id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 20 september 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100920.2 Rolnummer: S.10.0015.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2010-10-05 Raadplegingen: 557 - laatst gezien 2026-07-02 03:07 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100920.2 Fiches 1 - 2 In geval niet met zekerheid blijkt op welk tijdstip alle rechters de beslissing hebben ondertekend en niet uitgesloten is dat deze ondertekening na de uitspraak op de openbare terechtzitting is gebeurd, is dit niet grievend wanneer vaststaat dat alle rechters de beslissing hebben genomen en deze ook door hen is ondertekend, zodat wanneer de beslissing vaststaat en zekerheid voorhanden is omtrent de magistraten die de beslissing hebben gewezen, de volgorde inzake ondertekening en uitspraak zonder belang is
(1)Zie de conclusie van het openbaar ministerie. Thesaurus CAS: RECHTERLIJKE ORGANISATIE - BURGERLIJKE ZAKEN UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Behandeling van de zaak - Vonnis - Ondertekening Vrije woorden: Vonnis of arrest - Uitspraak - Ondertekening van de beslissing - Volgorde inzake uitspraak en ondertekening - Belang Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 782, eerste lid Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 782bis, eerste lid Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Algemeen UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Behandeling van de zaak - Vonnis - Ondertekening Vrije woorden: Vonnis of arrest - Uitspraak - Ondertekening van de beslissing - Volgorde inzake uitspraak en ondertekening - Belang Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 782, eerste lid Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 782bis, eerste lid Fiches 3 - 4 Conclusie van advocaat-generaal MORTIER. Thesaurus CAS: RECHTERLIJKE ORGANISATIE - BURGERLIJKE ZAKEN UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Behandeling van de zaak - Vonnis - Ondertekening Vrije woorden: Vonnis of arrest - Uitspraak - Ondertekening van de beslissing - Volgorde inzake uitspraak en ondertekening - Belang Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Algemeen UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Behandeling van de zaak - Vonnis - Ondertekening Vrije woorden: Vonnis of arrest - Uitspraak - Ondertekening van de beslissing - Volgorde inzake uitspraak en ondertekening - Belang Tekst van de beslissing Nr. S.10.0015.N S.D., eiser, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de eiser woonplaats kiest, tegen RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, openbare instelling, met zetel te 1060 Sint-Gillis, Victor Hortaplein 11, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, bus 14, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 9 september 2009 gewezen door het arbeidshof te Antwerpen. Raadsheer Beatrijs Deconinck heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiser voert in zijn verzoekschrift twee middelen aan.
- Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 779, zoals van kracht vóór zijn wijziging bij wet van 26 april 2007, 782, inzonderheid eerste lid, 782bis en 1042, van het Gerechtelijk Wetboek, - artikel 31 van de wet van 26 april 2007 tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek met het oog op het bestrijden van de gerechtelijke achterstand. Bestreden beslissing De negende kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, verklaart in het thans bestreden arrest van 9 september 2009, het principaal hoger beroep van de verweerder ontvankelijk en gegrond en het incidenteel hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Het arbeidshof hervormt het bestreden vonnis van de arbeidsrechtbank van Tongeren van 24 oktober 2002 en opnieuw rechtdoende, verklaart de oorspronkelijke vordering van de verweerder ontvankelijk en gegrond. Het arbeidshof veroordeelt de eiser tot betaling aan de verweerder van 19.685,65 euro, vermeerderd met de aanvullende intresten aan de wettelijke intrestvoet vanaf 30 juli 1999 op 14.628,64 euro en verwijst de eiser tot de kosten. Dit arrest vermeldt te zijn gewezen door kamervoorzitter J. M. en raadsheren P. M. en J. V., en in openbare terechtzitting van 9 september 2009 te zijn uitgesproken door