← België

ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100727.2

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 27 juli 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2010:

§ 6

, Wetboek van Strafvordering de artikelen 10 en 11 Grondwet, zowel op zichzelf als in samenlezing met artikel 13 Grondwet en de artikelen 6 en 13 EVRM, doordat ingevolge deze wetsbepaling het Hof van Cassatie slechts een beperkt cassatietoezicht kan uitoefenen op de arresten betreffende de controle van de regelmatigheid van de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie, aangezien het vertrouwelijk dossier niet door de magistraten van het Hof van Cassatie mag worden ingezien, terwijl het Hof van Cassatie tegen arresten van de kamer van inbeschuldigingstelling de toepassing van artikel 235bis Wetboek van Strafvordering wel op basis van het volledige dossier haar toezicht kan uitoefenen?"

  1. Gelet op het geheime karakter van de gegevens vervat in het vertrouwelijk dossier, heeft de wetgever middels artikel 235ter Wetboek van Strafvordering aan de kamer van inbeschuldigingstelling de controle over de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie toevertrouwd. Met die controle stelt de kamer van inbeschuldigingstelling onaantastbaar vast dat de gegevens van het proces-verbaal van uitvoering overeenstemmen met de gegevens van het vertrouwelijk dossier, onder meer met deze van het proactief onderzoek. Die opdracht van de kamer van inbeschuldigingstelling vergt een feitenonderzoek. De kamer van inbeschuldigingstelling moet immers aan de hand van de feitelijke gegevens van de stukken van het open dossier nagaan of deze overeenstemmen met deze van het vertrouwelijk dossier. Het onderzoek van dergelijke feitelijke gegevens door het Hof van Cassatie is krachtens artikel 147, tweede lid, Grondwet uitgesloten. Het Hof is bijgevolg onbevoegd een betwisting over het onaantastbare oordeel van de kamer van inbeschuldigingstelling over die gegevens te onderzoeken. Dit heeft voor gevolg dat de eiser hoe dan ook voor het Hof geen tegenspraak kan voeren over feitelijke gegevens die hij aanvecht en die het Hof niet kan onderzoeken. De toegang tot het Hof van Cassatie en de daadwerkelijkheid van het rechtsmiddel dat het uitmaakt, zijn bepaald door de opdracht van het Hof zoals door de Grondwetgever en de wet omschreven. Hieruit volgt dat het feit dat het arrest onaantastbaar in feite oordeelt dat in acht genomen de gegevens van het vertrouwelijk dossier het strafdossier volledig is, de wettelijke controlebevoegdheid van het Hof niet aantast. Het middel faalt in zoverre naar recht.
  2. De prejudiciële vraag berust op een onjuiste rechtsopvatting en wordt bijgevolg niet gesteld. Tweede middel
  3. Het middel voert schending aan van de artikelen 47septies, 47novies, 235bis en 235ter Wetboek van Strafvordering: de appelrechters oordelen onterecht dat het strafdossier volledig is terwijl het geen proces-verbaal in de zin van artikel 47septies, § 2, tweede lid, en 47novies, § 2, tweede lid, bevat; het proces-verbaal 5390/2008 van 25 september 2008 van de federale gerechtelijke politie is geen proces-verbaal in de zin van deze bepaling.
  4. Krachtens de artikelen 47septies, § 2, tweede lid, en 47novies, §2, tweede lid, Wetboek van Strafvordering stelt de officier van gerechtelijke politie proces-verbaal op van de verschillende fasen van de uitvoering van de observatie en infiltratie zonder vermelding van de elementen die de afscherming van de gebruikte technische hulpmiddelen en de politionele onderzoekstechnieken of de vrijwaring van de veiligheid en de afscherming van de identiteit van de informant en van de politieambtenaren die belast zijn met de uitvoering van de observatie en infiltratie, in het gedrang kunnen brengen.
  5. De kamer van inbeschuldigingstelling oordeelt onaantastbaar op grond van het vertrouwelijk dossier of de processen-verbaal bedoeld in de artikelen 47septies, § 2, tweede lid, en 47novies, § 2, tweede lid, Wetboek van Strafvordering de fasen van uitvoering voldoende vermelden in acht genomen de noodzakelijke afscherming van de gebruikte technische hulpmiddelen en de politionele onderzoekstechnieken of de vrijwaring van de veiligheid en de afscherming van de identiteit van de uitvoerders. Het middel komt op tegen dit onaantastbaar oordeel door het arrest of verplicht het Hof tot een onderzoek van feiten waarvoor het niet bevoegd is. Het middel is in zoverre niet ontvankelijk.
  6. Door te oordelen dat de gegevens vervat in de processen-verbaal van 17 en 18 september 2008 in verband met de fasen van uitvoering voldoende zijn in acht genomen de noodzakelijk afscherming van de gebruikte technische hulpmiddelen en de politionele onderzoekstechnieken of de vrijwaring van de veiligheid en de afscherming van de identiteit van de uitvoerders, verantwoorden de appelrechters hun beslissing dat het strafdossier volledig is, naar recht. Het middel kan in zoverre niet worden aangenomen. Derde middel
  7. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en de artikelen 235bis en 235ter Wetboek van Strafvordering en miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging en van het recht op tegenspraak, zoals vastgelegd in de artikelen 127, 135, § 1 en § 3, 223 en 235bis, §

