← België

ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100917.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 17 september 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100917.1 Rolnummer: C.09.0572.N Kamer: 1N + Eerste Kamer + Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2010-09-30 Raadplegingen: 647 - laatst gezien 2026-07-01 23:45 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 De beslagrechter is bevoegd om te onderzoeken of de schuldvordering die uit de uitvoerbare titel blijkt niet is tenietgegaan na het ontstaan van de titel, in welk geval de tenuitvoerlegging onrechtmatig zou zijn

(1); de actualiteit van de uitvoerbare titel kan niet in het gedrang worden gebracht door het aanvoeren van feiten of omstandigheden die aan het oordeel van de rechter werden onderworpen die het vonnis heeft gewezen waarvan de tenuitvoerlegging wordt nagestreefd.
(1)Cass., 9 mei 2003, AR C.00.0656.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030509.3, A.C., 2003, nr.
  1. Thesaurus CAS: BESLAG - ALGEMEEN UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BESLAG EN EXECUTIE Vrije woorden: Beslagrechter - Bevoegdheid - Beslissing over de rechten der partijen - Titel - Actualiteit Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 1395 en 1489 Thesaurus CAS: BEVOEGDHEID EN AANLEG - BURGERLIJKE ZAKEN - Bevoegdheid - Volstrekte bevoegdheid (Materiële. Persoonlijke) UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BESLAG EN EXECUTIE Vrije woorden: Beslagrechter - Beslissing over de rechten der partijen - Titel - Actualiteit Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 1395 en 1489 Tekst van de beslissing Nr. C.09.0572.N L.G., eiser, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 9051 Gent, Driekoningenstraat 3, waar de eiser woonplaats kiest, tegen
  2. M.D.,
  3. V.E., verweerders, vertegenwoordigd door mr. François T'Kint, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 6000 Charleroi, rue de l'Athénée 9, waar de verweerders woonplaats kiezen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 27 februari 2008 gewezen door het hof van beroep te Antwerpen. Raadsheer Eric Dirix heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiser voert in zijn verzoekschrift twee middelen aan. Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari
  4. Aangevochten beslissingen In de bestreden beslissing verklaart het hof van beroep zowel het hoger beroep als het incidenteel beroep ontvankelijk en beide ongegrond. Het hof van beroep bevestigt de bestreden beschikking van 26 juni 2007 en aldus de veroordeling van de eiser door de beslagrechter in de rechtbank tot betaling aan de verweerders van 1.500,00 euro als vergoeding van de kosten voor rechtsbijstand. Het hof van beroep veroordeelt de eiser voorts tot betaling van de kosten van de procedure in hoger beroep. Het hof van beroep neemt die beslissingen op grond van alle vaststellingen en motieven waarop het steunt en die hier beschouwd worden integraal te zijn hernomen. Grieven
  5. In regelmatig ter griffie van het hof van beroep neergelegde conclusies voerde de eiser aan: "B. Omtrent de tegeneis van (de verweerders) en hun incidenteel beroep Per tegeneis verzochten (de verweerders) de rechtbank om (de eiser) te veroordelen tot het betalen van 3.000,00 euro wegens het voeren van een tergende en roekeloze procedure en van 1.500,00 euro ten titel van vergoeding van de kosten van rechtsbij-stand. De vordering tot schadevergoeding wegens tergend en roekeloos geding werd terecht afgewezen door de eerste rechter bij gebreke aan een tergend karakter in de vordering van (de eiser). De eerste rechter kende wel ten onrechte een vergoeding van 1.500,00 euro toe aan (de verweerders) voor de kosten van rechtsbijstand. (Het Hof) heeft tot op heden enkel uitspraak gedaan over de verhaalbaarheid van de kosten van bijstand van een raadsman in het kader van een procedure met een contractuele basis. ln het kader van procedures zonder contractuele basis, zoals in casu, laat echter het standpunt van het Grondwettelijk Hof niets aan de verbeelding over. Het toekennen van een vergoeding wegens gemaakte kosten voor bijstand van een raadsman heeft geen enkele wettelijke basis en kan bijgevolg niet toegekend worden. Het Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) verwoordde het als volgt (Arbitragehof 19 april 2006, www. arbitrage. be): B.1.
  6. Het honorarium en de kosten van een advocaat behoren, volgens de wil van de wetgever, niet tot de gerechtskosten die van de in het ongelijk gestelde partij kunnen worden gevorderd. B.1.
