← België

ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100920.3

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 20 september 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:

Art. 12, eerste lid Koninklijk Besluit - 25-11-1991 - Art.

46 Wet - 03-07-1978 - Art. 82 Fiche 4 Artikel 12, laatste lid van het koninklijk besluit van 7 december 1992 houdt in dat de door de werkgever met toepassing van dit artikel 12 gegeven verkorte opzeggingstermijn niet geschorst wordt, onder meer tijdens de periode waarin de onderneming wegens jaarlijkse vakantie is gesloten of de dagen waarop de werknemer buiten die periode jaarlijkse vakantie neemt. Thesaurus CAS: WERKLOOSHEID - RECHT OP UITKERING UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Brugpensioen - Algemeen SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Werkloosheid - Toekenningsvoorwaarden - Afwezigheid loon Vrije woorden: Conventioneel brugpensioen - Onderneming in moeilijkheden - Ontslag - Verkorte opzeggingstermijn - Schorsing - Toepassing Wettelijke bepalingen:

Art. 12

, laatste lid Fiche 5 Artikel 12, laatste lid van het koninklijk besluit van 7 december 1992 vindt alleen toepassing wanneer tijdens de verkorte opzeggingstermijn verder arbeid wordt verricht en heeft dus geen betrekking op het geval waarin de werkgever de arbeidsovereenkomst onmiddellijk beëindigt mits betaling van een opzeggingsvergoeding die overeenstemt met de duur van de verkorte opzeggingstermijn. Die bepaling ontslaat de werkgever die de arbeidsovereenkomst onmiddellijk beëindigt mits betaling van een opzeggingsvergoeding die een verkorte opzeggingstermijn dekt niet van de verplichting het bij artikel 46 van het Uitvoeringsbesluit Vakantiewet bepaalde vakantiegeld bij uitdiensttreding te betalen. Thesaurus CAS: WERKLOOSHEID - RECHT OP UITKERING UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Brugpensioen - Algemeen SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Werkloosheid - Toekenningsvoorwaarden - Afwezigheid loon Vrije woorden: Conventioneel brugpensioen - Onderneming in moeilijkheden - Ontslag - Onmiddellijke beëindiging van arbeidsovereenkomst mits betaling van opzeggingsvergoeding die de verkorte opzeggingstermijn dekt - Verplichtingen van de werkgever Wettelijke bepalingen:

Art. 12, laatste lid Tekst van de beslissing Nr.

S.10.0020.N P.W., eiser, vertegenwoordigd door mr. Michel Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 523, waar de eiser woonplaats kiest, tegen RIJKSDIENST VOOR ARBEIDSVOORZIENING, openbare instelling met rechtspersoonlijkheid, met zetel te 1000 Brussel, Keizerslaan 7, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Caroline De Baets, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 149, bus 20, waar de verweerder woonplaats kiest, en ten aanzien van HULPKAS VOOR WERKLOOSHEIDSUITKERINGEN, openbare instelling met rechtspersoonlijkheid, met zetel te 1210 Sint-Joost-ten-Node, Brabantstraat 62, in gemeenverklaring van het arrest opgeroepen partij. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 3 december 2009 gewezen door het arbeidshof te Brussel. Raadsheer Koen Mestdagh heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 44 en 46 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering; - artikel 20 van het ministerieel besluit van 26 november 1991 houdende de toepassingsregelen van de werkloosheidsreglementering; - artikel 12 van het koninklijk besluit van 7 december 1992 betreffende de toekenning van werkloosheidsuitkeringen in geval van conventioneel brugpensioen. Aangevochten beslissing Het bestreden arrest beslist dat de administratieve beslissing van 18 januari 2007 van de verweerder terecht en in overeenstemming met de wettelijke bepalingen werd genomen en dat bijgevolg de vordering in schadeloosstelling ten laste van de verweerder ongegrond is, verklaart het hoger beroep van de eiser ontvankelijk doch ongegrond en bevestigt het vonnis a quo in al zijn beschikkingen. Het arrest verantwoordt die beslissing met alle gronden, die hier geacht worden volledig weergegeven te zijn, inzonderheid met de overweging dat: "

  1. (De eiser) is van oordeel dat (de verweerder) ten onrechte de opzeggingstermijn ‘verlengd' heeft. Hij verwijst naar de toepassing van artikel 12 van het koninklijk besluit van 7 december 1992 dat voorziet dat, voor de toepassing van dit koninklijk besluit, geen rekening gehouden wordt met de verlenging van de opzeggingstermijn, zoals voorzien door artikel 38, §2, en 38 bis, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten.
