id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 13 juli 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100713.2 Rolnummer: P.10.1173.N Kamer: VAK - Vakantiekamer Rechtsgebied: Strafrecht - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2010-07-30 Raadplegingen: 637 - laatst gezien 2026-07-02 16:42 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 3 Uit de artikelen 5.4 EVRM en 3 en 5 Uitleveringswet 1874 volgt dat de uitvoerende macht als enige bevoegd is om, op advies van de kamer van inbeschuldigingstelling, te beslissen over de uitlevering; de vreemdeling die is opgesloten om te worden uitgeleverd en die dus ter beschikking staat van de uitvoerende macht, heeft niettemin het recht de rechter te vragen op korte termijn te beslissen over de wettigheid van zijn gevangenhouding, zonder dat de rechter opnieuw de regelmatigheid van het verzoek tot uitlevering of van het door de verzoekende staat afgeleverde bevel tot aanhouding kan onderzoeken, wanneer daarover reeds definitief uitspraak is gedaan
(1).
(1)Zie Cass., 31 maart 2009, AR P.09.0162.N ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090331.3, met concl. van advocaat-generaal Duinslaeger. Thesaurus CAS: UITLEVERING UTU-thesaurus: STRAFRECHT - UITLEVERING - Uitleveringswet - Algemeen Vrije woorden: Passieve uitlevering - Uitleveringsdetentie na exequatur - Verzoek tot invrijheidstelling - Afwijzing door de raadkamer - Hoger beroep van de vreemdeling - Kamer van inbeschuldigingstelling - Bevoegdheid - Grenzen - Ontvankelijkheid Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - Art. 5.4 Wet - 15-03-1874 - Artt. 3 en 5 - 30 ELI link Pub nr 1874031550 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 5 - Artikel 5.4 UTU-thesaurus: STRAFRECHT - UITLEVERING - Uitleveringswet - Algemeen Vrije woorden: Recht op vrijheid en veiligheid - Arrestatie of gevangenhouding - Recht om voorziening te vragen bij de rechter - Passieve uitlevering - Uitleveringsdetentie na exequatur - Verzoek tot invrijheidstelling - Afwijzing door de raadkamer - Hoger beroep van de vreemdeling - Kamer van inbeschuldigingstelling - Bevoegdheid - Grenzen - Ontvankelijkheid Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - Art. 5.4 Wet - 15-03-1874 - Artt. 3 en 5 - 30 ELI link Pub nr 1874031550 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - UITLEVERING - Uitleveringswet - Algemeen Vrije woorden: Kamer van inbeschuldigingstelling - Passieve uitlevering - Uitleveringsdetentie na exequatur - Verzoek tot invrijheidstelling - Afwijzing door de raadkamer - Hoger beroep van de vreemdeling - Kamer van inbeschuldigingstelling - Bevoegdheid - Grenzen - Ontvankelijkheid Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - Art. 5.4 Wet - 15-03-1874 - Artt. 3 en 5 - 30 ELI link Pub nr 1874031550 Tekst van de beslissing Nr. P.10.1173.N A. O., vreemdeling van wie de uitlevering wordt gevraagd, verzoeker tot voorlopige invrijheidstelling, eiser, met als raadslieden mr. Zouhaier Chihaoui en mr. Christophe Marchand, beiden advocaat bij de balie te Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 30 juni
- De eiser voert in een memorie grieven aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd. II. FEITEN Op 2 mei 2005 vaardigde de procureur-generaal van de Koning bij het hof van beroep te Rabat (Marokko) lastens de eiser een aanhoudingsbevel uit wegens bendevorming, valsheid in geschriften en gebruik, voorbereiding om terroristische activiteiten te plegen die de openbare orde aantasten en het verbergen van terroristen. De onderzoeksrechter te Brussel beval op 23 juni 2005 de voorlopige aanhouding van de eiser. Marokko verzocht op 7 juli 2005 om de uitlevering van de eiser. De raadkamer te Brussel verklaarde bij beschikking van 15 juli 2005 het bevel tot aanhouding van 2 mei 2005 uitvoerbaar. Die beschikking werd samen met het aanhoudingsbevel aan de eiser betekend op 19 juli
- Het hoger beroep tegen die beschikking werd bij arrest van 4 oktober 2005 van het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, verworpen. Dit arrest werd aan de eiser betekend op 5 oktober
- Het cassatieberoep van de eiser tegen dit arrest werd bij arrest van 18 oktober 2005 van het Hof verworpen. Het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, verleende op 19 oktober 2006 advies omtrent het uitleveringsverzoek. Bij ministerieel besluit van 11 januari 2008 werd de uitlevering van de eiser aan Marokko voor bepaalde feiten toegestaan, en werd bepaald dat de uitlevering zou worden uitgesteld totdat de eiser aan het Belgische gerecht had voldaan. Dit besluit werd bij arrest nr. 193.618 van 28 mei 2009 van de Raad van State, afdeling bestuursrechtspraak, geschorst. Bij ministerieel besluit van 5 oktober 2009 werd het ministerieel besluit van 11 januari 2008 ingetrokken, de uitlevering opnieuw toegestaan voor bepaalde feiten en bepaald dat de uitlevering zou worden uitgesteld tot dat de eiser aan het Belgische gerecht had voldaan. Tegen dit ministerieel besluit werd opnieuw verhaal bij de Raad van State, afdeling bestuursrechtspraak ingesteld, die nog niet zou hebben geoordeeld. De eiser werd bij arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 19 januari 2007 veroordeeld tot een hoofdgevangenisstraf van zes jaar. De uitvoering van deze straf nam een einde op 16 mei
- De eiser is thans gedetineerd op basis van het aanhoudingsbevel met het oog op uitlevering dat op 15 juli 2005 werd uitvoerbaar verklaard. De eiser verzocht op 28 mei 2010 om zijn invrijheidstelling. De raadkamer te Brussel verklaarde bij beschikking van 15 juni 2010 dit verzoek niet ontvankelijk. Het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, verklaarde bij arrest van 30 juni 2010 het hoger beroep van de eiser tegen die beschikking niet ontvankelijk. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de memorie
- Krachtens artikel 420bis, eerste lid, Wetboek van Strafvordering mag de eiser in cassatie, zijn middelen aangeven in een memorie, welke ten minste acht dagen vóór de terechtzitting wordt ingediend. De op 12 juli 2010 door de eiser buiten die termijn ingediende memorie is niet ontvankelijk. Ambtshalve middel Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 3 en 5 Uitleveringswet 1874; - de artikelen 5.1, f, en 5.4 EVRM.