  7. Op grond van de regels van het Gerechtelijk Wetboek draagt derhalve iedere procespartij, behoudens de rechtsplegingsvergoeding, in beginsel zelf het honorarium en de kosten van haar advocaat. B.5.
  8. Dat verschil in behandeling vloeit echter niet voort uit de in de prejudiciële vragen vermelde artikelen van het Burgerlijk Wetboek. Het is te wijten aan het feit dat er geen bepalingen bestaan die de rechter in staat stellen het honorarium en de kosten van een advocaat ten laste te leggen van de verliezende partij. B.6 Om een einde te maken aan die discriminatie, staat het aan de wetgever te oordelen op welke wijze en in welke mate de verhaalbaarheid van het honorarium en van de kosten van een advocaat dient te worden georganiseerd. Om die redenen, Het Hof Zegt voor recht: De ontstentenis van wettelijke bepalingen die toelaten het honorarium en de kosten van een advocaat ten laste te leggen van de eisende partij of van de burgerlijke partij, die in het ongelijk worden gesteld bij een burgerlijke aansprakelijkheidsvordering, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens". De beslissing van de eerste rechter was on(grond)wettelijk en dient in die zin te worden herzien. ln deze is een dergelijke vordering zelfs ontoelaatbaar, minstens onontvankelijk. Daarenboven staat deze vordering in schril contrast met de bewering dat de verzekeraars de facto de procedure voeren en slechts de naam van (de verweerders) lenen. De staat van kosten en honoraria van de raadsman die in huidige procedure optreedt is immers gericht aan (de verweerders)...". en "Dienvolgens de tegenvordering tot vergoeding van de kosten voor bijstand van een advocaat af te wijzen als zijnde ontoelaatbaar, minstens onontvankelijk zoniet ongegrond". De eiser voerde het voornoemde verweer tegen de inwilliging van de oorspronkelijke tegeneis van de verweerders tot het verkrijgen van een vergoeding van 1.500,00 euro voor de kosten van rechtsbijstand ook al aan in zijn verzoekschrift tot hoger beroep van 19 juli
  9. Het hof van beroep bevestigt de bestreden beschikking van de beslagrechter van 26 juni 2007 zonder te antwoorden op het hierboven geciteerde, regelmatig en uitdrukkelijk aangevoerde verweer van de eiser met betrekking tot zijn veroordeling tot betaling van 1.500,00 euro aan de verweerders als vergoeding voor de kosten van rechtsbijstand en miskent derhalve artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet. Conclusie De beslissing van het hof van beroep tot bevestiging van de beschikking van de beslagrechter van 26 juni 2007 is niet wettig gemotiveerd in de mate dat zij de veroordeling van de eiser bevestigt tot betaling aan de verweerders van een vergoeding van 1.500,00 euro voor de kosten van rechtsbijstand (schending van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994). Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 1138, 2°, 1395, 1396, 1489, 1494 en 1498 van het Gerechtelijk Wetboek; - artikel 1353 van het Burgerlijk Wetboek; - het algemeen rechtsbeginsel beschikkingsbeginsel genaamd, zoals o.m. vervat in artikel 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek; - het algemeen rechtsbeginsel inzake de autonomie van de procespartijen. Aangevochten beslissingen In de bestreden beslissing verklaart het hof van beroep het hoger beroep van de eiser ontvankelijk maar ongegrond. Dienvolgens bevestigt het hof van beroep de bestreden beschikking van de beslagrechter van 26 juni 2007 en veroordeelt het de eiser tot betaling van de kosten van de procedure in hoger beroep. Het hof van beroep neemt die beslissingen op grond van alle vaststellingen en motieven, waarop hij steunt en die hier beschouwd worden integraal te zijn hernomen en in het bijzonder de volgende: "Bespreking
  10. Aan de beslagrechter (in hoger beroep) kan de rechtmatigheid van de tenuitvoerlegging voorgelegd worden en het komt hem in dat kader toe om de actualiteit van de titel op grond waarvan de tenuitvoerlegging gevorderd wordt te onderzoeken, o.m. of deze niet te niet gegaan is door uitdoving, bvb. door betaling. De beslagrechter mag hierbij echter geen afbreuk doen aan wat door de bodemrechter is beslist. Het moet dus gaan om omstandigheden die niet reeds aan het oordeel van de bodemrechter werden of konden worden onderworpen en het moet in principe dus gaan om omstandigheden van na het tijdstip van het ontstaan van de uitvoerbare titel (...).