§ 4

, Wetboek van Strafvordering: de rechten van verdediging van de eiser werden geschonden doordat niet alle niet-vertrouwelijke stukken van het proactief dossier aan het strafdossier werden toegevoegd.

  1. Anders dan waarvan het middel uitgaat, blijkt uit het antwoord op het eerste en het tweede middel, dat de appelrechters hun beslissing dat het strafdossier volledig is, naar recht verantwoorden. Het middel kan niet worden aangenomen. Vierde middel
  2. Het middel voert schending aan van de artikelen 6 en 8 EVRM en de artikelen 47septies, § 2, derde lid, en 47novies, § 2, derde lid, Wetboek van Strafvordering: er is geen wettige basis om de periode van observatie en infiltratie aan de eiser te onthouden; de eiser heeft geen mogelijkheid om de rechtmatigheid van de inbreuk op zijn privéleven te controleren of tegen te spreken.
  3. De artikelen 47septies, § 2, derde lid, en 47novies, § 2, derde lid, Wetboek van Strafvordering bepalen dat in een proces-verbaal wordt verwezen naar de machtiging tot observatie en infiltratie en de vermeldingen bedoeld in de artikelen 47sexies, § 3, 1°, 2°, 3° en 5°, en 47octies, § 3, 1°, 2°, 3° en 5°, worden opgenomen. Daarentegen bepalen de artikelen 47septies, § 2, tweede lid, en 47novies, § 2, tweede lid, Wetboek van Strafvordering dat de officier van gerechtelijke politie bedoeld in artikel 47sexies, § 3, 6°, en artikel 47octies, § 3, 6°, proces-verbaal opstelt van de verschillende fasen van uitvoering van de observatie en infiltratie, maar hierin geen elementen vermeldt die de afscherming van de gebruikte technische hulpmiddelen en de politionele onderzoekstechnieken of de vrijwaring van de veiligheid en de afscherming van de identiteit van de uitvoerders in het gedrang brengen.
  4. Uit deze bepalingen volgt dat de vermeldingen in de artikelen 47sexies, § 3, 1°, 2°, 3° en 5°, en 47octies, § 3, 1°, 2°, 3° en 5°, Wetboek van Strafvordering in het proces-verbaal moeten worden opgenomen, tenzij zij vertrouwelijk zijn in de zin van de artikelen 47septies, § 2, en 47novies, § 2, voormeld.
  5. De periode tijdens dewelke de observatie en de infiltratie kunnen plaatsvinden, kan in bepaalde omstandigheden een inlichting zijn die van aard is dat haar mededeling de afscherming van de gebruikte technische hulpmiddelen en de politionele onderzoekstechnieken of de vrijwaring van de veiligheid en de afscherming van de identiteit van de uitvoerders in het gedrang brengt. In dat geval, waarover de kamer van inbeschuldigingstelling onaantastbaar oordeelt, is dat gegeven vertrouwelijk zodat het niet moet worden vermeld in het proces-verbaal bedoeld in artikel 47septies, § 2, derde lid, en artikel 47novies, § 2, derde lid, Wetboek van Strafvordering.
  6. Het feit dat de juiste periode van observatie en infiltratie in bepaalde gevallen vertrouwelijk is als bedoeld in artikel 47septies, § 2, derde lid, en artikel 47novies, § 2, derde lid, Wetboek van Strafvordering en daarom niet in het proces-verbaal van uitvoering is vermeld en bijgevolg niet aan de inverdenkinggestelde ter kennis is gebracht, levert geen schending op van de artikelen 6 en 8 EVRM. Dit is voor de inverdenkinggestelde weliswaar een beperking van zijn recht van verdediging en zijn recht op privéleven. Die beperking is evenwel verantwoord door de noodzaak de gebruikte technische hulpmiddelen en de politionele onderzoekstechnieken af te schermen alsmede de veiligheid van de uitvoerders te vrijwaren en hun identiteit af te schermen. Het middel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt naar recht. Vijfde middel Eerste onderdeel
  7. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 47sexies, § 3, 2°, en 47octies, § 3, 2°, Wetboek van Strafvordering: de appelrechters oordelen onterecht dat het proces-verbaal in het open dossier de redenen van de observatie en infiltratie niet moet vermelden.
  8. Krachtens de artikelen 47sexies, § 3, 2°, en 47octies, § 3, 2°, Wetboek van Strafvordering vermeldt de machtiging tot observatie en infiltratie de redenen waarom deze bijzondere opsporingsmethoden onontbeerlijk zijn om de waarheid aan de dag te brengen.
  9. Het onderdeel gaat geheel ervan uit dat de appelrechters oordelen dat de enkele vermelding dat andere onderzoeksdaden niet volstaan, voldoet aan de bijzondere motiveringsvereisten en dat de beschikking niet moet vermelden waarom de maatregel concreet onontbeerlijk is. De appelrechters oordelen: "Zoals ten deze blijkt het onontbeerlijk karakter van de bijzondere opsporingsmethoden uit de motiveringen van de machtigingen en uit de samenhang van de bewoordingen ervan" (r.o. 3.17). Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
  10. Het onderdeel voert schending aan van artikel 26, § 2, Bijzondere Wet op het Grondwettelijk Hof: de appelrechters hebben onterecht de door de eiser voorgestelde prejudiciële vraag niet gesteld aan het Grondwettelijk Hof.
  11. De appelrechters oordelen dat de door de eiser voorgestelde prejudiciële vragen niet moeten gesteld worden aan het Grondwettelijk Hof omdat de bestreden wetsbepalingen klaarblijkelijk niet een regel of een artikel van de Grondwet, bedoeld in artikel 26, § 1, Bijzondere Wet op het Grondwettelijk Hof schenden en het antwoord niet onontbeerlijk is om uitspraak te doen.
  12. Door aldus te oordelen verantwoorden de appelrechters hun beslissing om de prejudiciële vraag niet te stellen, naar recht. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Zesde middel
  13. Het midel voert schending aan van de artikelen 47sexies, § 3, 5°, en 47octies, § 3, 5°, Wetboek van Strafvordering en de artikelen 52, eerste lid, en 54 Gerechtelijk Wetboek en miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging en van het recht op tegenspraak, zoals vastgelegd in de artikelen 127, 135, § 1 en § 3, 223 en 235bis, §