  2. Om werkloosheidsuitkeringen te kunnen genieten moet de werkloze zonder arbeid en zonder loon zijn wegens omstandigheden onafhankelijk van zijn wil (artikel 44 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering - hierna genoemd werkloosheidsbesluit). Artikel 46 van het werkloosheidsbesluit bepaalt dan verder in zijn §1: ‘Wordt voor de toepassing van artikel 44 inzonderheid als loon beschouwd: 3° het vakantiegeld 5° de vergoeding waarop de werknemer aanspraak kan maken uit hoofde van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, met uitzondering van de vergoeding wegens morele schade en de vergoeding die toegekend wordt ter aanvulling van de werkloosheidsuitkering. De minister kan na advies van het beheerscomité bepalen: 1° het tijdstip waarop de werkloze de dagen gedekt door vakantiegeld of door de bezoldiging bedoeld in het eerste lid, 3° en 4°, moet uitputten alsmede de wijze waarop het aantal dagen dat door deze bezoldiging gedekt is wordt berekend'. In uitvoering van dit laatste lid bepaalt het ministerieel besluit van 26 november 1991, artikel 20, 1°, het volgende: ‘Artikel 20 De werkloze moet de dagen die gedekt zijn door vakantiegeld ten laatste uitputten in de maand december van het jaar dat volgt op het vakantiedienstjaar. De door vakantiegeld gedekte dagen mogen niet uitgeput worden tijdens periodes van volledige werkloosheid die niet vergoedbaar zijn in toepassing van artikel 46 van het koninklijk besluit ingevolge het ontvangen van een vergoeding wegens de beëindiging van de arbeidsovereenkomst ...'.
  3. Uit deze bepalingen volgt dat zowel het vakantiegeld als de verbrekingsvergoeding loon vormen voor de toepassing van artikel 44 van het werkloosheidsbesluit, zodat de werkloze geen werkloosheidsuitkeringen kan ontvangen voor de periodes waarop dit loon betrekking heeft. Indien de werkloze niet in staat geweest is zijn vakantiedagen uit te putten ten laatste in de maand december van het jaar dat volgt op het vakantiedienstjaar, dan dienen deze vakantiedagen aangerekend te worden vooraleer het recht op werkloosheidsuitkeringen effectief kan geopend worden (...). De omstandigheid dat de regeling inzake werkloosheid daarbij afwijkt van de regeling die van toepassing is in de verhouding tussen werkgever en werknemer in het kader van de vakantiewetgeving (waarbij de vakantie niet verder overdraagbaar is naar een volgend kalenderjaar) is geen reden om deze wetgeving niet toe te passen. Beide wetgevingen regelen een verschillende aangelegenheid.
