id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 24 juni 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2010:
Art. 3
, derde lid Thesaurus CAS: MERKEN - GEMEENSCHAPSMERK UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INTELLECTUELE RECHTEN - Merk - Beneluxmerk - Onderscheidend karakter - inburgering Vrije woorden: Onderscheidend vermogen door gebruik - Beoordelingscriteria Wettelijke bepalingen: Wet - 22-03-2006 - Artt. 2.28.2 en 5.3 Richtlijn EG/
Art. 3
, derde lid Fiches 3 - 4 De verduidelijking door het Hof van Justitie dat een teken door het gebruik onderscheidend vermogen kan krijgen, ook al wordt het gebruikt in combinatie met een woord- of beeldmerk, doet niets af aan zijn rechtspraak dat, wat de verkrijging van het onderscheidend vermogen door gebruik betreft, de betrokken kringen de waar of de dienst als afkomstig van een bepaalde onderneming moeten identificeren op basis van het gebruik van het teken als merk
(1).
(1)H.v.J., 18 juni 2002, zaak Philips, C-299/99, Jur. 1-5475, r.o. 64, zaak Société des produits Nestlé t. Mars UK Ltd, C-353/03, Jur. I - 1635, r.o. 26 en 22 juni 2006, zaak Storck t. BHIM, C-24/05 P, Jur. 1-5677, r.o. 61. Thesaurus CAS: MERKEN - BENELUX-MERK UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INTELLECTUELE RECHTEN - Merk - Beneluxmerk - Onderscheidend karakter - inburgering Vrije woorden: Onderscheidend vermogen door gebruik - Verkrijging - Vereiste Wettelijke bepalingen: Richtlijn EG/
Art. 3
, derde lid Thesaurus CAS: MERKEN - GEMEENSCHAPSMERK UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INTELLECTUELE RECHTEN - Merk - Beneluxmerk - Onderscheidend karakter - inburgering Vrije woorden: Onderscheidend vermogen door gebruik - Verkrijging - Vereiste Wettelijke bepalingen: Richtlijn EG/
Art. 3
, derde lid Fiches 5 - 6 De feitenrechter oordeelt onaantastbaar of er sprake is van gebruik waardoor een merk onderscheidend vermogen heeft gekregen, maar het Hof kan nagaan of de feitenrechter dit uit de door hem aangevoerde feiten heeft kunnen afleiden. Thesaurus CAS: MERKEN - ALGEMEEN UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INTELLECTUELE RECHTEN - Merk - Beneluxmerk - Onderscheidend karakter - inburgering Vrije woorden: Onderscheidend vermogen door gebruik - Beoordeling door de rechter - Toetsing door het Hof Wettelijke bepalingen: Wet - 22-03-2006 - Artt. 2.28.2 en 5.3 Richtlijn EG/
Art. 3
, derde lid Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INTELLECTUELE RECHTEN - Merk - Beneluxmerk - Onderscheidend karakter - inburgering Vrije woorden: Merken - Onderscheidend vermogen door gebruik - Toetsing door het Hof Wettelijke bepalingen: Wet - 22-03-2006 - Artt. 2.28.2 en 5.3 Richtlijn EG/
Art. 3
, derde lid Fiche 7 De criteria waarmee de rechter rekening moet houden bij zijn beoordeling of hij de rechtsplegingsvergoeding kan verminderen of verhogen zijn precieze criteria die de beoordeling in goede banen moeten leiden met de bedoeling een waarborg te bieden opdat de toegang tot het gerecht behouden zou blijven en bevorderd zou worden; de proceshouding van een van de partijen in andere gedingen maakt geen deel uit van de elementen die de rechter bij de beoordeling van de hoegrootheid van de rechtsplegingsvergoeding mag betrekken, tenzij als een element van een onredelijke situatie. Thesaurus CAS: GERECHTSKOSTEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Procedure voor de feitenrechter UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INTELLECTUELE RECHTEN - Merk - Beneluxmerk - Onderscheidend karakter - inburgering Vrije woorden: Rechtsplegingsvergoeding - Vermindering - Verhoging - Beoordeling - Criteria - Doel - Proceshouding van een partij Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1022 Tekst van de beslissing Nr. C.09.0425.N
