id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 29 juni 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100629.5 Rolnummer: P.10.0006.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2010-07-01 Raadplegingen: 730 - laatst gezien 2026-07-02 16:46 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100629.5 Fiches 1 - 2 De omstandigheid dat een bevel tot huiszoeking naar de vorm onregelmatig is sluit niet uit dat deze onregelmatigheid naar de gevolgen is ongedaan gemaakt door de wijze van de tenuitvoerlegging, zodat de eruit voortvloeiende bewijsgaring een regelmatige grondslag kan hebben
(1).
(1)Zie de concl. van het O.M. Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BEWIJS (STRAFRECHT) Vrije woorden: Bevel tot huiszoeking - Onregelmatigheid - Wijze van tenuitvoerlegging Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijsvoering UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BEWIJS (STRAFRECHT) Vrije woorden: Bevel tot huiszoeking - Onregelmatigheid - Wijze van tenuitvoerlegging Fiche 3 De ter zitting van het Hof in antwoord op de conclusie van het openbaar ministerie neergelegde noot moet verband houden met de in de memorie aangevoerde middelen maar kan deze niet aanvullen noch uitbreiden
(1).
(1)Zie de concl. van het O.M.; zie Cass., 19 feb. 2008, AR P.07.1411.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080219.3, A.C., 2008, nr.
- Thesaurus CAS: CASSATIEMIDDELEN - STRAFZAKEN - Nieuw middel UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BEWIJS (STRAFRECHT) Vrije woorden: Noot in antwoord op de schriftelijke conclusie van het openbaar ministerie Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1107 Fiches 4 - 6 Conclusie van Eerste advocat-generaal DE SWAEF. Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BEWIJS (STRAFRECHT) Vrije woorden: Bevel tot huiszoeking - Onregelmatigheid - Wijze van tenuitvoerlegging Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijsvoering UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BEWIJS (STRAFRECHT) Vrije woorden: Bevel tot huiszoeking - Onregelmatigheid - Wijze van tenuitvoerlegging Thesaurus CAS: CASSATIEMIDDELEN - STRAFZAKEN - Nieuw middel UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BEWIJS (STRAFRECHT) Vrije woorden: Noot in antwoord op de schriftelijke conclusie van het openbaar ministerie Tekst van de beslissing Nr. P.10.0006.N I M. M. B., inverdenkinggestelde, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie met kantoor te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, waar de eiseres woonplaats kiest en met als raadsman mr. Hans Rieder, advocaat bij de balie te Gent. II P. M. M. L., , inverdenkinggestelde, eiser, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie met kantoor te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, waar de eiser woonplaats kiest. III C. A. L., inverdenkinggestelde, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie met kantoor te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, waar de eiseres woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 1 december
- De eisers voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan en de eiseres I legt een nota neer in antwoord op de conclusie van het openbaar ministerie. Raadsheer Paul Maffei heeft verslag uitgebracht. Eerste advocaat-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de memorie
- De memorie is eveneens neergelegd voor A. R. J. d. C., mede-inverdenkinggestelde die evenwel geen cassatieberoep tegen het arrest heeft ingesteld. In zoverre de memorie voor die inverdenkinggestelde is neergelegd, is ze niet ontvankelijk. Middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek: het arrest oordeelt ten onrechte dat de eerste eiseres met kennis van de onderliggende redenen van de huiszoeking hiertoe instemming heeft gegeven; hierdoor miskent het arrest de bewijskracht van het proces-verbaal GF 008878/09 van 4 juni 2009, de verklaringen die de eerste eiseres heeft afgelegd op 4 juni 2009 om 16u20 (PV nr. 008870/09) en om 14u16 (PV nr. 008856/09), en het proces-verbaal GF 010100/09 van 26 juni
- Uit de vermelde stukken leidt het arrest enkel af dat de verbalisanten hun opdracht aan de eerste eiseres hebben toegelicht en dat deze naar eis van recht in kennis gesteld was dat de huiszoeking kaderde in een financieel onderzoek.