  4. Overeenkomstig artikel 12, al.1, van het koninklijk besluit van 7 december 1992 kan, in het kader van een brugpensioenregeling voor de ondernemingen in moeilijkheden of voor de ondernemingen in herstructurering, worden voorzien in de inkorting van de opzeggingstermijn of van de door de opzeggingsperiode gedekte termijn, en dit in afwijking van artikel 46 van het werkloosheidsbesluit van 25 november
  5. Vereist is dat deze verkorting van de opzeggingstermijn wordt voorzien in een algemeen verbindend verklaarde CAO (of bij gebreke daaraan een CAO of een collectief akkoord goedgekeurd door de minister van Tewerkstelling en Arbeid) en dat de opzeggingstermijn, of de door de opzeggingsvergoeding gedekte periode, verstrijkt gedurende de periode tijdens dewelke de CAO of het collectief akkoord van toepassing zijn. Artikel 12, laatste alinea, bepaalt dat voor de toepassing van de artikelen 10, 11 en 12 van het besluit, geen rekening gehouden wordt met de verlenging van de opzeggingstermijn, zoals die volgt uit de toepassing van artikel 38, §2, en 38bis, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten (schorsing van de opzeggingstermijn tijdens de periode van jaarlijkse vakantie). De draagwijdte van deze bepalingen is: • te bepalen dat in het kader van de brugpensioenregeling voor ondernemingen in moeilijkheden of herstructurering, de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening dient rekening te houden met de aldus verkorte opzeggingstermijn en niet met de normale opzeggingstermijnen; • een vast karakter te verlenen aan de verkorte opzeggingstermijn. Daarbij lag, zoals terecht opgemerkt door het openbaar ministerie in zijn advies, kennelijk enkel de bedoeling voor te vermijden dat een schorsing van de opzeggingstermijn voor gevolg zou hebben dat deze opzeggingstermijn zou verstrijken na de geldigheidsperiode van de CAO of het collectief akkoord. Deze bepalingen zijn zonder invloed op de toepassing van de sub 2 genoemde wetsbepalingen en op het verbod om werkloosheidsuitkeringen te cumuleren met vakantiegeld. Overigens blijkt uit de neergelegde stukken dat (de eiser) in feite geen opzeggingstermijn gepresteerd heeft, maar dat hij een verbrekingsvergoeding ontvangen heeft, overeenstemmend met de opzeggingstermijn, zodat zijn situatie niet geviseerd wordt door artikel 12, laatste alinea. Deze laatste alinea verwijst, in tegenstelling met wat (de eiser) aanvoert in besluiten na advies van het openbaar ministerie, uitdrukkelijk enkel naar een verlenging van de opzeggingstermijn. Een opzeggingsvergoeding kan overigens per definitie niet verlengd worden.
  6. De bestreden beslissing werd dan ook terecht en in overeenstemming met wettelijke bepalingen genomen. Daaruit volgt noodzakelijk dat de vordering in schadeloosstelling ten laste van (de verweerder) ongegrond is. Het bestreden vonnis dient dan ook bevestigd te worden. Het arrest wordt gemeen verklaard aan de Hulpkas voor Werkloosheidsuitkeringen." Grieven
  7. Krachtens artikel 44 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering (hierna genoemd "werkloosheidsbesluit"), moet de werkloze, om werkloosheidsuitkeringen te kunnen genieten, zonder arbeid en zonder loon zijn wegens omstandigheden onafhankelijk van zijn wil. Krachtens artikel 46 van het werkloosheidsbesluit van 25 november 1991 wordt voor de toepassing van artikel 44 inzonderheid als loon beschouwd: 3° het vakantiegeld 5° de vergoeding waarop de werknemer aanspraak kan maken uit hoofde van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, met uitzondering van de vergoeding wegens morele schade en de vergoeding die toegekend wordt ter aanvulling van de werkloosheidsuitkering. De minister kan na advies van het beheerscomité bepalen: 1° het tijdstip waarop de werkloze de dagen gedekt door vakantiegeld of door de bezoldiging bedoeld in het eerste lid, 3° en 4°, moet uitputten alsmede de wijze waarop het aantal dagen dat door deze bezoldiging gedekt is, wordt berekend (artikel 46 van het werkloosheidsbesluit van 25 november 1991). In uitvoering van dit laatste lid bepaalt artikel 20 van het ministerieel besluit van 26 november 1991 houdende de toepassingsregelen van de werkloosheidsreglementering het volgende: "De werkloze moet de dagen die gedekt zijn door vakantiegeld ten laatste uitputten in de maand december van het jaar dat volgt op het vakantiedienstjaar. De door vakantiegeld gedekte dagen mogen niet uitgeput worden tijdens periodes van volledige werkloosheid die niet vergoedbaar zijn in toepassing van artikel 46 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 ingevolge het ontvangen van een vergoeding wegens de beëindiging van de arbeidsovereenkomst". Uit deze bepalingen volgt dat zowel het vakantiegeld als de verbrekingsvergoeding loon vormen voor de toepassing van artikel 44 van het werkloosheidsbesluit van 25 november 1991, zodat de werkloze geen werkloosheidsuitkeringen kan ontvangen voor de periodes waarop dit loon betrekking heeft. Indien de werkloze niet in staat geweest is zijn vakantiedagen uit te putten ten laatste in de maand december van het jaar dat volgt op het vakantiedienstjaar, dan dienen deze vakantiedagen aangerekend te worden vooraleer het recht op werkloosheidsuitkeringen effectief kan geopend worden.