  11. De beschouwingen van (de eiser) m.b.t. de feiten die aanleiding gaven tot de veroordeling door de bodemrechters zijn dan ook irrelevant voor de beoordeling van de rechtmatigheid van de tenuitvoerlegging. (De eiser) heeft zijn rechtsmiddelen uitgeput en ook zijn vordering tot herziening werd afgewezen. Het komt de beslagrechter niet toe in de beoordeling daarvan te treden.
  12. (De eiser) houdt voor dat (de verweerders) geen belang hadden en hebben om de vol-ledige schade te vorderen of te vervolgen, gezien zij tussen juli 1999 en juni 2000 grotendeels, m.n. op 30.198,53 euro na, werden schadeloos gesteld door hun risico-verzekeraars.
  13. In casu dient evenwel vastgesteld dat (de verweerders) wel degelijk beschikken over uitvoerbare titels voor de volledige schade, die slechts geruime tijd nadien tot stand gekomen zijn en zodat de voormelde feiten aan het oordeel van de bodemrechter konden onderworpen worden.
  14. Bovendien blijkt uit de door (de verweerders) voorgelegde stukken dat het aspect van het gebrek aan belang van (de verweerders) wegens vergoeding door de verzekeraars aan bod is gekomen bij de behandeling voor de correctionele rechtbank die aanleiding gaf tot het vonnis van 4 april 2003 (zie o.m. conclusies (van de eiser) voor de correctionele rechtbank p. 13 onder nr. 8: "Inzake een mogelijk belang in hoofde van (de verweerders)" Tenslotte mag niet vergeten worden dat naar aanleiding van de feiten het schip en de motor volledig werden hersteld via de casco-verzekeraars van het mts Korinthos..."). Niettemin werd de vordering van (de verweerders) integraal toegekend. Het blijkt dan ook dat dit aspect reeds aan het oordeel van de bodemrechters werd onderworpen.
  15. Ook in zijn conclusies bij de behandeling ten gronde voor (het hof van beroep te Antwerpen) maakte (de eiser) overigens gewag van de vergoeding van de schade door de verzekeraars.
  16. De vorderingen van (de eiser) gaan dan ook het kader van de beoordeling van de actualiteit van de titel te buiten.
  17. Het hoger beroep is bijgevolg ongegrond en de bestreden beschikking dient op dit punt bevestigd, zij het deels op andere gronden". Grieven
  18. Krachtens artikel 1395 van het Gerechtelijk Wetboek, neemt de beslagrechter kennis van de vorderingen betreffende de bewarende beslagen en de middelen tot tenuitvoerlegging. Die middelen zijn die welke de schuldenaar tot betaling dwingen langs de uitwinning van zijn goederen. Op grond van artikel 1396 van het Gerechtelijk Wetboek draagt de beslagrechter, onverminderd de bij de wet bepaalde middelen van nietigheid, zorg dat de bepalingen inzake bewarende beslagen en middelen tot tenuitvoerlegging worden nagekomen. Artikel 1489 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat alleen de beslagrechter bevoegd is om de geschillen over de regelmatigheid van de rechtspleging van bewarend beslag te be-slechten. De beschikking van de beslagrechter brengt geen nadeel toe aan de zaak zelf. Geen uitvoerend beslag op roerend of onroerend goed mag worden gelegd dan krachtens een uitvoerbare titel en wegens vaststaande en zekere zaken, zo luidt artikel 1494 van het Gerechtelijk Wetboek. ln geval van zwarigheden bij de tenuitvoerlegging kan iedere belanghebbende partij zich op grond van artikel 1498 van het Gerechtelijk Wetboek wenden tot de beslagrechter, evenwel zonder dat het instellen van deze vordering schorsende kracht heeft. De beslagrechter oordeelt derhalve of het (uitvoerend) beslag rechtmatig en regelmatig is. Hij mag evenwel geen kennis nemen van geschillen die wel verband houden met de tenuitvoerlegging, maar niet de rechtmatigheid of regelmatigheid ervan betreffen. De beslagrechter mag geen uitspraak doen over de zaak zelf, behalve in de uitzonderingen die de wet uitdrukkelijk bepaalt. De beslagrechter aan wie gevraagd is kennis te nemen van middelen van tenuitvoerlegging op de goederen van de schuldenaar, mag geen uitspraak doen over de rechten van de partijen waarover al is beslist in de titel op grond waarvan het betwist uitvoerend beslag is gelegd. Feiten waarover niet is beslist in de titel op grond waarvan het beslag is gelegd, kunnen, wanneer die feiten betrekking hebben op de rechtmatigheid of regelmatigheid van de tenuitvoerlegging, aan de beslagrechter worden voorgelegd, zelfs wanneer die feiten dateren van vóór het ontstaan van de uitvoerbare titel.
