← België

ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100928.4

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 28 september 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100928.4 Rolnummer: P.10.0099.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Belastingrecht - Strafrecht Invoerdatum: 2010-10-13 Raadplegingen: 696 - laatst gezien 2026-07-02 01:45 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100928.4 Fiche 1 Een veroordeling tot betaling van ontdoken rechten kan overeenkomstig artikel 266, §1, A.W.D.A. slechts solidair worden uitgesproken indien de betrokkene de fraude als overtreder of medeplichtige heeft gepleegd; dit kan blijken uit zijn strafrechtelijke veroordeling wegens de fraude, of ingeval de strafvordering is vervallen door verjaring en de strafrechter ertoe gehouden is uitspraak te doen over de vordering van de vervolgende partij tot betaling van de rechten lastens de betrokkene, uit de vaststelling dat hij als overtreder of medeplichtige de fraude heeft gepleegd

(1).
(1)Zie de concl. van het O.M. Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - DOUANE EN ACCIJNZEN - Algemeen (douane en accijnzen) Vrije woorden: Veroordeling tot betaling van de ontdoken rechten - Solidaire veroordeling - Voorwaarden - Verjaring van de strafvordering Fiche 2 Voor de vaststelling dat de verdachte de feiten als medeplichtige heeft gepleegd, is vereist maar volstaat het dat bewezen is dat hij wetens en willens de bij wet bepaalde vorm van medewerking aan het misdrijf heeft verleend
(1).
(1)Cass., 12 sept. 2006, AR P.06.0416.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060912.2, A.C., nr. 406. Thesaurus CAS: MISDRIJF - DEELNEMING UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - DOUANE EN ACCIJNZEN - Algemeen (douane en accijnzen) Vrije woorden: Medeplichtigheid Fiche 3 Een onthouding kan een strafbare deelneming uitmaken, zoals bepaald in de artikelen 66 en 67 Strafwetboek, onder meer wanneer op de betrokkene een positieve rechtsplicht rust om een bepaalde handeling te doen verrichten of te voorkomen en diens onthouding opzettelijk is en hierdoor het plegen van het strafbare feit wordt bevorderd
(1).
(1)Cass., 15 dec. 2009, AR P.07.1543.N ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091215.15, A.C., 2009, nr.
  1. Thesaurus CAS: MISDRIJF - DEELNEMING UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - DOUANE EN ACCIJNZEN - Algemeen (douane en accijnzen) Vrije woorden: Strafbare deelneming door onthouding Fiches 4 - 6 Conclusie van eerste advocaat-generaal DE SWAEF. Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - DOUANE EN ACCIJNZEN - Algemeen (douane en accijnzen) Vrije woorden: Veroordeling tot betaling van de ontdoken rechten - Solidaire veroordeling - Voorwaarden - Verjaring van de strafvordering Thesaurus CAS: MISDRIJF - DEELNEMING UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - DOUANE EN ACCIJNZEN - Algemeen (douane en accijnzen) Vrije woorden: Medeplichtigheid Strafbare deelneming door onthouding Tekst van de beslissing Nr. P.10.0099.N I R G R V A, geboren te Lokeren op 3 februari 1947, wonende te 9100 Sint-Niklaas, Sparrenhofstraat 91, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Filiep Deruyck, advocaat bij de balie te Antwerpen, tegen BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 14, voor wie optreedt de directeur der douane en accijnzen te Gent, met kantoor te 9000 Gent, Administratief Centrum Ter Plaeten, Sint-Lievenslaan 27, vervolgende partij, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie. II G R G H beklaagde, eiser, tegen BELGISCHE STAAT, reeds vermeld, vervolgende partij, verweerder. III
  2. R V B, beklaagde,
  3. A D J, beklaagde, eisers, met als raadsman mr. Hans Van Bavel, advocaat bij de balie te Brussel, tegen BELGISCHE STAAT, reeds vermeld, vervolgende partij, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 10 december
  4. De eiser I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. De eiser II voert geen middel aan. De eisers III voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Eerste advocaat-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen
  5. Het arrest stelt vast dat voor de telastleggingen A en B de strafvordering in hoofde van de eisers I en III is vervallen door verjaring. Het arrest ontslaat de ei-ser II van rechtsvervolging voor de telastlegging A. De tegen die beslissingen gerichte cassatieberoepen zijn bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Middel van de eiser I
  6. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 266 AWDA: nadat de appelrechters het verval van de strafvordering wegens verjaring vaststellen, veroordelen ze de eiser, solidair met andere beklaagden, tot betaling aan de verweerder van de ontdoken accijnsrechten, vermeerderd met de verwijlintrest; voor die solidaire veroordeling is er evenwel geen wettelijke grondslag (tweede onderdeel); de appelrechters hebben bovendien het verweer van de eiser op dit punt niet beantwoord (eerste onderdeel).