de voormelde voorzitter van de negende kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, waarna voornoemde leden van het arbeidshof tesamen met griffier E. N. het arrest ondertekenden. Grieven De wet van 26 april 2007 tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek met het oog op het bestrijden van de gerechtelijke achterstand, wijzigt onder meer de artikelen 779 (artikel 21) en 782 (artikel 23) van het Gerechtelijk wetboek, en voert een nieuw artikel 782bis (artikel 24) in dat wetboek in. Luidens artikel 31 van deze wet van 26 april 2007 is zij, met uitzondering van de artikelen 4, 5, 19, 22, 25, 26 tot 30, in elke aanleg van toepassing op de zaken waarvoor op 1 september 2007 geen rechtsdag of geen kalender voor de rechtspleging is vastgesteld, of waarvoor geen enkel verzoek tot vaststelling werd ingediend. Eerste onderdeel In zoverre het Hof zou oordelen dat in deze zaak vóór 1 september 2007 nog geen rechtsdag of geen kalender voor de rechtspleging is vastgesteld of in deze zaak geen verzoek tot vaststelling werd ingediend, moet worden vastgesteld dat artikel 782, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals dit werd gewijzigd bij wet van 26 april 2007, en in hoger beroep toepasselijk is ingevolge artikel 1042 van het Gerechtelijk wetboek, voorschrijft dat het vonnis "voor (lees: vóór) de uitspraak" ondertekend wordt door de rechters die het hebben gewezen en door de griffier. Uit geen enkel stuk waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat het arrest van 9 september 2009 van het arbeidshof vóór de uitspraak werd ondertekend door de rechters die het arrest hebben gewezen. De ondertekening van het arrest door de drie raadsheren die verklaren het arrest te hebben gewezen, ná de vermelding dat het arrest werd uitgesproken door de voormelde voorzitter van de negende kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, levert niet het bewijs op van het feit dat het arrest door de drie raadsheren werd ondertekend vóór de uitspraak van het arrest. De ondertekening van de rechterlijke beslissing vóór de uitspraak ervan kan immers niet attesteren wie het vonnis of arrest uitsprak. Door de ondertekening van de vaststelling wie het arrest uitsprak, blijkt onmiskenbaar dat deze ondertekening plaatsvond nà de uitspraak van het arrest. Het arbeidshof schendt dienvolgens de artikelen 782 en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek. Tweede onderdeel In zoverre het Hof zou oordelen dat in deze zaak vóór 1 september 2007 een rechtsdag of kalender voor de rechtspleging is vastgesteld of in deze zaak een verzoek tot vaststelling werd ingediend, moet worden vastgesteld dat overeenkomstig artikel 779 van het Gerechtelijk Wetboek, zoals van kracht vóór zijn wijziging bij wet van 26 april 2007 en toepasselijk in hoger beroep ingevolge artikel 1042 van het Gerechtelijk Wetboek, het vonnis of arrest slechts kon gewezen worden door het voorgeschreven aantal rechters, die alle zittingen over de zaak moeten hebben bijgewoond en dat, bij wettige verhindering van een rechter (of raadsheer) om de uitspraak bij te wonen van een vonnis (of arrest) waarover hij mede heeft beraadslaagd, de voorzitter een andere rechter (of raadsheer) moet aanwijzen om hem op het ogenblik van de uitspraak te vervangen. Te dezen blijkt uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan dat het arrest werd gewezen door kamervoorzitter J. M. en raadsheren P. M. en J. V., en in openbare terechtzitting van 9 september 2009 werd uitgesproken door de voormelde voorzitter van de negende kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, waarop eveneens aanwezig waren de raadsheren G. H. en J. V., zonder dat vastgesteld wordt dat raadsheren P. M. en J. V. wettig verhinderd waren de uitspraak van het arrest bij te wonen, noch dat raadsheren G. H. en J. V. zouden zijn aangeduid om in hun vervanging te voorzien. Het arbeidshof schendt bijgevolg de artikelen 779, zoals van kracht vóór zijn wijziging bij wet van 26 april 2007, en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek, en voor zoveel als nodig 782bis van het Gerechtelijk wetboek en 31 van de wet van 26 april 2007, tot wijziging van het Gerechtelijk wetboek met het oog op het bestrijden van de gerechtelijke achterstand.
- Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet, - de artikelen 915 en 921 van het Gerechtelijk Wetboek, - de artikelen 14, §1, en 22ter, van de Wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders (artikel 22ter in zijn versie na de invoeging bij wet van 22 december 1989 en in zijn versie na de wijziging bij koninklijk besluit van 10 juni 2001, bekrachtigd bij wet van 24 februari 2003). Bestreden beslissing De negende kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, verklaart in het thans bestreden arrest van 9 september 2009, "alle andersluidende en strijdige conclusies of besluiten verwerpende als niet ter zake dienend of ongegrond", het principaal hoger beroep van verweerder ontvankelijk en gegrond en het incidenteel hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Het arbeidshof hervormt het bestreden vonnis van de arbeidsrechtbank van Tongeren van 24 oktober 2002 en opnieuw rechtdoende, verklaart de oorspronkelijke vordering van de verweerder ontvankelijk en gegrond. Het arbeidshof veroordeelt de eiser tot betaling aan de verweerder van 19.685,65 euro, te vermeerderen met de aanvullende intresten aan de wettelijke intrestvoet vanaf 30 juli 1999 op 14.628,64 euro en verwijst eiser tot de kosten. Na te hebben vastgesteld (arrest p. 3, nr. 2) dat bij de eiser, zelfstandig uitbater van een restaurant, ter gelegenheid van een controleonderzoek op 27 april 1996 door de sociale inspectiediensten vier personen werkend werden aangetroffen terwijl zij niet ingeschreven waren in het personeelsregister en voor de twee deeltijdse diensters geen controledocument voor deeltijdse tewerkstelling (werkroosters) kon worden voorgelegd, motiveert het arbeidshof zijn beslissing als volgt: "
- De ambtshalve regularisatie betreffende in casu de deeltijdse werkneemsters Z.M. en A.R. op basis van voltijdse prestaties is gesteund op artikel 22ter van de RSZ-Wet en de vaststelling dat de publiciteitsvoorschriften inzake deeltijdse tewerkstelling niet is (lees: zijn) nageleefd. De gegevens van het proces-verbaal van de inspectiediensten van de RVA tonen aan dat de werkgever wel degelijk heeft nagelaten deze wettelijk bepaalde publiciteits-voorschriften te respecteren. Zoals hoger reeds aangehaald is de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid gerechtigd op basis van artikel 22ter van de RSZ-Wet een regularisatie op grond van voltijdse prestaties van deze beide werkneemsters vanaf hun in dienst name door te voeren.
- Tegenbewijs Het vermoeden waarop de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid zich op basis van artikel 22ter van de RSZ-Wet kan beroepen is weerlegbaar. (De eiser) doet in ondergeschikte orde het aanbod om met alle middelen van recht, getuigen en vermoedens inbegrepen, het bewijs te mogen leveren dat de werknemers (Z.M. en A.R.) vanaf respectievelijk het 4de en het 1ste kwartaal 1995 tot en met 27 april 1996 niet tewerkgesteld waren in een voltijdse uurrooster en dat A.R. op datum van 27 april 1996 nog schoolplichtig was en de lessen met volledig leerplan volgde. Het recht op getuigenverhoor is principieel een onderdeel van het recht op een behoorlijke rechtsbedeling en eerlijk proces (artikel 6 EVRM en artikel 14 1VBPR). De rechter oordeelt evenwel in feite of een getuigenbewijs dienstig kan worden geleverd, voor zover het principieel recht om zodanig bewijs te leveren niet wordt miskend. Bij een aanbod van getuigenverhoor dienen de feiten waarvan aangeboden wordt ze te bewijzen bepaald en ter zake dienend te zijn. Bovendien moeten zij vatbaar zijn voor tegenbewijs. De rechter dient aldus na te gaan of het feit nauwkeurig genoeg is omschreven, of het geschikt is om tot bewijs van het aangevoerde te dienen en of het, in de veronderstelling dat het vaststaat, van dien aard is dat het tot de motivering van de eindbeslissing kan bijdragen. De rechter kan het verzoek tot het horen van getuigen afwijzen omdat hij zich reeds voldoende voorgelicht acht of omdat het feit uit andere middelen afdoende is gebleken. Het (arbeids)hof is van oordeel dat het aanbod van getuigenverhoor in casu niet voldoet aan de vereisten van artikel 915 Gerechtelijk Wetboek.