  19. Het hof van beroep wijst het hoger beroep van de eiser af als ongegrond op de motieven dat: - aan de beslagrechter de rechtmatigheid van de tenuitvoerlegging kan worden voorgelegd en het hem toekomt de actualiteit van de titel op grond waarvan de tenuitvoerlegging wordt gevorderd, te onderzoeken; - de beslagrechter daarbij geen afbreuk mag doen aan wat door de bodemrechter is beslist; - het dus moet gaan om omstandigheden die niet al aan het oordeel van de bodemrechter werden of konden worden onderworpen en het in principe dus moet gaan om omstandig-heden van na het tijdstip van het ontstaan van de uitvoerbare titel; - de eiser voorhoudt dat de verweerders geen belang hadden en hebben om de volledige schade te vorderen of te vervolgen, aangezien zij tussen juli 1999 en juni 2000 grotendeels, m.n. op een bedrag van 30.198,53 euro na, schadeloos werden gesteld door hun risico-verzekeraars; - evenwel moet worden vastgesteld dat de verweerders wel degelijk beschikken over uitvoerbare titels voor de volledige schade, die slechts geruime tijd nadien tot stand gekomen zijn, zodat de voormelde feiten aan het oordeel van de bodemrechter konden worden onderworpen; - bovendien blijkt uit de door de verweerders voorgelegde stukken dat het aspect van het gebrek aan belang van de verweerders gelet op hun schadeloosstelling door de verzekeraars aan bod is gekomen bij de behandeling voor de correctionele rechtbank die aanleiding gaf tot het vonnis van 4 april 2003, waarbij het hof van beroep vervolgens citeert uit een conclusie van de eiser; - dat de vordering van de verweerders door de correctionele rechtbank niettemin integraal werd toegekend en het dan ook blijkt dat dit aspect - d.i. het aspect van het belang van de eisers - al aan het oordeel van de bodemrechters werd onderworpen; - de eiser ook in de conclusies bij de behandeling van de zaak ten gronde voor het hof van beroep gewag maakte van de vergoeding van de schade door de verzekeraars; - de vorderingen van de eiser dan ook het kader van de beoordeling van de actualiteit van de titel te buiten gaan. Aangezien het de beslagrechter toekomt de rechtmatigheid en de regelmatigheid van de uitvoerbare titel na te gaan, en hij derhalve kennis kan nemen van grieven betreffende die rechtmatigheid of regelmatigheid die gesteund zijn op feiten waarover nog niet is beslist in de titel op grond waarvan het beslag is gelegd, ook al dateren die feiten van vóór het ontstaan van de uitvoerbare titel, wijst het hof van beroep het hoger beroep van de eiser niet wettig af als ongegrond op de motieven dat het enkel kennis kan nemen van omstandigheden die niet al aan het oordeel van de bodemrechter konden worden voorgelegd en dus omstandigheden die dateren van ná het tijdstip van het ontstaan van de uitvoerbare titel, en dat de verweerders beschikken over uitvoerbare titels voor de volledige schade die geruime tijd na de door de eiser ingeroepen feiten tot stand zijn gekomen, zodat die feiten al aan het oordeel van de bodemrechter konden worden onderworpen (miskenning van de artikelen 1395, 1396, 1489, 1494 en 1498 van het Gerechtelijk Wetboek). Het hof van beroep stelt voorts enkel vast dat blijkt dat het door de eiser aangevoerde aspect van gebrek aan belang van de verweerders gelet op hun schadeloosstelling door hun verzekeraars, op een bedrag van 30.198,53 euro na, aan het oordeel van de bodemrechters werd onderworpen, zonder na te gaan of noch vast te stellen dat de bodemrechters zich over dat aspect ook effectief hebben uitgesproken, m.a.w. zij de door de eiser ingeroepen grieven ook effectief hebben beslecht. De beslissing van het hof van beroep dat het hoger beroep ongegrond is, is dan ook niet naar recht verantwoord (schending van de artikelen 1395, 1396, 1489, 1494 en 1498 van het Gerechtelijk Wetboek).
