id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 21 september 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100921.5 Rolnummer: P.10.1456.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Bestuursrecht - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2010-10-11 Raadplegingen: 451 - laatst gezien 2026-07-02 06:24 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Een verzoek tot invrijheidstelling kan overeenkomstig artikel 71, derde lid, Vreemdelingenwet pas om de maand worden ingediend; deze bepaling strekt ertoe te vermijden dat de vrijheidsberoving van de vreemdeling voortdurend aan de beoordeling van de onderzoeksgerechten wordt onderworpen, zodat hieruit volgt dat deze termijn van een maand dient gerekend te worden vanaf de laatste beschikking of arrest van het onderzoeksgerecht tot handhaving van de vrijheidsberoving
(1).
(1)Cass., 31 aug. 2010, AR P.10.1423.N ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100831.1, A.C., 2010, nr. ... Thesaurus CAS: VREEMDELINGEN UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - VREEMDELINGEN - Vreemdelingenwetgeving - Rechtsmiddelen Vrije woorden: Vreemdelingenwet - Vrijheidsberoving - Hechtenis - Verzoek tot invrijheidstelling - Voorwaarde - Termijn van één maand - Berekening Fiches 2 - 4 Artikel 5.4 E.V.R.M. verhindert niet dat aan het recht op voorziening bij de rechter door de vreemdeling die overeenkomstig artikel 5.1.f E.V.R.M. van zijn vrijheid is beroofd, bij wet bepaalde beperkingen worden gesteld; de omstandigheid dat de vreemdeling die van zijn vrijheid is beroofd, pas een nieuw verzoek tot invrijheidstelling kan indienen een maand na de beslissing van het onderzoeksgerecht waarbij een vorig verzoek werd verworpen, houdt geen begrenzing in waardoor het recht op toegang tot de rechter in de kern wordt aangetast. Thesaurus CAS: VREEMDELINGEN UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - VREEMDELINGEN - Vreemdelingenwetgeving - Rechtsmiddelen Vrije woorden: Vreemdelingenwet - Vrijheidsberoving - Hechtenis - Artikel 5.4 E.V.R.M. - Voorziening bij de rechter - Verzoek tot invrijheidstelling - Beperking - Termijn van één maand Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 5 - Artikel 5.1 UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - VREEMDELINGEN - Vreemdelingenwetgeving - Rechtsmiddelen Vrije woorden: Artikel 5.1.
- f)- Van zijn vrijheid beroofde vreemdeling - Recht op voorziening bij de rechter - Verzoek tot invrijheidstelling - Beperking - Termijn van één maand Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 5 - Artikel 5.4 UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - VREEMDELINGEN - Vreemdelingenwetgeving - Rechtsmiddelen Vrije woorden: Van zijn vrijheid beroofde vreemdeling - Recht op voorziening bij de rechter - Verzoek tot invrijheidstelling - Beperking - Termijn van één maand - Verzoenbaarheid Tekst van de beslissing Nr. P.10.1456.N M S, vreemdeling, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Sylvie Sarolea, advocaat bij de balie te Nijvel, tegen BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor migratie- en asielbeleid, met kantoor te 1040 Brussel, Wetstraat 51, voor wie optreedt de fod binnenlandse zaken, dienst vreemdelingenzaken, met kantoor te 1000 Brussel, Antwerpsesteenweg 59 b, ambtshalve tussenkomende partij, verweerder, met als raadsman mr. Carmenta Decordier, advocaat bij de balie te Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 10 augustus 2010. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Koen Mestdagh heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel 1. Het middel voert schending aan van artikel 5.3 EVRM, artikel 71, derde lid, Vreemdelingenwet en artikel 52 Gerechtelijk Wetboek: anders dan het arrest oordeelt, begint de in artikel 71, derde lid, Vreemdelingenwet bepaalde wachttermijn voor het indienen van een nieuw verzoek tot invrijheidstelling niet te lopen vanaf de laatste beslissing van het onderzoeksgerecht die de hechtenis handhaaft, maar vanaf het indienen van het verzoekschrift, zo niet wordt het in artikel 5.3 EVRM bepaalde recht om binnen een redelijke termijn te worden berecht of hangende het proces in vrijheid te worden gesteld, geschonden. 2. Een verzoek tot invrijheidstelling kan overeenkomstig artikel 71, derde lid, Vreemdelingenwet pas om de maand worden ingediend. Deze bepaling strekt ertoe te vermijden dat de vrijheidsberoving van de vreemdeling voortdurend aan de beoordeling van de onderzoeksgerechten wordt onderworpen. Hieruit volgt dat deze termijn van een maand dient gerekend te worden vanaf de laatste beschikking of arrest van het onderzoeksgerecht tot handhaving van de vrijheidsberoving. In zoverre het middel van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt het naar recht. 3. Artikel 5.3 EVRM heeft alleen betrekking op personen die gearresteerd zijn of gevangen worden gehouden overeenkomstig artikel 5.1.c dit is op verdachten die in voorlopige hechtenis zijn genomen. Die verdragsbepaling heeft geen betrekking op personen, zoals de eiser, die van hun vrijheid zijn beroofd overeenkomstig artikel 5.1.f EVRM. In zoverre het middel schending aanvoert van artikel 5.3 EVRM, faalt het eveneens naar recht. 4. Artikel 5.4 EVRM verhindert niet dat aan het recht op voorziening bij de rechter door de vreemdeling die overeenkomstig artikel 5.1.f EVRM van zijn vrijheid is beroofd, bij wet bepaalde beperkingen worden gesteld. De omstandigheid dat de vreemdeling die van zijn vrijheid is beroofd, pas een nieuw verzoek tot invrijheidstelling kan indienen een maand na de beslissing van het onderzoeksgerecht waarbij een vorig verzoek werd verworpen, houdt geen begrenzing in waardoor het recht op toegang tot de rechter in de kern wordt aangetast. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek van de beslissing 5. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. Bepaalt de kosten op 53,99 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt, Koen Mestdagh en Filip Van Volsem, en op de openbare rechtszitting van 21 september 2010 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100921.5 Gerelateerde publicatie(
- s)geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2013:CONC.20130918.3 precedenten: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100831.1 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110222.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div