- In casu heeft (de eiser) vooreerst niet aan de publiciteitsvoorwaarden voldaan en geen openbaarheid ingesteld overeenkomstig hetgeen wettelijk is bepaald (wet van openbare orde). Het is weliswaar vaste rechtspraak dat een verslag van onderzoek of van verhoor geen bijzondere bewijswaarde heeft (Cass. 28 april 1997, JTT 1997, 362). Het verslag geldt als inlichting (Arbh. Bergen 23 december 1993, JTT 1994, 306). Het heeft de bewijswaarde en bewijskracht van een buitengerechtelijke verklaring die door het arbeidsgerecht vrij en soeverein wordt beoordeeld (W. van Eeckhoutte, opsporing van sociaalrechtelijke misdrijven in ‘Sociaal Strafrecht', 1998, bladzijde 200, nr. 96). Het geldt als feitelijk vermoeden. In casu moet dienvolgens worden nagegaan wat het verslag juist inhoudt, welke verklaringen werden afgelegd en op welke wijze zij werden afgelegd. In casu hebben alle betrokkenen spontaan geantwoord op de vragen die werden gesteld. Nadien werd van hun verklaring lezing gegeven. Aansluitend hebben zij ieder hun verklaring ondertekend. Er werd hen een kopij van hun verklaring ter hand gesteld. Er is volgens de RSZ geen enkele reden voorhanden om aan de inhoud van de afgelegde verklaringen te twijfelen. Dit is in casu des te meer het geval aangezien (de verweerder, lees: de eiser) op geen enkel ogenblik in haar (lees: zijn) conclusies staande houdt dat de voorgelegde verklaring niet de verklaring zou zijn welke werd afgelegd. De RSZ steunt op deze afgelegde verklaringen. In dit verband dient echter ook gewezen te worden op het arrest van het Hof van Cassatie van 24 april 2006, S. 04.
- N, concl. Thijs, D., R.W. 2006.07,
- Een bekentenis mag inderdaad niet slaan op zaken waarover geen dading mag worden aangegaan. Dit geldt voor de al dan niet toepassing van het vermoeden van artikel 22ter, hetgeen een materie van openbare orde is waarover de wet niet toelaat te beschikken. De bekentenis van een feit dat een beslissend gegeven uitmaakt voor de al dan niet toepasselijkheid van artikel 22ter mag niet door het Hof aangenomen worden. Dit neemt echter niet weg dat die verklaringen wel als een gewoon bewijselement in aanmerking kunnen genomen worden waarvan het (arbeids)hof de bewijswaarde beoordeelt (Cass., 3de kamer, 24 april 2006, R. W. 2006-2007, 1002 en Arbh. Antwerpen, afdeling Antwerpen, 18 mei 2006, A.R. nr. 2005/0542).
- Vaak werd verder aangaande de bewijsvoering reeds terecht geoordeeld dat een arbeidsovereenkomst, individuele rekeningen alsook andere documenten welke bij het dossier worden gevoegd (eigen gemaakte overzichtsstaten betreffende voorgehouden uren van tewerkstelling en allerhande beschouwingen), op geen enkele wijze afdoende als tegenbewijs zijn aangezien de toepasselijke reglementering precies de controle van zwartwerk op het oog heeft en de eventuele voltijdse prestaties in het zwart circuit niet terug te vinden zijn in voornoemde documenten. De verplichte openbaarmaking wenst juist een betere kijk op de werkelijk verrichte prestaties te realiseren en een einde te stellen aan de praktijk van zwartwerk. Het zwartwerk is bijzonder moeilijk op te sporen wanneer het de vorm aanneemt van arbeid gepresteerd buiten een stelsel van deeltijdse arbeid dat zelf weinig precies omschreven is (Parlementaire Stukken Kamer, 1989-1990, nr. 975/10, P. 45 en Senaat 1989-1990, nr. 849 - 2, p. 24; Arbitragehof 1 april 1998, Arr. Nr. 40/98, Overweging B.4 (B.S. 20 mei 1998)). Zwartwerk neemt dus juist de vorm aan van arbeid die gepresteerd wordt buiten het opgegeven en aangegeven stelsel van deeltijdse arbeid. Dienvolgens kunnen de arbeidsovereenkomst, de individuele rekeningen en de documenten welke bij het dossier worden gevoegd, op zich niet gelden als tegenbewijs. Het is evident dat de deeltijdse arbeidsovereenkomst zelf en de sociale documenten die van een deeltijdse tewerkstelling gewag maken, als bewijselement vrij waardeloos zijn.