  8. In afwijking van artikel 46 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 bepaalt artikel 12, lid 1, van het koninklijk besluit van 7 december 1992 betreffende de toekenning van werkloosheidsuitkeringen in geval van conventioneel brugpensioen echter dat voor de werknemers die behoren tot ondernemingen in moeilijkheden bedoeld in artikel 9, en dus met behoud van hun recht op werkloosheidsuitkeringen, in de inkorting van de opzeggingstermijn of van de door de opzeggingsvergoeding gedekte periode kan worden voorzien. Artikel 12, lid 3, van het koninklijk besluit van 7 december 1992 bepaalt dat voor de toepassing van artikel 12 geen rekening wordt gehouden met de verlenging van de opzeggingstermijn doorgevoerd in toepassing van artikel 38, §2, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten (schorsing van de opzeggingstermijn tijdens de periode van jaarlijkse vakantie). Hieruit blijkt dat in toepassing van artikel 12, lid 3, van het koninklijk besluit van 7 december 1992 de verkorte opzeggingsperiode of de verkorte periode gedekt door een opzeggingsvergoeding niet kan worden verlengd met vakantiedagen en moeten deze vakantiedagen evenmin als loon bedoeld in artikel 46 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 in aanmerking worden genomen voor de periode na het verstrijken van de verkorte opzeggingstermijn of de door de opzeggingsvergoeding gedekte (verkorte) periode. De omstandigheid dat de werkloze geen opzeggingstermijn heeft gepresteerd, maar dat hij een opzeggingsvergoeding ontvangen heeft, overeenstemmend met de opzeggingstermijn, doet hieraan geen afbreuk.
  9. In casu blijkt uit de stukken van het dossier dat de eiser in het kader van een herstructurering werd ontslagen op 23 juni 2005 en dat, ingevolge de erkenning van de onderneming als onderneming in moeilijkheden, tussen partijen, in toepassing van artikel 12 van het koninklijk besluit van 7 december 1992 betreffende de toekenning van werkloosheidsuitkeringen ingeval van conventioneel brugpensioen, een verkorte opzeggingstermijn van 15 maanden werd overeengekomen die afliep op 30 september
  10. Het bestreden arrest beslist dat de verkorte opzeggingsperiode dient te worden verlengd met de periode overeenstemmend met het aantal dagen waarvoor vakantie werd uitbetaald en dat de eiser aldus slechts vanaf 30 oktober 2006 aanspraak kon maken op werkloosheidsuitkeringen. Door te beslissen dat in toepassing van artikel 12, lid 3, van het koninklijk besluit van 7 december 1992 de verkorte opzeggingsperiode of de verkorte periode gedekt door een opzeggingsvergoeding dient te worden verlengd met vakantiedagen en dat deze vakantiedagen als loon bedoeld in artikel 46 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 in aanmerking moeten worden genomen voor de periode na het verstrijken van de verkorte opzeggingstermijn of de door de opzeggingsvergoeding gedekte (verkorte) periode, schendt het bestreden arrest de in de aanhef van het middel aangewezen wetsbepalingen. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
