij alle voorwaarden voor de (wettelijke) schuldvergelijking reeds vervuld waren voor het tijdstip van het faillissement.
  13. Op het principieel verbod van schuldvergelijking na faillissement wordt een uitzondering gemaakt wanneer er samenhang bestaat tussen de wederzijdse schuldvorderingen. De samenhangende vorderingen moeten echter ontstaan zijn vóór de samenloop, nu de onderlinge positie van de schuldeisers wordt vastgesteld op het ogenblik van de faillietverklaring en de gelijkheid tussen hen zou worden miskend en doorbroken mochten schuldvorderingen, ontstaan vóór de faillietverklaring, worden gecompenseerd met schulden na de faillietverklaring vermits de schuldeisers zich anders aan de gevolgen van de samenloop kunnen onttrekken.
  14. Bij artikel 334 Programmawet van 27 december 2004 heeft de wetgever, met ingang van 1 januari 2005, een ter zake van het gemeen recht afwijkende compensatieregeling ingevoerd. Deze bepaling in haar oorspronkelijke versie luidt als volgt: "Elke som die aan een belastingplichtige moet worden teruggegeven of betaald in het kader van de toepassing van de wettelijke bepalingen inzake de inkomstenbelastingen en de ermee gelijkgestelde belastingen, de belasting over de toegevoegde waarde of krachtens bepalingen van het burgerlijk recht met betrekking tot de onverschuldigde betaling, kan door de bevoegde ambtenaar zonder formaliteit worden aangewend ter betaling van de door deze belastingschuldige verschuldigde voorheffingen, inkomstenbelastingen en ermee gelijkgestelde belastingen, de belasting over de toegevoegde waarde, in hoofdsom, opdeciemen en verhogingen, fiscale of administratieve geldboeten, intresten en kosten, wanneer deze laatste niet of niet meer worden betwist. Het voorgaande lid blijft van toepassing in geval van beslag, overdracht, samenloop of een insolvabiliteitsprocedure". Uit de parlementaire voorbereiding van artikel 334 Programmawet van 27 december blijkt: - dat de wetgever een maatregel heeft willen nemen om de fiscale achterstand te doen verdwijnen en dat hij meer bepaald heeft willen voorkomen dat belastingskredieten worden terugbetaald aan een belastingschuldige die voor een andere belasting nog schuldenaar is van de belastingadministratie (Parl. St., Kamer, 2004-2005, Doc. 51-1437/001, DOC 51-1438/001, p. 212); - dat er in de toenmalige stand van de wetgeving geen enkele vorm van schuldvergelijking bestond tussen de schuldvorderingen zoals bedoeld in artikel 166, KB WIB 92 en de schuldvorderingen met betrekking tot de belasting over de toegevoegde waarde (Parl. St., Kamer, 2004-2005, DOC 51-1437/001, Doc 51-1438/001, p. 211); Teneinde aan deze situatie te verhelpen heeft de wetgever voorzien in een wettelijke schuldvergelijking die afwijkt van de regel van de gelijkheid van de schuldeisers zoals die met name is bepaald in artikel 1298 van het Burgerlijk Wetboek of in artikel 17, 2°, Faillissementswet 1997 (Parl. St., Kamer, 2004-2005, DOC 51-1437/027, p. 37-38). Ingevolge artikel 334 Programmawet van 27 december 2004 blijft derhalve, ook na faillissement, schuldvergelijking mogelijk tussen ondermeer de door de belastingschuldige verschuldigde inkomstenbelastingen en elke som die hem moet worden terugbetaald in het kader van de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde, zonder dat die schuldvorderingen samenhangend hoeven te zijn. De wetgever is echter niet afgeweken van de gemeenrechtelijke voorwaarde dat die schuldvorderingen moeten ontstaan zijn vóór de samenloop. Uit de parlementaire voorbereiding van artikel 334 Programmawet van 27 december 2004 blijkt immers dat de wetgever wou verhelpen aan de toenmalige stand van de wetgeving die geen enkele vorm van schuldvergelijking toeliet tussen schuldvorderingen bedoeld in artikel 166 KB WIB92 en schuldvorderingen met betrekking tot de belasting over de toegevoegde ‘waarde. Uit de parlementaire voorbereiding blijkt echter niet dat de wetgever ook schuldvergelijking wou toestaan tussen fiscale schulden, ontstaan voor de faillietverklaring van de belastingschuldige en fiscale tegoeden die aan de curator dienen te worden terugbetaald ingevolge de handelsverrichtingen voortgezet door hem na de faillietverklaring van de betrokken belastingschuldige.