- Met betrekking tot de beoordeling van een getuigenverhoor als bewijsmiddel stelt de RSZ terecht dat de rechtspraak stelt dat de formele verklaringen van de werkgever zelf en van de werknemers niet afdoende als tegenbewijs zijn, gelet op de talrijke motieven die van aard kunnen zijn om de betrouwbaarheid van de verklaringen in twijfel te trekken (fiscale redenen, werkcollega's, mogelijke weerslag op onderhoudsgelden, tewerkstellingskansen, angst om te bekennen dat men gedeeltelijk niet officieel werkt), m.a.w. collusie. Het ondertussen tot stand gekomen tijdsverloop (meer dan 10 jaar na de controle) zal daarenboven in casu de nauwkeurigheid van eventuele getuigenverklaringen naar het oordeel van het Hof niet ten goede komen. Voor zover het de bedoeling van (de eiser) zou zijn de betrokken werknemers zelf te laten getuigen - volgens het (arbeids)hof diegenen die over ter zake dienende feiten zouden kunnen getuigen - kunnen hun verklaringen niet dienstig zijn om het vermoeden van artikel 22ter RSZ-Wet te weerleggen nu van hen niet kan gevergd worden dat zij zouden bekennen dat zij zich eventueel schuldig hebben gemaakt aan sociale en fiscale fraude (leunt aan bij het strafrechtelijke principe dat een getuige zichzelf niet kan incrimineren, wat nog eens een extra beletsel kan vormen voor het houden van de aangeboden onderzoeksmaatregel, aangezien hierdoor eventueel strafrechtelijke, fiscale delicten in hoofde van de getuigen voorwerp van bespreking zouden kunnen worden). Vervolgens staat er quasi geen mogelijkheid tot tegenverhoor open voor de RSZ. In het licht van voorgaande feitelijke overwegingen acht het (arbeids)hof het dan ook in casu niet meer nodig en nuttig in te gaan op het door (de eiser) geformuleerde aanbod van getuigenverhoor. Het komt het (arbeids)hof natuurlijk niet toe op voorhand in te schatten dat een getuigenverhoor geen dienstig bewijs zou kunnen opleveren. Het aangeboden getuigenbewijs voldoet echter ten deze alleszins niet aan de vereisten, gesteld door artikel 915 van het Gerechtelijk Wetboek en kan om die redenen niet worden toegestaan. Het bewijsaanbod betreft geen bepaald en ter zake dienend feit, maar hetgeen de conclusie zou moeten zijn uit die bepaalde, concrete en voor tegenbewijs door de RSZ (cf supra) vatbare feiten, zodat het dient afgewezen. De afwezigheid van enig element in die richting noch een concreet feit of loon waaruit zelfs maar een begin van bewijs kan gehaald worden, maakt dat het toelaten tot een effectief tegenbewijs niet aangewezen voorkomt. Het komt (de eiser) toe het nut en de werkzaamheid van haar (lees: zijn) bewijsaanbod aannemelijk te maken bij gebreke waarvan hierop niet dient ingegaan te worden.