§ 4

, Wetboek van Strafvordering: door te oordelen dat de begindatum van de periode van observatie of infiltratie is te rekenen vanaf de datum van de machtiging schendt het bestreden arrest artikel 52, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek en de bepalingen van de artikelen 47sexies, § 3, 5°, en 47octies, § 3, 5°, Wetboek van Starfvordering.

  1. Artikel 2 Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de regels van dat wetboek toepasselijk zijn op alle rechtsplegingen behoudens wanneer deze geregeld worden door niet uitdrukkelijk opgeheven wetsbepalingen of door rechtsbeginselen waarvan de toepassing niet verenigbaar is met de toepassing van de bepalingen van dit wetboek.
  2. De artikelen 47sexies, § 3, 5°, en 47octies, § 3, 5°, Wetboek van Strafvordering, bepalen dat de machtiging tot observatie of infiltratie schriftelijk is en de periode vermeldt tijdens welke de observatie of de infiltratie kan worden uitgevoerd en die, respectievelijk, niet langer mag zijn dan één maand of drie maanden te rekenen vanaf de datum van de machtiging. Omdat die bepalingen uitdrukkelijk vermelden dat de periode aanvangt op de dag van de machtiging en niet langer mag zijn dan één maand of drie maanden, wijken ze af van de termijnbepalingen waarin het Gerechtelijk Wetboek voorziet voor het verrichten van procesverhandelingen Dit betekent dat de periode van een maand of van drie maanden in de zin van de artikelen 47sexies, § 3, 5°, en 47octies, § 3, 5°, Wetboek van Strafvordering, aanvangt de dag van de machtiging tot dezelfde dag maar dan één maand of drie maanden later.
  3. Op grond van die redenen is het oordeel van het arrest dat de begindatum van de periode van observatie of infiltratie te rekenen is vanaf de datum van de machtiging, naar recht verantwoord. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Zevende middel Eerste onderdeel
  4. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 127, § 1, eerste lid, en 235ter, § 1, derde lid, Wetboek van Strafvordering: de appelrechters oordelen onterecht dat de controle van de bijzondere opsporingsmethoden kan gebeuren vooraleer het onderzoek voltooid is en in staat is voor de regeling van de rechtspleging.
  5. Krachtens artikel 235ter, § 1, derde lid, Wetboek van Strafvordering onderzoekt de kamer van inbeschuldigingstelling op het ogenblik dat de onderzoeksrechter zijn dossier aan de procureur des Konings overzendt bij toepassing van artikel 127, § 1, eerste lid, op vordering van het openbaar ministerie, de regelmatigheid van de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie die werden toegepast in het kader van het gerechtelijk onderzoek of in het daaraan voorafgaande opsporingsonderzoek. Uit deze wetsbepaling volgt niet dat het bedoeld onderzoek enkel kan gebeuren nadat het openbaar ministerie de regeling van de rechtspleging heeft gevorderd. Het onderdeel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt naar recht. Tweede onderdeel
  6. Het onderdeel voert schending aan van artikel 26, § 2, Bijzondere Wet op het Grondwettelijk Hof: de appelrechters hebben onterecht de door de eiser voorgestelde prejudiciële vraag niet gesteld aan het Grondwettelijk Hof.
  7. De appelrechters oordelen dat de door de eiser voorgestelde prejudiciële vragen niet moeten gesteld worden aan het Grondwettelijk Hof omdat de bestreden wetsbepalingen klaarblijkelijk niet een regel of een artikel van de Grondwet, bedoeld in artikel 26, § 1, Bijzondere Wet op het Grondwettelijk Hof schenden en het antwoord niet onontbeerlijk is om uitspraak te doen.