  15. De appelrechters stellen vast dat de eerste, tweede en derde eisers qq., ingevolge voortgezette handelsactiviteiten na het faillissement, een bedrag aan btw-tegoed hebben (tegoed van de boedel) en dat verweerder uit hoofde van directe belastingen een tegoed heeft op de gefailleerde voor handelstransacties van vóór het faillissement (schuldvordering in de boedel) (...). De appelrechters konden niet wettig beslissen dat, gelet op artikel 334 Programmawet van 27 december 2004, er geen onderscheid dient te worden gemaakt volgens de periode waarin de te compenseren schuldvorderingen zijn ontstaan en dat de tegoeden, ontstaan na het faillissement, konden worden gecompenseerd met de bedragen die reeds voor het faillissement verschuldigd waren ingevolge het niet betalen van directe belastingen door de gefailleerde (...). Ingevolge artikel 334 Programmawet van 27 december 2004 is fiscale schuldvergelijking weliswaar mogelijk na faillissement, ook al zijn de voorwaarden van de schuldvergelijking niet vervuld voor de faillietverklaring en ook al bestaat er geen samenhang tussen de wederzijdse vorderingen. Deze wetsbepaling wijkt echter niet af van de gemeenrechtelijke voorwaarde dat de wederzijdse vorderingen moeten ontstaan zijn voor de faillietverklaring van de belastingschuldige. De gemeenrechtelijke regels blijven gelden in fiscale zaken voor zover bijzondere of fiscale wetten er niet van afwijken. Door te beslissen dat artikel 334 Programmawet van 27 december 2004 de fiscale schuldvergelijking ook toelaat tussen een btw-tegoed, ontstaan na het faillissement, en directe belastingen die reeds voor het faillissement door de gefailleerde verschuldigd waren, geven de appelrechters aan voormeld artikel 334 Programmawet een draagwijdte die het niet heeft en schenden ze deze wetsbepaling in haar versie, zoals van toepassing voor de inwerkingtreding van de wet van 22 december
  16. De appelrechters konden op die gronden, wat betreft de schuldvergelijking tussen een tegoed van de boedel en een schuldvordering in de boedel, dan ook niet wettig beslissen om af te wijken van het gelijkheidsbeginsel van de schuldeisers in geval van faillissement nu het artikel 334 Programmawet van 27 december 2004 op dit punt niet afwijkt van de gemeenrechtelijke regels. Door niettemin van dit beginsel af te wijken, schenden de appelrechters de artikelen 7 en 8 Hypotheekwet van 16 december 1851, 16, eerste lid, Faillissementswet 1997 en het algemeen rechtsbeginsel van de gelijkheid van de schuldeisers bij samenloop, zoals tevens neergelegd in artikelen 7 en 8 Hypotheekwet en artikelen 16, 23, 25, 26 en 99 Faillissementswet 1997, evenals de voornoemde artikelen 23, 25, 26 en 99 Faillissementswet van 8 augustus
  17. Door op die gronden de fiscale schuldvergelijking toe te laten tussen schulden van de gefailleerde, ontstaan vóór de faillietverklaring, en tegoeden ontstaan ingevolge de voortzetting van de handelsactiviteiten door de curators na de faillietverklaring, schenden de appelrechters tevens de artikelen 1289, 1290, 1291, eerste lid en 1298 Burgerlijk Wetboek en de artikelen 16, eerste lid en 17, 2°, Faillissementswet
  18. Luidens artikel 2, tweede lid, Btw-wetboek worden de handelingen verricht door de curator van een gefailleerde belastingplichtige ter uitvoering van de hem toevertrouwde opdracht, of door een derde onder toezicht van de curator, geacht door de gefailleerde zelf te zijn verricht. Dit artikel laat de curator evenmin toe om, ingevolge de voortzetting van de handelsactiviteiten van de gefailleerde, de gelijkheid tussen de schuldeisers in samenloop te doorbreken en heeft evenmin tot gevolg dat btw-tegoeden, ontstaan na het faillissement ingevolge de voortzetting der handelsactiviteiten, mogen worden gecompenseerd met directe belastingen die reeds vóór het faillissement door de gefailleerde verschuldigd waren. Het hof van beroep schendt artikel 2, tweede lid, Btw-wetboek indien het bestreden arrest aldus dient te worden gelezen dat er, ingevolge deze wetsbepaling, schuldverge¬lijking mogelijk is tussen directe belastingen, verschuldigd vóór het faillissement en btw-tegoeden ontstaan na het faillissement. Tweede onderdeel