- Het onderdeel dat ervan uitgaat dat het arrest uit de bovenvermelde stukken afleidt dat de eerste eiseres haar toestemming heeft gegeven tot de op 4 juni 2009 uitgevoerde huiszoeking, berust op een onjuiste lezing van dit arrest. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 1 Huiszoekingswet, artikel 89bis Wetboek van Strafvordering en de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek: het arrest oordeelt ten onrechte dat de eerste eiseres in toepassing van artikel 1 Huiszoekingswet haar toestemming tot de huiszoeking heeft gegeven; het arrest kan dit niet wettig afleiden uit de vaststelling dat aan de eerste eiseres de twee huiszoekingsmandaten werden betekend en dat zij deze voor kennisname heeft ondertekend; zodoende schendt het arrest ook de bewijskracht van de door de eerste eiseres voor kennisname ondertekende huiszoekingsmandaten alsook van haar verklaring van 4 juni
- Anders dan waarvan het onderdeel uitgaat, besluiten de appelrechters niet dat de eerste eiseres in toepassing van artikel 1 Huiszoekingswet toestemming heeft verleend tot de kwestieuze huiszoeking. Het onderdeel dat uitgaat van een onjuiste lezing van het bestreden arrest, mist feitelijke grondslag. Derde onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 1 Huiszoekingswet en artikel 89bis Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt ten onrechte dat hoewel de betreffende huiszoekingsbevelen naar de vorm onregelmatig waren, deze onregelmatigheid naar de gevolgen ongedaan is gemaakt door de wijze van tenuitvoerlegging; het arrest stelt evenwel niet vast dat de huiszoeking werd uitgevoerd conform de bepalingen van de Huiszoekingswet; uit geen enkele grondwettelijke of wettelijke bepaling volgt dat een huiszoeking, uitgevoerd na kennisgeving van de hoedanigheid van de speurders en het doel van de huiszoeking en na het louter openen van de toegangspoort, regelmatig is.
- Anders dan waarvan het onderdeel uitgaat, oordeelt het arrest niet dat de huiszoeking regelmatig was. Het zegt enkel dat de onregelmatigheid naar de gevolgen ongedaan is gemaakt door de wijze van tenuitvoerlegging ervan. In zoverre berust het onderdeel op een onjuiste lezing van het bestreden arrest en mist het feitelijke grondslag.
- Het arrest stelt vast dat het arrest van 23 juni 2009 de voorlopige hechtenis van de eisers opheft op grond dat de huiszoekingsbevelen zoals uitgevoerd op 4 juni 2009 onregelmatig zijn. Het oordeelt verder dat: - de wet niet in enige sanctie voorziet, laat staan dat "deze onregelmatigheid de nietigheid zou meebrengen van alles wat het gevolg is van de onregelmatig bevonden huiszoekingsbevelen"; - "de rechten van verdediging (...) geenszins, laat staan op onherroepelijke wijze geschonden [zijn] door de relatieve onregelmatigheid van de desbetreffende huiszoekingsbevelen die uiteindelijk één geheel vormen met de tenuitvoerlegging ervan"; - "de bewijsgaring, zoals zij thans voorligt" de inverdenkinggestelden toelaat "een loyaal en tegensprekelijk debat te voeren" en dat de "betrouwbaarheid ervan (...) op geen enkele wijze [wordt] aangetast".