- MARS NEDERLAND B.V., vennootschap naar Nederlands recht, met zetel te 5466 AE Veghel (Nederland), Taylorweg 5,
- MARS BELGIUM, naamloze vennootschap, met zetel te 1932 Sint-Stevens-Woluwe, Kleine Kloosterstraat 8, eiseressen, vertegenwoordigd door mr. Caroline De Baets, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 149, bus 20, waar de eiseressen woonplaats kiezen, tegen NESTLE BELGILUX, naamloze vennootschap, met zetel te 1070 Brussel, Birminghamstraat 221, verweerster. vertegenwoordigd door mr. Michel Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 523, waar de verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 9 april 2009 gewezen door het hof van beroep te Antwerpen. Voorzitter Ivan Verougstraete heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd. II. FEITEN Uit het arrest blijkt dat de eerste eiseres, Mars Nederland bv, houdster is van een Beneluxbeeldmerk gedeponeerd onder nummer 80154 voor waren in klasse 30 (chocolade, chocoladewaren en snackproducten). De tweede eiseres, Mars Belgium nv, behoort tot dezelfde internationale groep en verdeelt, samen met de eerste eiseres, voedingswaren waaronder hapklare met chocolade omhulde biscuitballetjes in verpakkingen die onder meer het hoger genoemd beeldmerk dragen. De verpakkingen dragen het woordmerk "Maltesers". De verweerster, Nestlé Belgilux nv, commercialiseert in de Benelux met chocolade omhulde biscuitballetjes onder het woordmerk Kitkat in een verpakking waarvan de eiseressen beweren dat zij dezelfde elementen bevatten als het hoger genoemde beeldmerk. Alleen het beeldmerk maakt het voorwerp uit van het geding. Het hof van beroep beslist onder meer dat het beeldmerk van de eiseressen elk onderscheidend vermogen mist en dus nietig is, en dat de vordering tot staking door de eiseressen ingesteld moet worden afgewezen. III. CASSATIEMIDDELEN De eiseressen voeren in hun verzoekschrift zes middelen aan. Het verzoekschrift is aan dit arrest gehecht. IV. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Tweede onderdeel
- Overeenkomstig artikel 2.28.
- van het Benelux-Verdrag inzake de Intellectuele Eigendom (hierna: BVIE) kan iedere belanghebbende de nietigheid inroepen: "(...) b. van de inschrijving van het merk dat elk onderscheidend vermogen mist; c. van de inschrijving van het merk dat uitsluitend bestaat uit tekens of benamingen die in de handel kunnen dienen tot aanduiding van soort, hoedanigheid, hoeveelheid, bestemming, waarde, plaats van herkomst of het tijdstip van vervaardiging van de waren of verrichting van de dienst of andere kenmerken van de waren of diensten; d. van de inschrijving van het merk dat uitsluitend bestaat uit tekens of benamingen die in het normale taalgebruik of in het bonafide handelsverkeer gebruikelijk zijn geworden; (...)". Overeenkomstig artikel 2.28.