  19. Indien artikel 334 Programmawet van 27 december 2004 in zijn oorspronkelijke versie aldus zou dienen te worden geïnterpreteerd dat het wel schuldvergelijking mogelijk maakt tussen een fiscale schuld, ontstaan vóór de faillietverklaring, en een fiscaal tegoed, ontstaan na de faillietverklaring ingevolge de voortzetting van de handelsverrichtingen van de gefailleerde door de curator, zonder dat er samenhang bestaat tussen de wederzijdse schuldvorderingen, dan vertoont het een discriminatoir karakter ten opzichte van de andere schuldeisers die enkel schuldvergelijking kunnen inroepen op voorwaarde dat de wederzijdse schuldvorderingen samenhangend zijn
(1)en ontstaan zijn voor de faillietverklaring
(2). Dit verschil in behandeling berust weliswaar op een objectief criterium, namelijk de hoedanigheid van de schuldeiser, die in het eerste geval de Schatkist is en in het andere geval een andere schuldeiser. Het betwiste mechanisme van de wettelijke schuldvergelijking is echter onevenredig en niet redelijk verantwoord in zoverre het de schuldvergelijking toestaat tussen een fiscale schuld, ontstaan en verschuldigd voor het faillissement, en een btw-tegoed ontstaan ingevolge de voortzetting van de activiteiten door de curator na het faillissement vermits dit btw-tegoed een vordering vormt van de boedel die van een andere aard is dan de schuldvorderingen ontstaan uit verrichtingen van voor het faillissement, zonder dat daarenboven enige samenhang tussen die vorderingen vereist is. Dit mechanisme kan bezwaarlijk als redelijk verantwoord worden beschouwd in het licht van het doel en de gevol¬gen van de getroffen maatregel nu het geen rekening houdt met de onderlinge positie tussen de chirografaire en algemeen bevoorrechte schuldeisers, zoals onherroepelijk vastgesteld op het ogenblik van het faillissement, en aldus het gelijkheidsbeginsel tussen die schuldeisers, zijnde een fundamenteel beginsel in het Belgisch privaatrecht, miskent en doorbreekt. Door artikel 334 Programmawet van 27 december 2004 grondwetconform te verklaren en van dit artikel toepassing te maken, schendt het hof van beroep de artikelen 10, 11 en 172 van de gecoördineerde Grondwet, artikel 334 Programmawet van 27 december 2004 in zijn oorspronkelijke versie en voor zoveel als nodig de artikelen 1298 van het Burgerlijk Wetboek, de artikelen 16 en 17, 2°, Faillissementswet
  1. Het hof van beroep kon bijgevolg niet wettig het stellen van een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof weigeren en schendt derhalve artikel 26, §2, derde lid, Bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof.
  2. Het hof van beroep kon evenmin wettig beslissen dat er geen aanleiding is tot het stellen van een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof gelet op artikel 2 Btw-wetboek. Luidens artikel 2, tweede lid, Btw-wetboek worden de handelingen verricht door de curator van een gefailleerde belastingplichtige ter uitvoering van de hem toevertrouwde opdracht, of door een derde onder toezicht van de curator, geacht door de gefailleerde zelf te zijn verricht. Dit artikel heft echter de aangevoerde ongelijkheid tussen de schuldeisers van de gefailleerde, die zich bevinden in een toestand van samenloop, niet op. Het hof van beroep schendt tevens het artikel 2, tweede lid, Btw-wetboek indien het bestreden arrest aldus dient te worden gelezen dat de aangevoerde ongelijkheid door dit artikel wordt opgeheven.
  3. De eisers verzoeken het Hof dienaangaande overeenkomstig artikel 26, §1, 3°, Bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof: "Schendt artikel 334 van de Programmawet van 27 december 2004 in zijn oor¬spronkelijke versie het door de gecoördineerde Grondwet in de artikelen 10, 11 en 172 gewaarborgde gelijkheids- en niet-discriminatiebeginsel, wanneer het aldus wordt uitgelegd dat het de Belgische Staat toelaat de wettelijke schuldvergelijking toe te passen tussen een fiscale schuld die reeds voor het faillissement verschuldigd was ingevolge het niet betalen van directe belastingen en een btw-tegoed, ontstaan na het faillissement ingevolge de voortzetting van de handelsactiviteiten van de gefailleerde door de curator, doordat aldus een niet redelijk verantwoord onderscheid wordt gemaakt tussen de Belgische Staat en de andere chirografaire en algemeen bevoorrechte schuldeisers van een gefailleerde, die zich enkel kunnen beroepen op de wettelijke schuldvergelijking op voorwaarde dat de wederzijdse vorderingen samenhangend zijn
(1)en ontstaan zijn voor de faillietverklaring
(2)". IV. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
  1. Het faillissement heeft de vorming van een boedel en een samenloop tussen de schuldeisers van de gefailleerde tot gevolg zodat tussen deze schuldeisers, de schuldeisers in de boedel, het gelijkheidsbeginsel van toepassing is.