- Nu het tegenbewijs niet daadwerkelijk geleverd wordt en het bewijsaanbod niet nuttig en werkzaam voorkomt blijft het vermoeden van artikel 22ter van de RSZ - Wet gelden en komt de oorspronkelijke vordering, die hierop gebaseerd is, gegrond voor." Grieven Luidens artikel 14, §1, van de Wet van 27 juni 1969 tot herziening van de Besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, worden de bijdragen voor sociale zekerheid berekend op grond van het loon van de werknemer. Artikel 22ter van dezelfde wet, zoals van kracht na de invoeging bij wet van 22 december 1989 bepaalde: "Behoudens bewijs van het tegendeel dat door de werkgever wordt aangebracht, worden de deeltijdse werknemers vermoed, bij ontstentenis van inschrijving in de documenten bedoeld bij de artikelen 160, 162, 163 en 165 van de Programmawet van 22 december 1989 of bij gebrek aan gebruik van de apparaten bedoeld bij artikel 164 van dezelfde wet, hun prestaties te hebben uitgevoerd volgens de werkroosters die werden openbaar gemaakt zoals bepaald in de artikelen 157 tot 159 van dezelfde wet. Bij ontstentenis van openbaarmaking van de werkroosters, worden de deeltijdse werknemers vermoed arbeid te hebben verricht in het kader van een arbeidsovereenkomst voor voltijdse arbeid." Artikel 22ter van dezelfde wet, zoals van kracht na de wijziging bij koninklijk besluit van 10 juni 2001 (bekrachtigd bij wet van 24 februari 2003) bepaalde: "Behoudens bewijs van het tegendeel dat door de werkgever wordt aangebracht, worden de deeltijdse werknemers vermoed, bij ontstentenis van inschrijving in de documenten bedoeld bij de artikelen 160, 162, 163 en 165 van de programmawet van 22 december 1989 of bij gebrek aan gebruik van de apparaten bedoeld bij artikel 164 van dezelfde wet, hun normale werkelijke arbeid te hebben uitgevoerd volgens de normale werkroosters van de betrokken werknemers die werden openbaar gemaakt zoals bepaald in de artikelen 157 tot 159 van dezelfde wet. Bij ontstentenis van openbaarmaking van de normale werkroosters van de betrokken werknemers, worden de deeltijdse werknemers vermoed arbeid te hebben verricht in het kader van een arbeidsovereenkomst voor arbeid als voltijdse werknemer." Zoals door het arbeidshof vastgesteld, wordt aldus een vermoeden ingesteld dat door de werkgever kan worden weerlegd met alle wettelijke middelen. Eerste onderdeel De eiser voerde regelmatig in zijn tweede syntheseberoepsbesluiten met betrekking tot de weerlegging van het bij artikel 22ter van de RSZ-Wet van 27 juni 1969 ingestelde vermoeden, onder meer het volgende aan: "Mevr. Albano is geboren op 16 december
- Op het ogenblik van de controle op 27 april 1996 was zij dus bijna 17,5 jaar. Zij was nog schoolplichtig. Het is dus onmogelijk dat zij voltijdse prestaties zou hebben geleverd. Dit was ook zeker niet het geval. Mevrouw Z. was huisvrouw en heeft ook nooit voltijdse prestaties geleverd." Aldus voerde de eiser als tegenbewijs van het door artikel 22ter van de RSZ-Wet ingestelde vermoeden in hoofdorde aan dat het uitvoeren van voltijdse prestaties door de genoemde personen in de feiten onmogelijk was omdat de eerste, juffrouw A., gelet op haar leeftijd nog schoolplichtig was en de andere, mevrouw Z., huisvrouw was. Overeenkomstig artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet moeten hoven en rechtbanken (onder meer) antwoorden op alle regelmatig aangevoerde, relevante grieven en middelen van verweer. Een pertinent en nauwkeurig geformuleerd verweermiddel wordt niet regelmatig verworpen door de aan de beslissing van de rechter gevoegde overweging dat "alle andersluidende en strijdige conclusies of besluiten (worden verworpen) als niet terzake dienend of ongegrond". Het arbeidshof, dat zich uitsluitend uitspreekt over het door eiser in ondergeschikte orde geformuleerde aanvullend bewijsaanbod, laat na te antwoorden op genoemd middel en schendt bijgevolg artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet. Het arbeidshof kon bijgevolg evenmin wettig oordelen dat het tegenbewijs van het door artikel 22ter van de R.S.Z.