- BVIE kan de rechter oordelen dat de merken zoals bedoeld in lid 1, sub b, c en d, na inschrijving door gebruik onderscheidend vermogen hebben verkregen. Met betrekking tot artikel 3, lid 3, van de Eerste Richtlijn (89/104/EEG) van de Raad van 21 december 1988 betreffende de aanpassing van het merkenrecht der Lidstaten (nu: de Richtlijn 2008/95/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2008) - dat toelaat dat een merk dat voor nietigverklaring in aanmerking komt, niettemin onderscheidend vermogen gekregen heeft door het gebruik dat ervan is gemaakt - blijkt uit een arrest van 7 juli 2005 van het Hof van Justitie van de Europese Unie dat alle factoren moeten worden onderzocht waaruit kan blijken dat het merk geschikt is geworden om de betrokken waar of dienst te identificeren, en dat bij deze beoordeling rekening kan worden gehouden met onder meer het marktaandeel van het merk, de omvang van de investeringen die de onderneming heeft gedaan voor de promotie ervan, het aandeel van de betrokken kringen dat op basis van het merk de waar of de dienst identificeert als afkomstig van een bepaalde onderneming, alsmede de verklaringen van kamers van koophandel en industrie of van andere beroepsverenigingen (Nestlé, C-353/03, Jur. I - 1635, r.o. 31). Het Hof van Justitie bevestigt deze visie in een arrest van 22 juni 2006 waar het oordeelt dat het onderscheidend vermogen door gebruik kan worden verkregen na een normaal proces van inburgering bij het relevante publiek waarbij voor de beoordeling daarvan rekening moet worden gehouden met alle omstandigheden waarin het relevante publiek met dat merk wordt geconfronteerd (arrest van 22 juni 2006, Storck/BHIM, C-24/05 P, Jur. I-5677, r.o. 70 en 71). De verduidelijking door het Hof van Justitie dat een teken door het gebruik onderscheidend vermogen kan krijgen, ook al wordt het gebruikt in combinatie met en woord- of beeldmerk (zie in dit verband arrest van 22 juni 2006, Storck/BHIM, C-24/05 P, Jur. I-5677, r.o. 59; arrest van 7 juli 2005; Nestlé, C-353/03, Jur. I - 1635, r.o. 30) doet niets af aan zijn rechtspraak dat wat de verkrijging van het onderscheidend vermogen door gebruik betreft, de betrokken kringen de waar of de dienst als afkomstig van een bepaalde onderneming moeten identificeren op basis van het gebruik van het teken als merk (arrest van 22 juni 2006, Storck/BHIM, C-24/05 P, Jur. I-5677, r.o. 61; arrest van 7 juli 2005, Nestlé, C-353/03, Jur. I - 1635, r.o. 26 en arrest van 18 juni 2002, Philips, C-299/99, Jur. I-5475, r.o. 64).
- De feitenrechter oordeelt onaantastbaar of er sprake is van gebruik waardoor een merk onderscheidend vermogen heeft gekregen, maar het Hof kan nagaan of de feitenrechter dit uit de voor hem aangevoerde feiten heeft kunnen afleiden.
- Met hun onderzoek naar het voldoende constant gebruik van het specifiek beeldmerk als onderdeel van het complex beeld- en woordmerk "Maltesers" gaan de appelrechters meer bepaald na of het kwestieuze teken in casu voldoende intensief en langdurig is gebruikt om een onderscheidend vermogen te verwerven. In dit verband stellen de appelrechters vast dat omwille van het feit dat het ingeroepen beeldmerk in reclame en verpakking steeds samen met het woordelement Maltesers gebruikt wordt, het doelpubliek het ingeroepen beeldmerk niet meer afzonderlijk waarneemt, maar enkel als een deel van een ondeelbaar geheel. Daarnaast overwegen de appelrechters dat het beeldmerk in de achtergrond verdwijnt omdat het publiek het woordelement wegens zijn dominante onderscheidende kracht als ondubbelzinnige aanduiding van herkomst opvat. Daarmee ontkennen de appelrechters niet dat het bewuste merk niet noodzakelijk zelfstandig moet zijn gebruikt opdat het voor verkrijging van het onderscheidend vermogen door gebruik in aanmerking zou komen. Zij oordelen evenwel dat op basis van het gebruik van het merk het product niet als afkomstig van een bepaalde onderneming wordt geïdentificeerd door het doelpubliek. De appelrechters overwegen bovendien ook nog dat aan de door hen gedane vaststellingen geen afbreuk wordt gedaan door de door de eiseressen uitgevoerde en ingeroepen marktonderzoeken.