- Artikel 5.1, f, EVRM bepaalt: "Eenieder heeft recht op persoonlijke vrijheid en veiligheid. Niemand mag van zijn vrijheid worden beroofd, behalve in de navolgende gevallen en langs wettelijke weg (...) in het geval van rechtmatige arrestatie of gevangenhouding van personen (...) indien tegen hen een uitwijzings- of uitleveringsprocedure hangende is." Artikel 5.4 EVRM bepaalt: "Eenieder die door arrestatie of gevangenhouding van zijn vrijheid is beroofd heeft het recht voorziening te vragen bij de rechter opdat deze op korte termijn beslist over de wettigheid van zijn gevangenhouding en zijn invrijheidstelling beveelt, indien de gevangenhouding onrechtmatig is."
- Artikel 5 Uitleveringswet 1874 regelt de aanhouding met het oog op de uitlevering. Artikel 5, vierde lid, van deze wet bepaalt: "De vreemdeling kan zijn voorlopige invrijheidstelling verzoeken in de gevallen waar een Belg hetzelfde voorrecht geniet en dit onder dezelfde voorwaarden. Zijn verzoek wordt aan de raadkamer voorgelegd." Artikel 3, tweede lid, Uitleveringswet 1874 bepaalt: "[De uitlevering] zal eveneens worden toegestaan op overlegging van het bevel tot aanhouding of van iedere andere akte die dezelfde kracht heeft, door de bevoegde vreemde overheid verleend, op voorwaarde dat deze akten duidelijk de feiten omschrijven, voor dewelke ze werden verleend, en dat ze uitvoerbaar worden verklaard door de raadkamer van de rechtbank van eerste aanleg van de plaats waar de vreemdeling in België verblijft of kan worden gevonden." Artikel 3, vierde lid, Uitleveringswet 1874 bepaalt: "Zodra de vreemdeling ter uitvoering van een der akten hierboven vermeld en na behoorlijke betekening ervan, zal zijn opgesloten, zal de regering het advies inwinnen van de kamer van inbeschuldigingstelling van het hof van beroep in het rechtsgebied waarvan de vreemdeling werd aangehouden."
- Uit die bepalingen volgt dat de uitvoerende macht als enige bevoegd is om, op advies van de kamer van inbeschuldigingstelling, te beslissen over de uitlevering. De vreemdeling die is opgesloten om te worden uitgeleverd en die dus ter beschikking staat van de uitvoerende macht, heeft niettemin het recht de rechter te vragen op korte termijn te beslissen over de wettigheid van zijn gevangenhouding, zonder dat de rechter opnieuw de regelmatigheid van het verzoek tot uitlevering of van het door de verzoekende Staat afgeleverde bevel tot aanhouding kan onderzoeken, wanneer daarover reeds definitief uitspraak is gedaan.
- De appelrechters die het verzoek tot invrijheidstelling en het hoger beroep tegen de beschikking van de raadkamer omtrent dit verzoek niet ontvankelijk verklaren omdat noch de nationale wetgeving noch de artikelen 5.4 en 13 EVRM daartoe in een rechtspleging voorzien, verantwoorden hun beslissing niet naar recht. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Laat de kosten ten laste van de Staat. Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, anders samengesteld. Bepaalt de kosten op 100,32 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, vakantiekamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Jean de Codt, als voorzitter, en de raadsheren Albert Fettweis, Christine Matray, Benoît Dejemeppe en Filip Van Volsem, en op de openbare rechtszitting van 13 juli 2010 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Jean de Codt, als voorzitter, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100713.2 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20201118.2F.17 ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220112.2F.13 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250408.2N.25 precedenten: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090331.3 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120229.2 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151117.4 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170214.4 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180314.1 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240227.2N.17 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div