id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 06 september 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100906.3 Rolnummer: S.10.0004.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Arbeidsrecht - Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2010-09-30 Raadplegingen: 588 - laatst gezien 2026-07-02 05:46 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat met de bewoordingen "gunstiger termijnen, voortvloeiend uit de specifieke wetgevingen" zoals bepaald in artikel 23, eerste lid van de wet van 11 april 1995 tot invoering van het handvest van de sociaal verzekerde, ook de in de specifieke wetgevingen bepaalde verjaringstermijnen zijn bedoeld, binnen dewelke de vorderingen tot toekenning, betaling of terugvorderingen dienen te worden ingesteld wanneer in die wetgevingen geen beroepstermijn is bepaald, zodat het arrest dat oordeelt dat het beroep ingesteld overeenkomstig artikel 46 van de Jaarlijkse Vakantiewet binnen de verjaringstermijn van vijf jaar voor de vordering tot betaling van het vakantiegeld, zijnde een voor de verzekerde gunstiger termijn dan deze bepaald in artikel 23, eerste lid van het handvest van de sociaal verzekerde, tijdig werd ingesteld, zijn beslissing naar recht verantwoordt. Thesaurus CAS: JAARLIJKSE VAKANTIE UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Jaarlijkse vakantie - Vakantiegeld SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Algemeen (sociale zekerheid) - Handvest sociaal verzekerde - W. 11 april 1995 Vrije woorden: Vordering tot betaling van vakantiegeld - Verjaringstermijn - Handvest van de sociaal verzekerde - Gunstiger termijn voortvloeiend uit specifieke wetgeving - Toepassing Wettelijke bepalingen: Wet - 11-04-1995 - Art. 23, eerste lid Wet - 28-06-1971 - Art. 46 Thesaurus CAS: SOCIALE ZEKERHEID - WERKNEMERS UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Jaarlijkse vakantie - Vakantiegeld SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Algemeen (sociale zekerheid) - Handvest sociaal verzekerde - W. 11 april 1995 Vrije woorden: Handvest van de sociaal verzekerde - Gunstiger termijn voortvloeiend uit specifieke wetgeving Wettelijke bepalingen: Wet - 11-04-1995 - Art. 23, eerste lid Wet - 28-06-1971 - Art. 46 Tekst van de beslissing Nr. S.10.0004.N NATIONALE PATROONKAS VOOR HET BETAALD VERLOF IN DE BOUWBEDRIJVEN EN OPENBARE WERKEN, vereniging zonder winstoogmerk, met zetel te 1060 Brussel, Poincarélaan 78, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen D.P., verweerder, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 9051 Gent, Driekoningenstraat
- I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 5 oktober 2009 gewezen door het arbeidshof te Antwerpen. Raadsheer Eric Dirix heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 7, 8 (zoals vervangen bij wet van 25 juni 1997) en 23, eerste lid, (zoals vervangen bij wet van 25 juni 1997) van de Wet van 11 april 1995 tot invoering van het "handvest" van de sociaal verzekerde; - de artikelen 12 (vóór zijn wijziging bij wet van 24 december 2002), 44 en 46bis, eerste lid, (ingevoegd bij wet van 30 december 2001 en vóór zijn wijziging bij wet van 24 december 2002) van de op 28 juni 1971 gecoördineerde wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers, - de artikelen 22 en 23, inzonderheid §1, (zoals gewijzigd bij koninklijk besluit van 23 april 1997) van het koninklijk besluit van 30 maart 1967 tot bepaling van de algemene uitvoeringsmodaliteiten van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers. Bestreden beslissing De vierde kamer van het arbeidshof te Antwerpen verklaart in het bestreden arrest verweerders hoger beroep ontvankelijk en gegrond. Het arbeidshof vernietigt het vonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen van 24 april 2006 (behalve wat betreft de kosten), en opnieuw rechtdoende, oordeelt het arbeidshof dat verweerders oorspronkelijk beroep tijdig was ingediend, dat de eiseres vóór de inwerkingtreding van het koninklijk besluit van 10 november 2004 geen appreciatiebevoegdheid kende over de gegrondheid van de economische werkloosheid en dat de betreffende dagen van economische werkloosheid moesten worden gelijkgesteld met gewerkte dagen. Het arbeidshof vernietigt derhalve de beslissing van 20 juni 2002 en veroordeelt de eiseres tot betaling aan de verweerder van een achterstallig nettobedrag van 1658,17 euro, te verhogen met de wettelijke en gerechtelijke intresten, uit hoofde van vakantiegeld. De eiseres werd tevens in de kosten veroordeeld. Het arbeidshof grondt zijn beslissing onder meer op volgende motieven (arrest pp. 4 tot en met 6): "
- Ten gronde 4.