- Met die redenen oordeelt het arrest dat de ontdekking op heterdaad, bij de uitvoering van de desbetreffende huiszoekingsbevelen, van de cannabisplantage, voorwerp van deze zaak, rechtsgeldig is en de bewijsgaring en de inbeslagname zoals die eruit zijn voortgevloeid, een regelmatige grondslag hebben en de partijen toelaten een loyaal debat op tegenspraak erover te voeren. Aldus is de beslissing naar recht verantwoord. Het onderdeel kan in zoverre niet worden aangenomen. Vierde onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 19 Gerechtelijk Wetboek alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel houdende de eerbiediging van het gezag van gewijsde: het arrest oordeelt ten onrechte dat de eerste eiseres wel degelijk voldoende in kennis was gesteld van de reden van de huiszoeking; zodoende schendt het bestreden arrest het gezag van gewijsde van het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling van 23 juni 2009 dat oordeelt dat er minstens onvoldoende aanwijzingen zijn dat die vermeldingen ook diegene bij wie de huiszoeking werd uitgevoerd, voldoende informatie aanreikten over de telastleggingen die aan de oorsprong van de actie lagen, zodat zij de wettigheid en de begrenzing ervan niet kon nagaan; de kamer van inbeschuldigingstelling heeft aldus ook haar rechtsmacht met betrekking tot dit feitelijk gegeven uitgeput.
- Het arrest van 23 juni 2009 doet enkel prima facie uitspraak over de regelmatigheid van de huiszoekingsbevelen teneinde de regelmatigheid van het tegen de eisers uitgevaardigde aanhoudingsbevel te onderzoeken. Het oordeelt niet over de regelmatigheid van het door de huiszoeking verkregen bewijs. Het beslist integendeel daarover later uitspraak te doen met toepassing van artikel 235bis Wetboek van Strafvordering.
- Hieruit volgt dat het gezag van gewijsde van het arrest van 23 juni 2009 beperkt is tot de beoordeling van de regelmatigheid van het tegen de eisers uitgevaardigde aanhoudingsbevel en dat de kamer van inbeschuldigingstelling bij dat arrest haar rechtsmacht om uitspraak te doen over de regelmatigheid van het verkregen bewijs bij die beslissing niet heeft uitgeoefend. Het onderdeel kan niet aangenomen worden. Vijfde onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 12, tweede lid, Grondwet en artikel 235bis Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt ten onrechte dat de uitvoering van de huiszoekingsbevelen regelmatig was; een onregelmatig bevonden bevel tot het stellen van een onderzoekshandeling kan enkel rechtgezet worden door een nieuw, in wettelijke vorm en volgens wettelijke normen gegeven bevel.
- Het arrest oordeelt dat: - de wet niet in enige sanctie voorziet, laat staan dat "deze onregelmatigheid de nietigheid zou meebrengen van alles wat het gevolg is van de onregelmatig bevonden huiszoekingsbevelen"; - "de rechten van verdediging (...) geenszins, laat staan op onherroepelijke wijze geschonden [zijn] door de relatieve onregelmatigheid van de desbetreffende huiszoekingsbevelen die uiteindelijk één geheel vormen met de tenuitvoerlegging ervan"; - "de bewijsgaring, zoals zij thans voorligt" de inverdenkinggestelden toelaat "een loyaal en tegensprekelijk debat te voeren" en dat de "betrouwbaarheid ervan (...) op geen enkele wijze [wordt] aangetast".
- Die redenen dragen de beslissing dat het middels de huiszoeking verkregen bewijs niet moet worden uitgesloten. Het onderdeel dat die redenen niet aanvecht, kan niet tot cassatie leiden en is bijgevolg niet ontvankelijk. Zesde onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 19 Gerechtelijk Wetboek en miskenning van het algemeen rechtsbeginsel houdende het gezag van gewijsde: het arrest oordeelt ten onrechte dat aan de onregelmatigheid van de huiszoekingsbevelen werd geremedieerd bij de tenuitvoerlegging ervan; hierdoor oordeelt het arrest dat de huiszoekingsbevelen, als gevolg van de wijze waarop zij werden uitgevoerd, uiteindelijk toch regelmatig te beoordelen zijn; door aldus uitspraak te doen over een geschilpunt waarover de kamer van inbeschuldigingstelling haar rechtsmacht bij arrest van 23 juni 2009 heeft uitgeput, miskent het arrest het gezag van gewijsde van dat arrest.