- Aldus hebben de appelrechters, op grond van de feiten die zij aanhalen, hun beslissing dat een voldoende constant gebruik de vereiste van het specifiek beeldmerk als onderdeel van het complex beeld- en woordmerk "Maltesers" ontbreekt, naar recht verantwoord. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Eerste onderdeel
- De appelrechters steunen hun beslissing dat het litigieuze beeldmerk niet door inburgering onderscheidend geworden is niet alleen op de in dit onderdeel geviseerde overweging dat uit de in de syntheseconclusie van de eiseressen weergegeven evolutie (tussen 1991 en heden) van de door haar voor het product Maltesers gebruikte verpakking blijkt dat het ingeroepen beeldmerk als zodanig, d.w.z. met de ingeroepen welbepaalde schikking, aantal en dichtheid, niet als onderdeel voor de verpakking gebruikt wordt. De appelrechters leiden deze beslissing tevens af uit de in het tweede onderdeel vergeefs bekritiseerde zelfstandige reden dat op basis van het gebruik van het beeldmerk het product niet als afkomstig van een bepaalde onderneming wordt geïdentificeerd door het doelpubliek. Het onderdeel kan niet tot cassatie leiden en is mitsdien niet ontvankelijk.
- Gelet op het voorgaande antwoord, bestaat er geen aanleiding toe enige prejudiciële vraag te stellen over de uitlegging van artikel 3, lid 3, van de Eerste Richtlijn 89/104/EEG van de Raad van 21 december 1998 betreffende de aanpassing van het merkenrecht der Lid-Staten aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. Tweede middel
- Het middel dat opkomt tegen de beslissing van de appelrechters inzake het gevaar voor verwarring terwijl de appelrechters, zoals blijkt uit het antwoord op het eerste middel, terecht oordelen dat het ingeroepen beeldmerk nietig is, is gericht tegen een overtollige reden en mitsdien niet ontvankelijk. Derde middel
- Het middel dat opkomt tegen de beslissing van de appelrechters dat de verweerster geen onrechtmatig voordeel heeft gehaald uit het onderscheidend vermogen of de reputatie van het "Maltesers merk" terwijl de appelrechters, zoals blijkt uit het antwoord op het eerste middel van het huidige arrest, naar recht oordelen dat het ingeroepen beeldmerk nietig is, is gericht tegen een overtollige reden en mitsdien niet ontvankelijk. Vierde middel Eerste onderdeel
- Met de vermelding onder punt VI van het bestreden arrest naar de "hoger vermelde overwegingen", verwijzen de appelrechters naar de overwegingen van hun arrest die ten grondslag liggen aan de nietigverklaring van het litigieuze merk en naar deze die hun beslissing aangaande de ongegrondheid van een eventuele merkenrechtelijke inbreuk staven. De appelrechters oordelen verder onder hetzelfde punt VI dat hieruit volgt dat de verweerster zich m.b.t. de commercialisatie in België van het litigieuze project niet schuldig heeft gemaakt aan slaafse nabootsing noch parasitaire mededinging en dat ook de door eiseressen in ondergeschikte orde ingeroepen "misleidende en oneerlijke handelspraktijken jegens de consument" onbewezen blijven.
- Door aldus te oordelen geven de appelrechters met voldoende duidelijkheid aan welke de vaststellingen zijn op grond waarvan zij een inbreuk op de Handelspraktijkenwet in hoofde van verweerster ongegrond achten en geven zij eveneens de redenen aan die het Hof toelaten zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
- Met de in het antwoord op het eerste onderdeel weergegeven overwegingen verwerpen en beantwoorden de appelrechters het door de eiseressen in het onderdeel bedoelde verweer. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Derde onderdeel
- Zoals blijkt uit de in het antwoord op het eerste onderdeel vermelde overwegingen hebben de appelrechters geenszins de door de eiseressen op de Handelspraktijkenwet gebaseerde vordering ongegrond verklaard omdat hun merk nietig is of omdat er door verweerster geen inbreuk wordt op gemaakt. Met de bedoelde overwegingen geven zij immers alleen de feitelijke vaststellingen aan op grond waarvan zij deze vordering verwerpen. Het onderdeel dat uitgaat van het tegendeel, berust op een onjuiste lezing van het bestreden arrest en mist feitelijke grondslag. Vierde onderdeel
- Door onder punt VI van het bestreden arrest te verwijzen naar de feitelijke vaststellingen die ten grondslag liggen aan de nietigverklaring van het litigieuze merk en aan de ongegrondheid van een eventuele merkenrechtelijke inbreuk, hebben de appelrechters de toepassing van de Handelspraktijkenwet niet afhankelijk gemaakt van de voorwaarden die inzake het merkenrecht toepasselijk zijn. Het onderdeel berust op een onjuiste lezing van het bestreden arrest en mist mitsdien feitelijke grondslag. Vijfde middel Eerste onderdeel
- De appelrechters overwegen onder punt II van het bestreden arrest dat "Het Benelux Verdrag inzake de intellectuele eigendom (BVIE) zich ertegen (verzet) dat een stakingsvordering wegens merkinbreuk zou ingesteld worden door een persoon die geen ‘merkhouder' is (...)" en dat "op die rechtsgrond de eerste rechter op oordeelkundige motieven, die door (de eiseressen) niet weerlegd en door het hof overgenomen worden, de door (de tweede eiseres) op grond van de merkinbreuk ingestelde stakingsvordering terecht onontvankelijk (heeft) verklaard".