  20. Voor zover het Hof van oordeel zou zijn dat het hof van beroep met de zinsneden dat "het aspect van het gebrek van belang van (de verweerders) aan bod is gekomen bij de behandeling voor de correctionele rechtbank die aanleiding gaf tot het vonnis van 04 april 2003" en "het blijkt dan ook dat dit aspect reeds aan het oordeel van de bodemrechters werd onderworpen", aldus moet worden gelezen dat de bodemrechters zich over het bedoelde aspect hebben uitgesproken, is de beslissing evenmin naar recht verantwoord. 3.
  21. Vermoedens die niet bij de wet zijn ingesteld, worden overeenkomstig artikel 1353 van het Burgerlijk Wetboek overgelaten aan het oordeel en aan het beleid van de rechter, die geen andere dan gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende vermoedens zal aannemen, en zulks alleen in de gevallen waarin de wet het bewijs door getuigen toelaat, behalve wanneer tegen een handeling uit hoofde van arglist of bedrog wordt opgekomen. Het Hof is bevoegd na te gaan of de feitenrechter uit de door hem gedane feitelijke vaststellingen geen gevolgtrekkingen maakt waarvan de grondslag niet kan worden verantwoord, en aldus na te gaan of de feitenrechter het rechtsbegrip feitelijk vermoeden niet miskent. Het hof van beroep leidt uit de loutere vaststellingen dat de eiser in conclusies voor de correctionele rechtbank aanvoerde dat "inzake een mogelijk belang in hoofde van (de verweerder) ... Tenslotte mag niet vergeten worden dat naar aanleiding van de feiten het schip en de motor volledig werden hersteld via de casco-verzekeraars van het mts Korinthos... en de vaststelling dat de eiser ook in zijn conclusies bij de behandeling van de zaak voor het hof van beroep gewag maakte van de vergoeding van de schade door de verzekeraars, niet wettig af dat over het bedoelde geschilpunt ook effectief werd beslist in de uitvoerbare titel. Die loutere vaststellingen betreffende aanvoeringen en vermeldingen gedaan in de conclusies van de eiser laten de door het hof van beroep gemaakte gevolgtrekking dat de bodemrechters over die aanvoeringen hebben beslist, niet toe, zodat het hof van beroep het rechtsbegrip feitelijk vermoeden en derhalve artikel 1353 van het Burgerlijk Wetboek miskent. 3.
  22. De eiser voerde in een regelmatig ter griffie van het hof van beroep neergelegde conclusie aan dat: - het door de verweerders gelegde beslag steunt op het in kracht van gewijsde getreden vonnis van de correctionele rechtbank te Antwerpen van 4 april 2003, zoals bevestigd door een arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 4 november 2004, - in een verhoor op 9 september 2005, d.i. na de veroordelingen van de eiser, mevrouw S.L. uiteenzette dat de verweerders tussen juli 1999 en juni 2000 schadevergoedingen ontvingen ten bedrage van 365.606,36 euro vanwege hun verzekeraars en dat de verzekeraars door de verweerders werden gesubrogeerd in al hun rechten en vorderingen tegenover derden. De voornoemde aanvoeringen van de eiser impliceren dat een en ander niet het voorwerp van discussie was in de procedure gevoerd voor de correctionele rechtbank die aanleiding gaf tot het vonnis van 4 april 2003, noch in de procedure gevoerd voor het hof van beroep die aanleiding gaf tot het (bevestigend) arrest van 4 november
  23. ln regelmatig ter griffie van het hof van beroep neergelegde conclusies voerden de verweerders aan: "Ondanks het bovenstaande, meent (de eiser) een ganse redenering te moeten opzetten, gebaseerd op de verhouding tussen (de verweerders) en hun verzekeraars, met de bedoeling zijn vaststaande schuld van 395.804,90 euro in hoofdsom, terug te brengen tot 30.198,54 euro in hoofdsom (?!). Ten onrechte verwijst (de eiser) naar de verhouding tussen (de verweerders) en hun verzekeraars. (De verweerders) herhalen dat deze verhouding in niets het bestaan van de schuld van (de eiser) beïnvloedt en de titel waarover (de verweerders) beschikken onverminderd laat bestaan. (De verweerders) en hun verzekeraars hebben geprocedeerd op basis van interne overeenkomst van naamlening. (De eiser) was zich immers van de verzekeringshouding bewust en heeft zich destijds gerealiseerd dat (de verweerders) vorderingsgerechtigd zijn en