  11. Overeenkomstig artikel 44 van het Werkloosheidsbesluit moet de werkloze, om uitkeringen te kunnen genieten, wegens omstandigheden onafhankelijk van zijn wil zonder arbeid en zonder loon zijn. Krachtens artikel 46, §1, eerste lid, van het Werkloosheidsbesluit, wordt voor de toepassing van artikel 44 inzonderheid als loon beschouwd: 3° het vakantiegeld; 5° de vergoeding waarop de werknemer aanspraak kan maken uit hoofde van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, met uitzondering van de vergoeding wegens morele schade en de vergoeding die toegekend wordt ter aanvulling van de werkloosheidsuitkering. Krachtens artikel 46, §1, tweede lid, 1°, van het Werkloosheidsbesluit, kan de minister, na advies van het beheerscomité, het tijdstip bepalen waarop de werkloze de dagen gedekt door vakantiegeld of door de bezoldiging bedoeld in het eerste lid, 3°, moet uitputten, alsmede de wijze waarop het aantal dagen dat door deze bezoldiging gedekt is wordt berekend. Krachtens artikel 20, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Werkloosheid, moet de werkloze de dagen die gedekt zijn door vakantiegeld ten laatste uitputten in de maand december van het jaar dat volgt op het vakantiedienstjaar. De door vakantiegeld gedekte dagen mogen evenwel niet worden uitgeput tijdens periodes van volledige werkloosheid die niet vergoedbaar zijn in toepassing van artikel 46 van het Werkloosheidsbesluit ingevolge het ontvangen van een vergoeding wegens de beëindiging van een arbeidsovereenkomst.
  12. Krachtens artikel 46, eerste en tweede lid, van het koninklijk besluit van 30 maart 1967 tot bepaling van de algemene uitvoeringsmodaliteiten van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers, hierna Uitvoeringsbesluit Vakantiewet genoemd, betaalt de werkgever, wanneer het contract van een bediende een einde neemt, hem bij zijn vertrek (15,34 pct.) van de bij hem tijdens het lopend vakantiedienstjaar verdiende brutowedde, eventueel verhoogd met een fictieve wedde voor met effectief gewerkte dagen gelijkgestelde dagen van arbeidsonderbreking, en, wanneer de bediende de op het vorig dienstjaar betrekking hebbende vakantie nog niet heeft genoten, bovendien (15,34 pct.) van de bij hem tijdens dat dienstjaar verdiende brutowedde, eventueel verhoogd met een fictieve wedde voor met effectief gewerkte dagen gelijkgestelde dagen van arbeidsonderbreking.
  13. Uit de samenhang van de voormelde bepalingen volgt dat zowel de opzeggingsvergoeding als het bij artikel 46 van het Uitvoeringsbesluit Vakantiewet bedoelde vakantiegeld bij uitdiensttreding als loon moet worden aangezien voor de toepassing van artikel 44 van het Werkloosheidsbesluit, zodat de werkloze geen werkloosheidsuitkeringen kan genieten voor de periodes waarop die vergoedingen betrekking hebben, en dat de beide vergoedingen voor de toepassing van de werkloosheidsreglementering niet kunnen geacht worden eenzelfde kalenderperiode te dekken. Aldus kan de ontslagen bediende die van zijn werkgever zowel opzeggingsvergoeding als vakantiegeld bij uitdiensttreding ontvangt, slechts werkloosheidsuitkeringen genieten na het verstrijken van de door de opzeggingsvergoeding gedekte periode, verlengd met de niet opgenomen vakantiedagen, gedekt door het vakantiegeld bij uitdiensttreding.