  7. Artikel 266, § 1, AWDA bepaalt dat, behoudens afwijkende regelingen, de overtreders en hun medeplichtigen solidair gehouden zijn tot het betalen van de rechten welke door de fraude aan de Schatkist worden onttrokken. Een veroordeling tot betaling van ontdoken rechten kan overeenkomstig artikel 266, § 1, AWDA slechts solidair worden uitgesproken indien de betrokkene de fraude als overtreder of medeplichtige heeft gepleegd. Dit kan blijken uit zijn strafrechtelijke veroordeling wegens de fraude, of ingeval de strafvordering is vervallen door verjaring en de strafrechter ertoe gehouden is uitspraak te doen over de vordering van de vervolgende partij tot betaling van de rechten lastens de betrokkene, uit de vaststelling dat hij als overtreder of medeplichtige de fraude heeft gepleegd. In zoverre het middel ervan uitgaat dat een solidaire veroordeling tot betaling van de rechten uitsluitend mogelijk is na een strafrechtelijke veroordeling als overtre¬der of medeplichtige aan de fraude, faalt het naar recht.
  8. De appelrechters overwegen dat in burgerlijk opzicht de in hoofde van de eiser vastgestelde fout hem nog steeds verplicht tot betaling van de ontdoken rech¬ten bij toepassing van de artikelen 283 en 266 AWDA (p. 25, ro 62), waarna zij de eiser solidair met andere beklaagden veroordelen tot betaling van de ontdoken ac¬cijnsrechten, vermeerderd met de verwijlintrest (p. 28). Met die reden en die beslissing beantwoorden zij het in het middel aangehaalde verweer. Het middel mist in zoverre feitelijke grondslag. Eerste middel van de eisers III
  9. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: de appelrechters antwoorden niet op het verweer dat de hoofdelijke gehoudenheid waarin artikel 283 samen met artikel 266 AWDA voorziet, ondanks de civiel internrech¬telijke kwalificatie, in werkelijkheid een straf is, die omwille van de strijdigheid met artikel 6.1 EVRM buiten toepassing moet worden gelaten.
  10. De appelrechters stellen vast dat de vordering van de verweerder tot betaling van de ontdoken rechten een burgerlijke rechtsvordering is, volledig te onderscheiden van de publieke vordering (p. 15, ro 27). Met die vaststelling beantwoorden zij het in het middel aangehaalde verweer. Het middel mist feitelijke grondslag. Tweede middel van de eisers III
  11. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, de artikelen 261 en 266 AWDA, de artikelen 436 en 437 van de programmawet van 27 december 2004 en de artikelen 39, 40 en 41 van de wet van 10 juni 1997 betreffende de al-gemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop: - hoewel de onttrekking van goederen aan accijnsheffing een misdrijf is dat algemeen opzet vereist, blijkt uit geen enkele overweging of vaststelling in het bestreden arrest dat de eisers zelf wetens en willens hebben gehandeld (eerste onderdeel); - de appelrechters stellen wetens en willens handelen gelijk met handelen zonder dwaling of overmacht en leiden uit de afwezigheid van onoverwinnelijke dwa¬ling of overmacht af dat de eisers zich wetens en willens hebben schuldig gemaakt aan de onttrekking van goederen aan de accijnsheffing (tweede onderdeel); - de overwegingen inzake het verzuim om ordentelijk toezicht uit te oefenen en het niet-handelen met de nodige diligentie alsook de vaststelling dat de vast-gestelde gebreken bij eenvoudig nazicht van de installatie gemakkelijk hadden kunnen worden opgemerkt, zijn constitutief voor een onachtzaamheidsmisdrijf; zij zijn dus in strijd met de eveneens gemaakte vaststelling dat de eisers wetens en willens hun medewerking aan de onttrekking aan ac¬cijnsheffing hebben verleend (derde onderdeel); - de appelrechters concretiseren niet met welke positieve handelingen of gekwalificeerde onthouding de eisers noodzakelijke of nuttige medehulp hebben verleend (vierde onderdeel). Eerste onderdeel
  12. Het bestreden arrest stelt bij de beoordeling van de gegrondheid van de vor¬dering tot betaling van de ontdoken rechten niet vast dat de eisers de feiten pleeg-den als dader maar wel als medeplichtige (p. 23-24, ro 53-54). Het onderdeel dat uitgaat van het tegendeel, berust op een onjuiste lezing van het arrest en mist in zoverre feitelijke grondslag.
  13. Voor de vaststelling dat de eisers de feiten als medeplichtigen hebben ge¬pleegd, is vereist maar volstaat het dat bewezen is dat zij wetens en willens de bij wet bepaalde vorm van medewerking aan het misdrijf hebben verleend.