- Ontvankelijkheid van het beroep bij de arbeidsrechtbank Eerst wordt nagegaan of de wet van 11 april 1995 tot invoering van het "handvest" van de sociaal verzekerde (hierna wet handvest sociaal verzekerde) van toepassing is en of door de invoering van voormelde wet de termijn om beroep aan te tekenen wordt beperkt tot drie maanden. 4.1.
- Toepassing van de wet handvest sociaal verzekerde Partijen voeren geen betwisting over het feit dat de wet handvest sociaal verzekerde van toepassing is. Artikel 2 bepaalt inderdaad, met verwijzing naar de wet van 29 juni 1981 houdende algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, dat de regeling van de uitkeringen betreffende de jaarlijkse vakantie behoort tot de sociale zekerheid en voormelde wet hierop van toepassing is. Artikel 23 wet handvest sociaal verzekerde bepaalt: ‘Onverminderd gunstiger termijnen voortvloeiend uit specifieke wetgevingen moet tegen de beslissingen van de instellingen van sociale zekerheid die bevoegd zijn voor de toekenning, betaling of de terugvordering van prestaties, op straffe van verval, beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de kennisgeving van die beslissingen of na de kennisneming van de beslissing door de sociaal verzekerde indien geen kennisgeving plaats had. Onverminderd gunstiger termijnen voortvloeiend uit specifieke wetgevingen moet elk beroep tot erkenning van een recht tegen een instelling van sociale zekerheid ook worden ingesteld op straffe van verval, binnen drie maand na de vaststelling van het in gebreke blijven van de instelling'. (De eiseres) leidt uit deze bepaling af dat wanneer de specifieke wetgeving, hier de wetgeving betreffende de jaarlijkse vakantie, geen termijn voorziet om beroep in te stellen, de sociaal verzekerde binnen de drie maanden na ontvangst van de beslissing beroep moet instellen bij de bevoegde instelling. (Verweerder) stelt dat de gecoördineerde Wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van 28 juni 1971 (hierna: jaarlijkse vakantiewet) evenwel voorzien in een gunstigere termijn, waardoor een beroep niet binnen de drie maanden dient ingediend te worden. 4.1.
- Het ontbreken van een voorzieningstermijn Er dient een onderscheid gemaakt te worden tussen een verjaringstermijn en een voorzieningstermijn om beroep aan te tekenen tegen een administratieve beslissing. Zo bepaalt artikel 46bis jaarlijkse vakantiewet, zoals het van toepassing was op het ogenblik dat de bestreden beslissing werd genomen: ‘De vordering met het oog op de uitbetaling van het vakantiegeld van een arbeider of een leerling-arbeider of van een persoon onderworpen aan de sociale zekerheidsregeling voor werknemers ingevolge de door hem geleverde artistieke prestaties en/of de door hem geproduceerde artistieke werken verjaart na vijf jaar, vanaf het einde van het vakantiedienstjaar waarop dat vakantiegeld betrekking heeft'. Dit artikel voorziet derhalve in een verjaringstermijn van vijf jaar om een vordering tot uitbetaling van het vakantiegeld te stellen. Wanneer de bevoegde instelling, hier (de eiseres), evenwel een beslissing heeft genomen betreffende het recht op vakantiegeld, geldt evenwel de voorzieningstermijn om beroep in te stellen tegen deze beslissing en niet de verjaringstermijn. Er moet dus nagegaan worden welke voorzieningstermijn (verweerder) in acht had moeten nemen, waarbij vastgesteld wordt dat de jaarlijkse vakantiewet geen voorzieningstermijn bepaalt om beroep in te stellen. Door het ontbreken van een voorzieningstermijn leidt (de eiseres) hieruit af dat de termijn van drie maanden moet toegepast worden zoals bepaald door artikel 23 wet handvest sociaal verzekerde. Hiervoor verwijst (de eiseres) naar een verslag van de Commissie voor Sociale Zaken en naar de voorbereidende werken bij de invoering van de wet handvest sociaal verzekerde, waarin aanvankelijk een onderscheid gemaakt wordt tussen de verjaringstermijn