  8. Door aldus te oordelen verantwoorden de appelrechters hun beslissing om de prejudiciële vraag niet te stellen, naar recht. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Middelen van de eiser III.2 Eerste middel
  9. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en de artikelen 28bis, 47septies, 47novies, 235bis en 235ter, Wetboek van Strafvordering: de appelrechters doen uitspraak omtrent de regelmatigheid van de bijzondere opsporingsmethoden die werden uitgevoerd tijdens het proactief onderzoek; de eiser III.2 heeft zich hieromtrent niet kunnen verweren.
  10. Krachtens artikel 235ter, § 1, eerste lid, Wetboek van Strafvordering is de kamer van inbeschuldigingstelling belast met de controle over de toepassing van de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie. Deze controle behelst zowel de toepassing van de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie tijdens de proactieve fase als tijdens de reactieve fase.
  11. De appelrechters stellen vast dat de vordering van de federale procureur van 30 december 2009 tot controle door de kamer van inbeschuldigingstelling overeenkomstig artikel 235ter Wetboek van Strafvordering allesomvattend is en geen beperking inhoudt aangaande het deel in verband met de proactieve recherche en dat de federale procureur in de antwoord- en samenvattende conclusie verduidelijkt dat het vertrouwelijk dossier van de proactieve recherche werd voorgelegd ten einde de kamer van inbeschuldigingstelling te kunnen laten oordelen met volle kennis van zaken. Aldus blijkt dat ook de regelmatigheid van de bijzondere opsporingsmethoden welke werden uitgevoerd in de fase van het proactief onderzoek deel uitmaakte van het debat. Het middel kan niet worden aangenomen. Tweede middel
  12. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 149 Grondwet: de appelrechters antwoorden niet op de besluiten van de eiser III.2 waarin hij zich uitsluitend verweerde omtrent de regelmatigheid van de bijzondere opsporingsmethoden in het kader van het proactief onderzoek.
  13. Artikel 149 Grondwet is niet van toepassing op de beslissing van de onderzoeksgerechten die geen uitspraak doen over de gegrondheid van de strafvordering. Het middel faalt in zoverre naar recht.
  14. Anders dan waarvan het middel uitgaat, hebben de appelrechters met de redenen vermeld in het bestreden arrest geantwoord op het verweer van de eiser III.
  15. Het middel mist in zoverre feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek van de beslissing
  16. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers elk in de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op 275,27 euro, waarvan eiser I 68,31 euro verschuldigd is en eiser II, III en IV elk 68,82 euro verschuldigd zijn. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, vakantiekamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Jean de Codt, als voorzitter, en de raadsheren Albert Fettweis, Christine Matray, Sylviane Velu en Geert Jocqué, en op de openbare rechtszitting van 27 juli 2010 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Jean de Codt, als voorzitter, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100727.2 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20101123.6 ECLI:BE:CASS:2014:CONC.20140528.3 precedenten: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100427.8 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100629.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.