- Aldus geven de appelrechters ondubbelzinnig aan dat de vordering van de tweede eiseres onontvankelijk is in de mate waarin deze vordering op grond van een merkinbreuk was ingesteld. Het onderdeel mist derhalve feitelijke grondslag. Tweede en derde onderdeel
- De onderdelen die ervan uitgaan dat de appelrechters de vordering van de tweede eiseres onontvankelijk verklaren ook wat de door deze partij verweten inbreuk op de Handelspraktijkenwet betreft, missen, zoals blijkt uit r.o.15, feitelijke grondslag. Zesde middel
- Krachtens artikel 1022, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, kan de rechter op verzoek van een van de partijen, dat in voorkomend geval wordt gedaan na ondervraging door de rechter, bij een met bijzondere redenen omklede beslissing ofwel de rechtsplegingsvergoeding verminderen, ofwel die verhogen, zonder de door de Koning bepaalde maximum- en minimumbedragen te overschrijden". Het voormelde artikel 1022 bepaalt met name dat de rechter bij zijn beoordeling rekening houdt met: - de financiële draagkracht van de verliezende partij, om het bedrag van de vergoeding te verminderen; - de complexiteit van de zaak; - de contractueel bepaalde vergoedingen voor de in het gelijk gestelde partij; - het kennelijk onredelijk karakter van de situatie. Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat het gaat om precieze criteria die de rechterlijke beoordeling in goede banen moeten leiden met de bedoeling een waarborg te bieden opdat de toegang tot het gerecht behouden zou blijven en bevorderd zou worden. De proceshouding van een van de partijen in andere gedingen maakt geen deel uit van de elementen die de rechter bij de beoordeling van de hoegrootheid van de rechtsplegingsvergoeding mag betrekken tenzij als een element van een onredelijke situatie.
- De appelrechters die kennen aan de verweerster de maximum rechtsplegingsvergoeding toe voor niet in geld waardeerbare zaken. Zij steunen hun beslissing niet alleen op de complexiteit van het dossier, zowel in feite als in rechte, maar tevens ook op de halsstarrige proceshouding van de eiseressen, die in België reeds meerdere rechtbanken vatte om wezenlijk over dezelfde feiten te oordelen, zij het op andere rechtsgronden. Zij verantwoorden zodoende hun beslissing niet naar recht. Het middel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het de eiseressen veroordeelt tot betaling aan de verweerster van een rechtsplegingsvergoeding van 10.000 euro. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Veroordeelt de eiseressen tot vijf zesden van de kosten. Houdt de overige kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over; Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Brussel. Bepaalt de kosten op de som van 599,43 euro jegens de eisende partijen en op de som 250,43 euro jegens de verwerende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Robert Boes, en de raadsheren Eric Stassijns, Beatrijs Deconinck en Geert Jocqué, en in openbare terechtzitting van 24 juni 2010 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100624.5 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2018:CONC.20180530.1 ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230907.1N.7 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131112.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div