en de termijn om beroep in te stellen. Uit de door (de eiseres) geciteerde documenten kan evenwel niet afgeleid worden dat de termijn van drie maanden ook toegepast moet worden in de hypothese wanneer de toepasselijke wetgeving, zoals deze betreffende de jaarlijkse vakantie, geen voorzieningstermijn voorziet. Bovendien blijkt uit de voorbereidende werken bij de wijziging van artikel 23 wet handvest sociaal verzekerde dat het niet de bedoeling was om in sectoren waar er geen termijn voorzien werd om beroep in te stellen, de termijn van drie maanden alsnog toe te passen: ‘In sommige sociale zekerheidsregelingen is thans geen termijn voorzien voor het instellen van beroep tegen (bepaalde) beslissingen. Daardoor is een beroep ontvankelijk indien het binnen de algemene termijn van 30 jaar wordt ingesteld. Daar deze termijn gunstiger is voor de betrokkene lijkt het niet de bedoeling van het Handvest om hier verandering in te brengen. Gelet op het ontbreken van een uitdrukkelijke ‘gunstiger bepaling' zou artikel 23 van het Handvest echter kunnen geïnterpreteerd worden in de zin dat toch de termijn van drie maand voor het instellen van een beroep van toepassing wordt. Daarom wordt voorgesteld om het begrip ‘gunstiger bepaling' te vervangen door ‘gunstiger termijn'. (Memorie van Toelichting bij het Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 11 april 1995 tot invoering van een handvest van de sociaal verzekerde, Parl. St. Kamer, 1996- 97, nr. 907/1, 19). Aangezien er in de sector van de jaarlijkse vakantie geen enkele termijn wordt bepaald en er door de invoering van de wet handvest sociaal verzekerde geen beperkende beroepstermijn wordt ingevoerd, moet er enkel rekening gehouden worden met de regelen inzake verjaring. (...). Aangezien de vordering werd ingesteld binnen de verjaringstermijn van vijf jaar - het beroep werd immers ingediend in november 2002 terwijl de beslissing van de (eiseres) op 20 juni 2002 werd ter kennis gebracht - is het beroep tijdig ingediend. De loutere vermelding van een beroepstermijn op de beslissing door de VZW is geen bindende termijn. De VZW kan immers de wettelijke rechten van de sociaal verzekerde niet beperken door eenzijdig een beroepstermijn te bepalen die niet wettelijk voorzien is. De verwijzing naar een advies van het auditoraat-generaal te Gent brengt hierin geen verandering. Het beroep werd derhalve tijdig ingediend en dient ten gronde onderzocht te worden." Grieven Luidens artikelen 12 en 44 van de op 28 juni 1971 gecoördineerde wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers en artikel 22 van het koninklijk besluit van 30 maart 1967 tot bepaling van de algemene uitvoeringsmodaliteiten van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers, hebben de bijzondere vakantiefondsen, zoals de eiseres er een is, tot opdracht aan de arbeiders die van hen afhangen het vakantiegeld uit te betalen waarop zij aanspraak kunnen maken in uitvoering van deze gecoördineerde wetten. Luidens artikel 8 van de wet van 11 april 1995 tot invoering van het "handvest" van de sociaal verzekerde, waarvan het arbeidshof vaststelt dat niet betwist werd dat ze van toepassing was op de regeling inzake de jaarlijkse vakantie, worden de sociale prestaties toegekend hetzij ambtshalve wanneer dit materieel mogelijk is, hetzij op schriftelijk verzoek. Het is niet gebruikelijk met betrekking tot het vakantiegeld een verzoek tot uitbetaling in te dienen. De werknemer moet dus niet om de betaling verzoeken. De betaling geschiedt ambtshalve, weze het na overlegging van de vereiste stukken, in beginsel op het ogenblik dat de arbeider zijn vakantie neemt (artikel 23 van het genoemde koninklijk besluit van 30 maart 1967). Zoals door de eiseres aangevoerd (syntheseconclusie p. 15, "uiterst ondergeschikt") en noch door de verweerder betwist, noch door het arbeidshof verworpen, betaalde de eiseres aan de verweerder op 19 juni 2002 