blijven tegen de aansprakelijke derde, zelfs wanneer de verzekeraars onder de polis tussenkomen, reden waarom de thans aangehaalde discussie niet in de bodemprocedure werd ontwikkeld.". Uit wat voorafgaat volgt dat de partijen het erover eens waren dat het aspect van het gebrek aan belang van de verweerders wegens hun schadeloosstelling door hun verzekeraars niet aan bod is gekomen in de procedure die tot de uitvoerbare titel heeft geleid. Door te oordelen dat het voornoemde aspect al aan het oordeel van de bodemrechters was onderworpen, werpt het hof van beroep een geschil op waarvan het bestaan door de conclusies van de partijen wordt uitgesloten en miskent het hof van beroep dan ook het algemeen rechtsbeginsel genaamd het beschikkingsbeginsel, artikel 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek en het algemeen rechtsbeginsel inzake de autonomie van de procespartijen. Conclusie Het hof van beroep oordeelt niet wettig dat de vorderingen van de eiser het kader van de beoordeling van de actualiteit van de titel te buiten gaan en verklaart het hoger beroep derhalve niet wettig ongegrond (schending van alle in de aanhef van het middel opgesomde wettelijke bepalingen en algemene rechtsbeginselen). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  24. De eiser heeft in zijn conclusie voor de appelrechters het verweer gevoerd zoals in het middel wordt weergegeven.
  25. Het arrest beantwoordt dit verweer niet. Het middel is gegrond. Tweede middel
  26. Uit de in randnummer 3.
  27. van de grieven aangehaalde conclusies van de partijen kan niet worden afgeleid dat zij het erover eens waren dat het aspect van de afwezigheid van het belang van de verweerders niet aan de orde is gekomen in de procedure die tot de uitvoerbare titel heeft geleid. In zoverre het middel de miskenning aanvoert van het algemeen rechtsbeginsel van de autonomie der procespartijen, ook beschikkingsbeginsel genoemd en de schending van artikel 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek, berust het op een verkeerde lezing van die conclusies en mist het feitelijke grondslag.
  28. De beslagrechter is bevoegd om te onderzoeken of de schuldvordering die uit de uitvoerbare titel, blijkt niet is tenietgegaan na het ontstaan van de titel, in welk geval deze niet meer actueel is en de tenuitvoerlegging onrechtmatig zou zijn. De actualiteit van de uitvoerbare titel kan niet in het gedrang worden gebracht door het aanvoeren van feiten of omstandigheden die aan het oordeel van de rechter werden onderworpen die het vonnis heeft gewezen waarvan de ten uitvoerlegging wordt nagestreefd.
  29. Het arrest stelt vast dat het door de eiser aangevoerde gebrek aan belang van de verweerders reeds aan bod was gekomen bij de behandeling voor de correctionele rechtbank en dit aan het oordeel van de bodemrechter was onderworpen, dat ook voor het hof van beroep, de eiser het verweer heeft gevoerd dat de verweerders reeds door de verzekeraars waren vergoed en dat niettemin de vordering van de verweerders integraal werd toegewezen.
  30. Door op grond van deze vaststellingen te oordelen dat de vergoeding van de verweerders door de verzekeraars niet meer voor de beslagrechter kan worden aangegrepen om het gebrek aan actualiteit van de veroordeling van de eiser aan te tonen, verantwoorden zij hun beslissing naar recht. Het middel kan in zoverre niet worden aangenomen. Dictum Het Hof, eenparig beslissend, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het uitspraak doet over de terugvordering van de verweerders met betrekking tot de vergoeding van de verweerders voor de kosten van juridische bijstand. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Gent. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit raadsheer Eric Dirix, waarnemend voorzitter, en de raadsheren Albert Fettweis en Beatrijs Deconinck, en in openbare terechtzitting van 17 september 2010 uitgesproken door raadsheer Eric Dirix, waarnemend voorzitter, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100917.1 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030509.3 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130104.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.