  2. Overeenkomstig artikel 17.2 van de Faillissementswet 1997 kan betaling bij schuldvergelijking wegens niet-vervallen of vervallen schulden niet aan de boedel worden tegengeworpen wanneer zij door de schuldenaar is verricht sinds het door de rechtbank bepaalde tijdstip van staking van betaling. Artikel 1298 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt in het algemeen dat schuldvergelijking geen plaatsheeft ten nadele van de verkregen rechten van derden. Uit deze regels, die een toepassing zijn van het beginsel van de gelijkheid van de schuldeisers na samenloop en van het fixatiebeginsel, vloeit voort dat schuldvergelijking na faillissement in beginsel uitgesloten is. Het erkennen van de schuldvergelijking in de gevallen waar er een nauwe samenhang bestaat tussen de schuldvorderingen, tast echter de regel van de gelijkheid van de schuldeisers bij faillissement niet aan. Aldus is in die omstandigheden, de schuldvergelijking mogelijk ook al zijn de voorwaarden voor schuldvergelijking eerst na het faillissement in vervulling gegaan. Schuldvergelijking blijft dus in beginsel uitgesloten tussen schulden en schuldvorderingen ontstaan vóór het faillissement en schuldvorderingen en schulden ontstaan na het faillissement, ook al is er samenhang.
  3. Artikel 334, eerste lid, van de Programmawet van 27 december 2004, zoals hier van toepassing (hierna: Programmawet) bepaalt dat elke som die aan een belastingschuldige moet worden teruggegeven of betaald in het kader van de toepassing van de wettelijke bepalingen inzake de inkomstenbelastingen en de ermee gelijkgestelde belastingen, de belasting over de toegevoegde waarde of krachtens de bepalingen van het burgerlijk recht met betrekking tot de onverschuldigde betaling, kan door de bevoegde ambtenaar zonder formaliteit worden aangewend ter betaling van de door deze belastingschuldige verschuldigde voorheffingen, inkomstenbelastingen en ermee gelijkgestelde belastingen, de belasting over de toegevoegde waarde, in hoofdsom, opcentiemen en verhogingen, fiscale of administratieve geldboeten, interest en kosten, wanneer deze laatste niet of niet meer worden betwist. Krachtens het tweede lid van dit artikel blijft die bepaling van toepassing in geval van beslag, overdracht, samenloop of een insolvabiliteitsprocedure.
  4. Uit de parlementaire voorbereiding van de Programmawet blijkt dat artikel 334 de mogelijkheden tot schuldvergelijking heeft willen verruimen ten voordele van de Staat inzonderheid door te bepalen dat de schuldvergelijking na samenloop ook mogelijk is tussen niet-samenhangende vorderingen. Die bijzondere regeling die gedeeltelijk afwijkt van de bepaling van artikel 1298 Burgerlijk Wetboek geldt nochtans alleen voor vorderingen die ontstaan zijn vóór de samenloop, te dezen, vóór de faillietverklaring. Zij strekt er niet toe een mogelijkheid te geven aan de Staat om een fundamentele afwijking toe te staan van het gelijkheidsbeginsel en het fixatiebeginsel die aan de basis liggen van de artikelen 1298 Burgerlijk Wetboek en 17.2 Faillissementswet.
  5. Artikel 334 Programmawet laat derhalve geen schuldvergelijking toe tussen een fiscale schuldvordering ontstaan voor de faillietverklaring van de belastingschuldige en fiscale tegoeden die aan de curator dienen te worden terugbetaald ingevolge de handelsverrichtingen voortgezet door hem na de faillietverklaring van de betrokken belastingschuldige.
  6. De appelrechters die vervolgens beslissen dat ingevolge artikel 334 "compensatie van toepassing blijft in geval van beslag, overdracht, samenloop of een insolvabiliteitsprocedure o.a. in geval van faillissement" en dat "de schuldvergelijking kan plaatsvinden op het ogenblik dat de aan te zuiveren schuldvordering en de schuld over en weer eisbaar zijn, in casu op het ogenblik dat het btw-tegoed vaststaand en opeisbaar was", verantwoorden hun beslissing niet naar recht. Het onderdeel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Brussel. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Edward Forrier, en de raadsheren Eric Dirix, Alain Smetryns en Geert Jocqué, en in openbare terechtzitting van 24 juni 2010 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100624.2 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100624.2 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2014:CONC.20140515.3 ECLI:BE:CASS:2016:CONC.20160916.5 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240606.1N.9 ECLI:BE:GHCC:2012:ARR.151 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110204.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.