-Wet van 27 juni 1969 ingestelde vermoeden niet was bijgebracht (schending van artikelen 14, §1, en 22ter, van de Wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders (artikel 22ter in zijn versie na de invoeging bij wet van 22 december 1989 en in zijn versie na de wijziging bij koninklijk besluit van 10 juni 2001, bekrachtigd bij wet van 24 februari 2003)). Tweede onderdeel In zoverre het bestreden arrest aldus zou moeten worden gelezen dat het arbeidshof zou hebben geoordeeld dat meer in het bijzonder het feit dat juffrouw A. nog schoolplichtig was (en, zoals door eiser voorgehouden, dus geen voltijdse arbeidsprestaties kon leveren), niet bewezen was, moet worden vastgesteld dat het arbeidshof het in dat verband geformuleerde bewijsaanbod niet wettig kon verwerpen. Overeenkomstig artikel 915 van het Gerechtelijk Wetboek kan de rechter, indien een partij aanbiedt het bewijs van een bepaald en ter zake dienend feit te leveren door één of meer getuigen, die bewijslevering toestaan, indien het bewijs toelaatbaar is. Overeenkomstig artikel 921, eerste lid, van hetzelfde wetboek, staat het tegenbewijs van rechtswege vrij. De eiser formuleerde een aanvullend bewijsaanbod betreffende onder meer het feit dat "A.R. op datum van 27 april 1996 nog schoolplichtig was en de lessen met volledig leerplan volgde". Dit vormde een voldoende nauwkeurig bepaald feit, waarvan het tegenbewijs mogelijk is, en waarvan de rechter niet in redelijkheid en niet zonder miskenning van het principieel recht op bewijs door getuigen, kon oordelen dat het niet dienstig kon zijn tot bewijs van het feit dat de betrokkene niet tezelfdertijd een voltijdse dienstbetrekking kon uitoefenen. Het arbeidshof kon evenmin zonder miskenning van het principieel recht op bewijs door getuigen oordelen dat, met betrekking tot het precies feit of iemand op een bepaald ogenblik schoolplichtig was en lessen met een volledig leerplan volgde, het tijdsverloop van meer dan 10 jaar, "de nauwkeurigheid van eventuele getuigenverklaringen (...) niet ten goede komen". Het arbeidshof kon derhalve niet wettig het bovengenoemd, in ondergeschikte orde geformuleerde bewijsaanbod afwijzen en schendt de artikelen 915 en 921 van het Gerechtelijk Wetboek en 14, §1, en 22ter, van de Wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders (artikel 22ter in zijn versie na de invoeging bij wet van 22 december 1989 en in zijn versie na de wijziging bij koninklijk besluit van 10 juni 2001, bekrachtigd bij wet van 24 februari 2003). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
- Krachtens artikel 782, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals gewijzigd door artikel 23 van de Wet van 26 april 2007 tot wijziging van dit wetboek met het oog op het bestrijden van de gerechtelijke achterstand, wordt het vonnis voor de uitspraak ondertekend door de rechters die het hebben gewezen en door de griffier. Krachtens artikel 782bis, eerste lid, van dit wetboek, zoals ingevoegd bij artikel 24 van voormelde wet, wordt het vonnis uitgesproken door de voorzitter van de kamer die het heeft gewezen zelfs in afwezigheid van de andere rechters en, behalve voor straf- en in voorkomend geval voor tuchtzaken, van het openbaar ministerie.
- De eiser voert schending aan van de artikelen 782 en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek omdat niet blijkt dat het arrest voorafgaand aan de uitspraak werd ondertekend en de ondertekening door alle rechters na de vermelding van de uitspraak door de voorzitter integendeel aantoont dat die ondertekening plaats-vond na de uitspraak van het arrest.
- In geval niet met zekerheid blijkt op welk tijdstip alle rechters de beslissing hebben ondertekend en niet uitgesloten is dat deze ondertekening na de uitspraak op de openbare terechtzitting is gebeurd, is dit niet grievend wanneer vaststaat dat alle rechters de beslissing hebben genomen en deze ook door hen is ondertekend.