  14. De appelrechters steunen hun oordeel dat de eisers wetens en willens nalatig zijn geweest en op die wijze derden hebben geholpen bij het plegen van de feiten of de fraude hebben vergemakkelijkt, onder meer op de volgende feitelijke ele-menten (p. 23-24, ro 53-54): - de vastgestelde mankementen aan het injectiesysteem waren niet van aard dat zij moeilijk of onmogelijk konden worden gedetecteerd door de eisers; - eventuele manipulaties van het injectiesysteem waren door hen zeer gemakke¬lijk te ontdekken, namelijk door een eenvoudig nazicht; - zij kenden de manke werking van de installatie, gelet op de diverse uitgevoerde herstellingen, waarvoor zij bestelbons ondertekenden. Met die overwegingen hebben zij wettig kunnen vaststellen dat de eisers wetens en willens aan de feiten hebben deelgenomen. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  15. De appelrechters stellen vast dat van overmacht of onoverwinnelijke dwa¬ling in hoofde van de eisers geen sprake is en wijzen aldus dit verweer af als on-gegrond. Zij leiden daaruit niet af dat de eisers wetens en willens hebben deelge¬nomen aan de onttrekking van goederen aan de accijnsheffing, maar steunen dat oordeel op een geheel van door hen aangehaalde feitelijke elementen (p. 23-24, ro 53-54). Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Derde onderdeel
  16. Het is niet dubbelzinnig eensdeels vast te stellen dat de eisers nalatig en niet diligent zijn geweest en niet het slachtoffer zijn van overmacht of van onoverwin¬nelijke dwaling aangezien het defect bij eenvoudig nazicht van de installa¬tie kon worden opgemerkt, en anderdeels op basis van een geheel van aangehaalde feitelijke elementen vast te stellen dat de eisers wetens en willens hun medewer¬king aan de onttrekking aan accijnsheffing hebben verleend. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Vierde onderdeel
  17. Een onthouding kan een strafbare deelneming uitmaken, zoals bepaald in de artikelen 66 en 67 Strafwetboek, onder meer wanneer op de betrokkene een posi¬tieve rechtsplicht rust om een bepaalde handeling te doen verrichten of te voor-komen en diens onthouding opzettelijk is en hierdoor het plegen van het strafbare feit wordt bevorderd.
  18. De appelrechters oordelen dat: - de eisers als (afgevaardigde) bestuurder uitgebreide controlebevoegdheden hadden teneinde ervoor te zorgen dat de accijnsreglementering stipt en nauwkeurig werd nageleefd, inzonderheid door het eigen personeel maar ook door de chauffeurs die daar kwamen laden; - eventuele manipulaties van het injectiesysteem, zoals concreet vastgesteld, voor en door de eisers, mits degelijke uitoefening van hun functies, zeer gemakkelijk waren te ontdekken; - de eisers overduidelijk wetens en willens hebben nagelaten nauwkeurig toezicht uit te oefenen op een mank werkende installatie, terwijl zij voor de goede werking ervan verantwoordelijk waren; - de manke werking van de installatie kan worden afgeleid uit de diverse herstellingen waartoe de eisers bestelbons ondertekenden; - het overduidelijk is dat het injectiesysteem diverse malen defect was, wat een zeer nauwkeurig toezicht van de eisers als bestuurders noodzaakte en hen in die hoedanigheid ook verantwoordelijk maakte tegenover de diensten der accijnzen; - de eisers door dit nauwkeurig toezicht accijnsrechtelijk normconform gedrag dienden te verwezenlijken in hoofde van de vennootschap en die verplichting tot toezicht op hen en niet op de werknemers rustte; - zo de eisers hun functie degelijk en nauwgezet hadden uitgeoefend, de feiten zich niet zouden hebben voorgedaan.
  19. Met die redenen geven zij wel degelijk aan dat op de eisers een positieve rechtsplicht rustte om een bepaalde handeling te doen verrichten of te voorkomen, hun onthouding opzettelijk was en zij hierdoor het plegen van de strafbare feiten hebben bevorderd. Zij verantwoorden aldus hun beslissing naar recht. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek van de overige beslissingen op de strafvordering.
  20. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers in de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op 207,78 euro waarvan de eisers I, II en III elk 69,26 euro verschuldigd zijn. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Etienne Goethals en de raadsheren Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt en Filip van Volsem, en op de openbare rechtszitting van 28 september 2010 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Marc De Swaef, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100928.4 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100928.4 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2015:CONC.20151217.5 ECLI:BE:CASS:2016:CONC.20160119.3 ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260203.2N.11 precedenten: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060912.2 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091215.15 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110525.4 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150929.9 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151110.4 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210602.2F.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.