id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 14 september 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100914.4 Rolnummer: P.10.1068.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2010-10-05 Raadplegingen: 556 - laatst gezien 2026-06-18 21:02 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 3 Artikel 235ter Wetboek van Strafvordering verleent de kamer van inbeschuldigingstelling de duidelijk afgelijnde bevoegdheid om uitsluitend aan de hand van het vertrouwelijke dossier te onderzoeken of de grondrechten van de inverdenkinggestelde bij de aanwending van de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie niet op ontoelaatbare wijze zijn miskend, zonder dat het onderzoek bij toepassing van die wetsbepaling ook de controle van de regelmatigheid of de wettigheid van de onderzoekshandelingen observatie en infiltratie in hun geheel omvat; haar uitspraak heeft enkel een behoedend karakter, en alhoewel haar beslissing ook een gerechtelijk karakter heeft, treedt zij niet op als vonnisgerecht maar als onderzoeksgerecht zodat tegen dergelijke beslissing geen verzet mogelijk is
(1)Zie Cass., 20 april 2010, AR P.10.0128.N ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100420.3, A.C., 2010, nr. ... Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN Vrije woorden: Bijzondere opsporingsmethoden - Kamer van inbeschuldigingstelling - Controle over de toepassing van de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie - Omvang - Arrest - Aard - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 187, eerste lid, en 235ter - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Vrije woorden: Kamer van inbeschuldigingstelling - Controle over de toepassing van de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie - Omvang - Arrest - Aard - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 187, eerste lid, en 235ter - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: VERZET Vrije woorden: Kamer van inbeschuldigingstelling - Controle over de toepassing van de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie - Arrest - Karakter - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 187, eerste lid, en 235ter - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr. P.10.1068.N S. V., inverdenkinggestelde, eiser, met als raadsman mr. Hans Rieder, advocaat bij de balie te Gent, met kantoor te 9000 Gent, Recollettenlei 39-40, waar de eiser woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 27 mei
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Paul Maffei heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 14 IVBPR, de artikelen 6, 11, 12 en 13 Grondwet, artikel 26 Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof en de artikelen 187 en 235ter Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt ten onrechte dat eisers verzet tegen het bij verstek gewezen arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling van 20 november 2008 niet ontvankelijk is en dat er geen reden is een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof; dat arrest is gewezen met toepassing van artikel 235ter Wetboek van Strafvordering en doet ten gronde en definitief uitspraak over de regelmatigheid van de toepassing van de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie; wanneer dit arrest bij verstek gewezen is, vereist het recht om gehoord te worden dat de inverdenkinggestelde verzet kan doen tegen dit arrest, zo niet komt het eerlijke karakter van het proces in het gedrang; een gebrek aan verzet houdt een discriminatie in daar betwistingen over even ingrijpende onderzoeksmaatregelen zoals huiszoekingen en telefoontaps wel steeds opnieuw kunnen gevoerd worden in de latere stadia van de rechtspleging.
- Het middel vraagt de volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof: "Schenden de artikelen 187 of 235ter Wetboek van Strafvordering, of beiden, de artikelen 10 en 11 Grondwet, gelezen in samenhang met de artikelen 6 EVRM en 14 IVBPR, doordat daarin niet wordt voorzien in een mogelijkheid tot verzet tegen een arrest gewezen met toepassing van artikel 235ter Wetboek van Strafvordering bij verstek gewezen door de kamer van inbeschuldigingstelling waardoor op definitieve wijze wordt geoordeeld over de regelmatigheid of de wettigheid van de aangewende bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie, terwijl betwistingen omtrent de regelmatigheid of de wettigheid van huiszoekingen of telefoontaps - die even ingrijpende onderzoeksmaatregelen zijn voor diegene die er het voorwerp van uitmaakt - steeds opnieuw kunnen gevoerd worden nadat daarover in een verstekvonnis of -arrest al uitspraak is over gedaan?"