een netto-vakantiegeld van 912,32 euro, daar waar hij bij gelijkstelling van de dagen van economische werkloosheid in het dienstjaar 2001, voor het vakantiejaar 2002 nog bijkomend recht zou hebben op netto 1658,17 euro. Zoals door de eiseres aangevoerd (syntheseconclusie p. 4, nr. 4) en door het arbeidshof erkend (arrest p. 3, bovenaan en p. 4, tweede volle alinea), bracht de eiseres, conform artikel 7 van de genoemde wet van 11 april 1995, met een aangetekend schrijven van 20 juni 2002 de verweerder op de hoogte van het feit dat de dagen van economische werkloosheid niet als gelijkgestelde arbeidsdagen werden in aanmerking genomen. Overeenkomstig artikel 23, eerste lid, van de wet van 11 april 1995 tot invoering van het ‘handvest' van de sociaal verzekerde, moet "onverminderd gunstiger termijnen voortvloeiend uit specifieke wetgevingen, tegen de beslissingen van de instellingen van sociale zekerheid die bevoegd zijn voor de toekenning, betaling of de terugvordering van prestaties, op straffe van verval, beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de kennisgeving van die beslissingen (...)". Aldus wordt een termijn bepaald binnen dewelke de sociaal verzekerde op straffe van verval moet opkomen tegen een voor hem ongunstige beslissing van een instelling van sociale zekerheid in de zin van artikel 2 van de genoemde wet van 11 april
- Terzake vakantiegelden voor arbeiders geldt geen "gunstiger termijn voortvloeiend uit een specifieke wetgeving" om op te komen tegen een beslissing van een instelling van sociale zekerheid. Anderzijds bepaalde artikel 46bis van de genoemde gecoördineerde wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers, zoals van kracht op 8 november 2002, datum waarop de verweerder een vordering instelde voor de arbeidsgerechten, dat de vordering met het oog op de uitbetaling van het vakantiegeld van een arbeider of een leerling-arbeider verjaarde na vijf jaar, vanaf het einde van het vakantiedienstjaar waarop dat vakantiegeld betrekking heeft. De verjaringstermijn en de termijn tot het instellen van een "beroep" tegen een beslissing van een instelling van sociale zekerheid, zijn van een verschillende orde, zoals ook door het arbeidshof erkend (arrest p. 5, nr. 4.1.2., eerste alinea). De verjaring is een middel om, na verloop van tijd, en onder de wettelijke vereisten, een recht te verkrijgen (verkrijgende verjaring) of van een verbintenis bevrijd te worden (bevrijdende verjaring). De termijn die op straffe van verval is voorgeschreven om een bepaalde beslissing van een instelling van sociale zekerheid te betwisten, strekt niet tot het verkrijgen van een recht noch tot bevrijding van een verbintenis. Het is een procedurele vereiste die noodzakelijk moet worden nageleefd om de gelding van een getroffen beslissing eventueel teniet te kunnen doen. De regel, neergelegd in artikel 23 van de genoemde wet van 11 april 1995, luidens dewelke de termijn van drie maanden om op te komen tegen beslissingen van de instellingen van sociale zekerheid moet wijken voor "gunstiger termijnen voortvloeiend uit specifieke wetgevingen", strekt ertoe voorrang te geven aan een in een specifieke wetgeving voorziene of hieruit voortvloeiende langere termijn om op te komen tegen de beslissingen van een instelling van sociale zekerheid. Bij ontstentenis van een gunstiger termijn, voortvloeiend uit een specifieke wetgeving, voor het betwisten van beslissingen van een instelling van sociale zekerheid, geldt derhalve de bij genoemd artikel 23 van de wet van 11 april 1995 gestelde termijn. De regel, neergelegd in dit artikel 23 van de wet van 11 april 1995, heeft niet tot gevolg dat, bij ontstentenis van enige termijn, in een specifieke wetgeving, voor het betwisten van beslissingen van een instelling van sociale zekerheid, toepassing moet worden gemaakt van de verjaringstermijn, voor zover die langer is dan drie maanden. Het arbeidshof kon derhalve niet wettig oordelen dat aangezien er in de sector van de jaarlijkse vakantie geen enkele termijn wordt bepaald (voor het betwisten van beslissingen van een instelling van sociale zekerheid) en er door de invoering van de wet handvest sociaal verzekerde geen beperkende beroepstermijn wordt ingevoerd, er enkel rekening moet gehouden worden met de regelen inzake de verjaring en dat, aangezien de vordering werd ingesteld binnen de verjaringstermijn van vijf jaar, het beroep tijdig was. Het arbeidshof schendt bijgevolg alle in het middel genoemde wetsbepalingen. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
- Krachtens artikel 23, eerste lid, van de wet van 11 april 1995 tot invoering van het handvest van de sociaal verzekerde (Wet Handvest Sociaal Verzekerde) moet, onverminderd gunstiger termijnen voortvloeiend uit de specifieke wetgevingen, tegen de beslissingen van de instellingen van sociale zekerheid die bevoegd zijn voor de toekenning, betaling of de terugvordering van prestaties, op straffe van verval, beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de kennisgeving van die beslissing of na de kennisneming van die beslissing door de sociaal verzekerde indien geen kennisgeving plaatshad.
- Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat met de bewoordingen "gunstiger termijnen, voortvloeiend uit de specifieke wetgevingen" ook de in de specifieke wetgevingen bepaalde verjaringstermijnen zijn bedoeld, binnen de welke de vorderingen tot toekenning, betaling of terugvorderingen dienen te worden ingesteld wanneer in die wetgevingen geen beroepstermijn is bepaald.
- Krachtens artikel 46bis, eerste lid, van het koninklijk besluit van 28 juni 1971 houdende aanpassing en coördinatie van de wetsbepalingen betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers, zoals te dezen van toepassing, verjaart de vordering tot uitbetaling van het vakantiegeld vijf jaar vanaf het einde van het vakantiedienstjaar waarop dat vakantiegeld betrekking heeft.
- Het arrest stelt vast dat: - in de sector jaarlijkse vakantie geen specifieke termijn is bepaald binnen dewelke beroep moet worden ingesteld tegen een beslissing van een verlofkas tot niet-toekenning van vakantiegeld om reden dat de in rekening gebrachte werkloosheidsdagen niet als gelijkgestelde dagen worden aanvaard omdat zij niet het gevolg zouden zijn van economische redenen; - de beslissing van de eiseres waarbij geen gelijkgestelde dagen werden aanvaard en dienvolgens het overeenstemmend vakantiegeld werd geweigerd, op 20 juni 2002 aan de verweerder ter kennis werd gebracht; - het beroep tegen de voormelde beslissing ingesteld werd in november
- Het arrest oordeelt dat dit beroep, ingesteld overeenkomstig voormeld artikel 46 van de Jaarlijkse Vakantiewet binnen de verjaringstermijn van vijf jaar voor de vordering tot betaling van het vakantiegeld, zijnde een voor de sociaal verzekerde gunstiger termijn dan deze bepaald in voormeld artikel 23, eerste lid, van het Handvest voor de Sociaal Verzekerde, tijdig werd ingesteld.
- Het arrest verantwoordt aldus zijn beslissing naar recht, zonder schending van de aangewezen wetsbepalingen. Het middel kan niet worden aangenomen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres in de kosten. Bepaalt de kosten op de som van 245,42 euro jegens de eisende partij en op de som van 223,72 euro jegens de verwerende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, en de raadsheren Eric Dirix, Eric Stassijns, Alain Smetryns en Koen Mestdagh, en in openbare terechtzitting van 6 september 2010 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100906.3 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2015:CONC.20150316.2 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251208.3F.6 ECLI:BE:CTLIE:2024:ARR.20240524.1 ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.163 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div