- Het arrest oordeelt niet dat de huiszoekingsbevelen uiteindelijk toch regelmatig zijn, maar wel dat, hoewel de betreffende huiszoekingsbevelen naar de vorm onregelmatig zijn, deze onregelmatigheid naar de gevolgen is ongedaan gemaakt door de wijze van de tenuitvoerlegging. In zoverre berust het onderdeel op een onjuiste lezing van het bestreden arrest en mist het feitelijke grondslag.
- Voor het overige is het onderdeel afgeleid uit de vergeefs aangevoerde schending van de in het vierde onderdeel aangewezen wetsbepalingen. Het onderdeel is in zoverre niet ontvankelijk. Prejudiciële vragen
- In haar nota, neergelegd in antwoord op de conclusie van het openbaar ministerie, verzoekt de eiseres I de volgende prejudiciële vragen te stellen aan het Grondwettelijk Hof: - " Schenden artikel 89bis Wetboek van Strafvordering en de artikelen 1 en 1bis van de wet van 7 juli 1969 tot vaststelling van de tijd gedurende welke geen opsporing ten huize of huiszoeking mag worden verricht, in die interpretatie dat de miskenning ervan bij een onwettige huiszoeking niet noodzakelijk leidt tot de nietigheid van het verkregen bewijs, het grondwettelijke gewaarborgde recht op eerbiediging van het privé-leven (artikel 22 Grondwet)?" - " Is er sprake van een niet toegelaten ongelijkheid tussen artikel 89bis Wetboek van Strafvordering en de artikelen 1 en 1bis van de wet van 7 juli 1969 tot vaststelling van de tijd gedurende dewelke geen opsporing ten huize of huiszoeking mag worden verricht, geïnterpreteerd in die zin dat de miskenning ervan bij een onwettige huiszoeking niet noodzakelijk leidt tot de nietigheid van het verkregen bewijs, en andere procedurevoorschriften zoals onder meer de artikelen 35bis, 61quinquies, 86bis, § 4, 86ter, 90quater, 146, 184 en 524bis, § 6, 153 en 190, 154, 155, 234, 312 en 332 Wetboek van Strafvordering waarvan de miskenning wel leidt tot de uitsluiting van het wederrechtelijk verkregen bewijs, alleen maar omdat in artikel 89bis Wetboek van Strafvordering en de wet van 7 juli 1969 geen nietigheidssanctie is voorzien waar dit wel uitdrukkelijk is voorzien in de andere gevallen en hoewel het zowel in artikel 89bis Wetboek van Strafvordering en 1 en 1bis van de wet van 7 juli 1969 als in de andere vermelde gevallen gaat over de vrijwaring van fundamentele rechten zoals vermeld in Titel II van de Grondwet (schending van artikel 10, 11, 12 en 22 Grondwet en de artikelen 6 en 8 EVRM)."
- Artikel 1107, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat wanneer het openbaar ministerie schriftelijk conclusie neemt, de partijen ten laatste op de zitting en uitsluitend in antwoord op de conclusie van het openbaar ministerie, een noot neerleggen waarin geen nieuwe middelen mogen worden aangebracht. Dit houdt in dat de ter zitting in antwoord op de conclusie van het openbaar ministerie neergelegde noot verband moeten houden met de in de memorie aangevoerde middelen maar deze niet kan aanvullen noch uitbreiden.
- De voorgestelde prejudiciële vragen houden geen verband met de grieven die de eiseres I in haar tijdig neergelegde memorie aanvoert. Het verzoek tot het stellen van die vragen is bijgevolg niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers in de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op 138,81 euro waarvan de eisers elk 46,27 euro verschuldigd zijn. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, en de raadsheren Jean-Pierre Frère, Paul Maffei en Luc Van hoogenbemt, en op de openbare rechtszitting van 29 juni 2010 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Marc De Swaef, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100629.5 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100629.5 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2012:CONC.20120327.4 ECLI:BE:CASS:2018:CONC.20181109.4 ECLI:BE:CASS:2018:CONC.20181212.4 ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220503.2N.16 precedenten: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080219.3 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250409.2F.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div