- Artikel 187, eerste lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt: "Hij die bij verstek is veroordeeld, kan tegen dit vonnis in verzet komen binnen een termijn van vijftien dagen na de dag waarop het is betekend." Deze bepaling houdt in dat tegen een bij verstek gewezen beslissing van een onderzoeksgerecht verzet slechts mogelijk is wanneer dit gerecht beslist als vonnisgerecht, dit is uitspraak doet over de gegrondheid van de strafvervolging en de beslissing het karakter heeft van een werkelijk vonnis.
- Artikel 235ter Wetboek van Strafvordering verleent de kamer van inbeschuldigingstelling evenwel niet de bevoegdheid te oordelen over de gegrondheid van de strafvervolging, met name over de materialiteit van de ten laste gelegde feiten, de toerekening ervan aan de inverdenkinggestelde en de op te leggen straf of maatregel.
- Binnen haar in artikel 235ter Wetboek van Strafvordering duidelijk afgelijnde bevoegdheid onderzoekt de kamer van inbeschuldigingstelling uitsluitend aan de hand van het vertrouwelijke dossier of de grondrechten van de inverdenkinggestelde bij de aanwending van de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie niet op ontoelaatbare wijze zijn miskend. Haar uitspraak heeft enkel een behoedend karakter en alhoewel haar beslissing van gerechtelijke aard is, treedt zij niet op als vonnisgerecht maar als onderzoeksgerecht.
- De controle van de kamer van inbeschuldigingstelling uitgevoerd met toepassing van artikel 235ter Wetboek van Strafvordering omvat niet de controle van de regelmatigheid of de wettigheid van onderzoekshandelingen observatie en infiltratie in hun geheel. Daarvoor kan een debat op tegenspraak worden aangegaan met toepassing van artikel 235bis Wetboek van Strafvordering. Dit kan gebeuren ofwel naar aanleiding van de controle ex artikel 235ter van hetzelfde wetboek, ofwel tijdens de regeling van de rechtspleging, ofwel wanneer de kamer van inbeschuldigingstelling op een andere wijze kennis neemt van de zaak. Voor zover het niet kon worden gevoerd vóór of ter gelegenheid van de regeling van de rechtspleging, kan dit debat ook aangegaan worden voor de feitenrechter. Aldus is het recht van verdediging van de beklaagde gewaarborgd.
- In zoverre het middel ervan uitgaat dat de beslissing van de kamer van inbeschuldigingstelling met toepassing van artikel 235ter Wetboek van Strafvordering definitief ten gronde uitspraak doet over de regelmatigheid van de onderzoekshandelingen observatie en infiltratie in hun geheel en een deel van de rechtsmacht van het vonnisgerecht uitoefent, faalt het naar recht.
- De aangevoerde schendingen van artikel 6 EVRM, artikel 14 IVBPR en de artikelen 6, 11, 12 en 13 Grondwet, zijn afgeleid uit de hiervoor vergeefs aangevoerde onwettigheden. In zoverre is het middel niet ontvankelijk.
- De voorgestelde prejudiciële vraag berust volledig op de hierboven onjuist bevonden stelling dat de beslissing van de kamer van inbeschuldigingstelling genomen met toepassing van artikel 235ter Wetboek van Strafvordering definitief ten gronde uitspraak doet over de regelmatigheid van de onderzoekshandelingen observatie en infiltratie in hun geheel. Het arrest dat op die grond oordeelt dat er geen aanleiding is tot het stellen van de prejudiciële vraag, is naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
- Gelet op wat voorafgaat, is er voor het Hof evenmin grond tot het stellen van de voorgestelde prejudiciële vraag. Ambtshalve beoordeling
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. Bepaalt de kosten op 66,55 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Etienne Goethals en de raadsheren Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt, Filip Van Volsem, en op de openbare rechtszitting van 14 september 2010 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem, met bijstand van Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100914.4 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2014:CONC.20140528.3 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250624.2N.45 precedenten: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100420.3 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150630.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div