  14. Artikel 12, eerste lid, van het ten dezen nog toepasselijke koninklijk besluit van 7 december 1992 betreffende de toekenning van werkloosheidsuitkeringen in geval van conventioneel brugpensioen bepaalt: "Voor de werknemers die behoren tot één van de ondernemingen of één van de instellingen bedoeld in artikel 9, kan in afwijking van artikel 46 van het voormeld koninklijk besluit van 25 november 1991 en dus met behoud van hun recht op werkloosheidsuitkeringen, worden voorzien in de inkorting van de opzeggings-termijn of van de door de opzeggingsvergoeding gedekte periode: 1° door een bij koninklijk besluit algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst; 2° bij gebrek daaraan, door een collectieve arbeidsovereenkomst of een collectief akkoord gesloten voor de toepassing van dit besluit en door de Minister van Tewerkstelling en Arbeid goedgekeurd; 3° en voor zover de opzeggingstermijn of de door de opzeggingsvergoeding gedekte periode van de ontslagen werknemer verstrijkt gedurende de periode tijdens dewelke zowel de collectieve arbeidsovereenkomst als het collectief akkoord die in een aanvullende vergoeding voorziet, als de toelating bedoeld in artikel 9, §5, van toepassing zijn." Die bepaling laat ondernemingen in moeilijkheden die herstructureren toe oudere werknemers met het oog op brugpensioen te ontslaan met een verkorte opzeggingstermijn, waarbij die werknemers voor de toepassing van artikel 46 van het Werkloosheidsbesluit niet worden geacht te verzaken aan een deel van de opzeggingstermijn waarop zij normaal recht hebben krachtens artikel 82 van de Arbeidsovereenkomstenwet. Deze werknemers worden aldus niet geacht vrijwillig zonder loon te zijn voor de duur waarmee de normale opzeggingstermijn werd ingekort.
  15. Krachtens artikel 12, laatste lid, van het voormelde koninklijk besluit van 7 december 1992, wordt voor de toepassing van de artikelen 10, 11 en 12 geen rekening gehouden met de verlenging van de opzeggingstermijn doorgevoerd in toepassing van de artikelen 38, §2, en 38bis van de Arbeidsovereenkomstenwet. Dit houdt in dat de door de werkgever met toepassing van artikel 12 van het voormelde koninklijk besluit van 7 december 1992 gegeven verkorte opzeggings-termijn niet wordt geschorst, onder meer tijdens de periode waarin de onderneming wegens jaarlijkse vakantie is gesloten of de dagen waarop de werknemer buiten die periode jaarlijkse vakantie neemt. Artikel 12, laatste lid, van het voormelde koninklijk besluit van 7 december 1992 vindt alleen toepassing wanneer tijdens de verkorte opzeggingstermijn verder arbeid wordt verricht en heeft dus geen betrekking op het geval waarin de werkgever de arbeidsovereenkomst onmiddellijk beëindigt mits betaling van een opzeggingsvergoeding die overeenstemt met de duur van de verkorte opzeggingstermijn. Die bepaling ontslaat de werkgever die de arbeidsovereenkomst onmiddellijk beëindigt mits betaling van een opzeggingsvergoeding die een verkorte opzeggingstermijn dekt, niet van de verplichting het bij artikel 46 van het Uitvoeringsbesluit Vakantiewet bepaalde vakantiegeld bij uitdiensttreding te betalen, en doet bijgevolg ook geen afbreuk aan de in randnummer 3 uiteengezette regelen. Het middel dat op een andere rechtsopvatting berust, faalt naar recht. Vordering tot bindendverklaring
  16. De verwerping van het cassatieberoep ontneemt alle belang aan de vordering tot bindendverklaring. Kosten
  17. Krachtens artikel 1017, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, dient de verweerder te worden veroordeeld in de kosten. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep en de vordering tot bindendverklaring. Veroordeelt de verweerder in de kosten. Bepaalt de kosten op de som van 105,14 euro jegens de eisende partij en op de som van 223,72 euro jegens de verwerende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, en de raadsheren Eric Dirix, Beatrijs Deconinck, Alain Smetryns en Koen Mestdagh, en in openbare terechtzitting van 20 september 2010 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100920.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.