- Hieruit volgt dat wanneer de beslissing vaststaat en zekerheid voorhanden is omtrent de magistraten die de beslissing hebben gewezen, de volgorde inzake ondertekening en uitspraak zonder belang is.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat: - het arrest van 9 september 2009 vermeldt: "Aldus gewezen door dhr J. M., kamervoorzitter, dhr P. M., raadsheer in sociale zaken, als werkgever, dhr J. V., raadsheer in sociale zaken, als werknemer-bediende, bijgestaan door dhr. E. N., griffier"; - het verder vermeldt: "uitgesproken door voormelde voorzitter van de negende kamer (..)"; - het arrest door de 3 betrokken raadsheren en de griffier werd ondertekend.
- Uit deze niet-aangevochten vaststellingen volgt dat de beslissing door de drie voornoemde magistraten is genomen en ook ondertekend en dienvolgens vaststaat. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
- Krachtens artikel 31 van voormelde wet van 26 april 2007 is deze wet, met uitzondering van de artikelen 4, 5, 19, 22, 25, 26, 27, 28 en 30 in elke aanleg van toepassing op de zaken waarvoor op 1 september 2007 geen rechtsdag of geen kalender voor de rechtspleging is vastgesteld, of waarvoor geen enkel verzoek tot vaststelling werd ingediend. Om de latere instaatstelling en vaststelling van de rechtsdag wordt verzocht overeenkomstig de bepalingen van deze wet.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat door het arbeidshof pas een beschikking werd verleend op 6 maart 2008 en verbeterd bij beschikking van 16 juli 2008, ingaand op een verzoek van 15 februari
- Het onderdeel dat er van uitgaat dat een rechtsdag of kalender werd vastgesteld of aangevraagd voorafgaand aan 1 september 2007, mist feitelijke grondslag. Tweede middel Tweede onderdeel
- Wanneer de wet die vorm van bewijsvoering niet verbiedt, oordeelt de rechter op onaantastbare wijze in feite of een getuigenbewijs dienstig kan worden geleverd, mits hij het principieel recht om zodanig bewijs te leveren niet miskent.
- De eiser bood in zijn tweede syntheseberoepsconclusie aan om met alle middelen van recht, getuigen en vermoedens inbegrepen te bewijzen dat "A.R. op datum van 27.04.1996 nog schoolplichtig was en de lessen met volledig leerplan volgde".
- De appelrechters oordelen dat het niet meer nodig en nuttig voorkomt in te gaan op het geformuleerde aanbod van getuigenverhoor op de gronden dat: - het ondertussen voorhanden zijnde tijdsverloop, meer dan 10 jaar na de controle, in casu de nauwkeurigheid van eventuele getuigenverklaringen niet ten goede zal komen; - voor zover het de bedoeling van de verweerder zou zijn de betrokken werknemers zelf te laten getuigen, hun verklaringen niet dienstig kunnen zijn om het vermoeden te weerleggen omdat van hen niet kan gevergd worden dat zij zouden bekennen dat zij zich eventueel schuldig hebben gemaakt aan sociale en fiscale fraude, hetgeen aanleunt bij het strafrechtelijke principe dat een getuige zichzelf niet kan incrimineren; - er quasi geen mogelijkheid tot tegenverhoor openstaat voor de RSZ. Door aldus te oordelen, verantwoorden de appelrechters hun beslissing naar recht om niet op het aanbod tot getuigenbewijs in te gaan. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Eerste onderdeel
- De appelrechters oordelen dat "de afwezigheid van enig element in die richting noch een concreet feit of loon waaruit zelfs maar een begin van bewijs kan gehaald worden, maakt dat het toelaten tot een effectief tegenbewijs niet aangewezen voorkomt." Met deze reden en de redenen, hiervoor aangehaald in randnummer 11 verwerpt en beantwoordt het arrest het in het onderdeel bedoelde verweer. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Dictum, Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. Bepaalt de kosten op de som van 223,72 euro jegens de eisende partij en op de som van 82,42 euro jegens de verwerende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, en de raadsheren Eric Dirix, Beatrijs Deconinck, Alain Smetryns en Koen Mestdagh, en in openbare terechtzitting van 20 september 2010 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100920.2 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100920.2 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2011:CONC.20110505.11 ECLI:BE:CASS:2015:CONC.20150312.13 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div