← België

ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101004.3

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 04 oktober 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101004.3 Rolnummer: S.10.0006.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2010-10-29 Raadplegingen: 491 - laatst gezien 2026-07-02 05:35 Versie(s): Vertaling FR Fiche Uit artikel 3 van het koninklijk besluit van 4 juli 1984 volgt dat de R.V.A. niet kan overgaan tot de invordering van de bijzondere bijdrage voor de sociale zekerheid zolang de fiscale schuld door de bijdrageplichtige wordt betwist en niet definitief vaststaat. Thesaurus CAS: SOCIALE ZEKERHEID - ALGEMEEN UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Sociale zekerheid - Werknemer - Bijdragen - Bijzondere bijdragen Vrije woorden: Bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid - Invordering van de bijdrage - Betwisting van de fiscale schuld Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 04-07-1984 - Art. 3 Tekst van de beslissing Nr. S.10.0006.N RIJKSDIENST VOOR ARBEIDSVOORZIENING, openbare instelling, met zetel te 1000 Brussel, Keizerslaan 7, eiser, vertegenwoordigd door mr. Caroline De Baets, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 149, bus 20, waar de eiser woonplaats kiest, tegen

  1. C.C., en zijn echtgenote
  2. R.E., samenwonende te , verweerders, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, waar de verweerders woonplaats kiezen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 10 september 2009 gewezen door het arbeidshof te Brussel. Raadsheer Eric Stassijns heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Het verzoekschrift is aan dit arrest gehecht. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel Ontvankelijkheid
  3. De verweerders voeren aan dat het eerste onderdeel niet-ontvankelijk is omdat het slechts bepaalde redenen van de bestreden beslissing bekritiseert, terwijl het beschikkend gedeelte wettelijk verantwoord is door een andere niet-bekritiseerde reden. De eiser bekritiseert in het onderdeel niet de beslissing in zoverre de appelrechters oordelen dat de schuldvordering van de eiser geen schuldvordering is in de zin van artikel 2257 van het Burgerlijk Wetboek en in zoverre zij oordelen dat de verjaring van de vordering overeenkomstig artikel 2251 van het Burgerlijk Wetboek niet was geschorst.
  4. De eiser voert aan dat de verjaring van de bijzondere bijdrage niet kan lopen zolang het recht op de bijzondere bijdrage niet zeker, vaststaand en opeisbaar is, dat de bijdrage niet invorderbaar is zolang niet definitief over de fiscale betwisting uitspraak is gedaan en dat het bezwaar en het fiscaal beroep tegen de fiscale aanslagen belet dat de verjaring van de invordering van de bijzondere bijdrage begint te lopen zolang niet definitief over de fiscale betwisting uitspraak is gedaan. Anders dan de verweerders aanvoeren, bekritiseert het onderdeel aldus ook de redenen van het arrest dat eisers schuldvordering geen schuldvordering is in de zin van artikel 2257 van het Burgerlijk Wetboek. De grond van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen. Het onderdeel zelf
  5. Krachtens artikel 60 van de wet van 28 december 1983 houdende fiscale en begrotingsbepalingen, zijn de personen die onderworpen zijn aan om het even welk stelsel van sociale zekerheid of onder enig opzicht gerechtigd zijn op ten minste één van de prestaties van de sociale zekerheid en van wie het netto bedrag van de gezamenlijke belastbare inkomsten in de personenbelasting meer dan 3 miljoen frank bedraagt, jaarlijks gehouden tot betaling van een bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid voor de aanslagjaren 1983 tot
  6. Krachtens artikel 62 van de wet, moet de bijdrage het voorwerp uitmaken van een provisionele storting te verrichten voor 1 december van het jaar voorafgaand aan het aanslagjaar. Krachtens artikel 64 van de wet, worden de bijdrage, de provisionele storting en de verwijlintresten door de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening (RVA) geïnd, ingevorderd en besteed aan de werkloosheidsverzekering. De RVA is gemachtigd langs gerechtelijke weg tot invordering over te gaan en de Koning bepaalt de technische en administratieve voorwaarden waarin de RVA de inning en invordering uitvoert. De Koning mag de RVA geen ruimere bevoegdheden verlenen dan die welke toegekend zijn aan de Rijksdienst voor sociale zekerheid. Krachtens artikel 66 van de wet, zijn de openbare besturen, inzonderheid de besturen die afhangen van het Ministerie van Financiën, het Ministerie van Middenstand en het Ministerie van Sociale Zaken, verplicht aan de RVA de inlichtingen te verstrekken welke deze nodig heeft met het oog op de toepassing van hoofdstuk III met als opschrift "Bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid". Krachtens artikel 2 van het koninklijk besluit van 4 juli 1984 tot uitvoering van hoofdstuk III "Bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid" van de wet van 28 december 1983 houdende fiscale en begrotingsbepalingen, zendt de RVA aan de hand van de inlichtingen verstrekt door de in artikel 66 van de wet bedoelde openbare besturen aan de tot betaling van de bijzondere bijdrage gehouden personen een berekeningsblad met vermelding van het bedrag der verschuldigde bijdrage, de elementen op basis waarvan de bijdrage is vastgesteld, het eventueel saldo dat door de RVA geïnd of teruggeven moet worden en de verwijlintresten betreffende dit saldo. Het saldo moet door de tot betaling van de bijzondere bijdragen gehouden personen uiterlijk worden gestort de laatste dag van de maand volgend op die van de toezending van het berekeningsblad. Krachtens artikel 3 van dit besluit, zijn de personen die de aanslag betwisten welke voor hen de verplichting tot betaling van de bijzondere bijdrage meebrengt, gehouden aan de RVA het bewijs te leveren dat zij tegen deze aanslag een bezwaarschrift hebben ingediend of een beroep hebben ingesteld door hem een afschrift te doen toekomen van het ontvangstbewijs van het bezwaarschrift, bedoeld in artikel 271 van het Wetboek van Inkomstenbelastingen, of een afschrift van de kennisgeving van neerlegging, bedoeld in de artikelen 281 en 290 van hetzelfde wetboek. De indiening van een bezwaar- of van een beroepschrift schorst de periode niet gedurende welke de verwijlintresten lopen.
  7. Uit artikel 3 van het voormelde besluit volgt dat de eiser niet kan overgaan tot de invordering van de bijzondere bijdrage voor de sociale zekerheid zolang de fiscale schuld door de bijdrageplichtige wordt betwist en niet definitief vaststaat.
  8. De appelrechters die oordelen dat noch uit artikel 66 van de wet van 28 juni 1983 en de artikelen 2 en 3 het koninklijk besluit van 4 juli 1984, noch uit artikel 413 WIB 1992 volgt dat, wanneer de belastingplichtige zijn aanslag in de inkomstenbelasting heeft betwist, zulks voor de eiser een wettelijk beletsel uitmaakt om zijn schuldvordering uit te oefenen, schenden artikel 3 van het koninklijk besluit van 4 juli
  9. Het onderdeel is in zoverre gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrrest. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de zaak naar het arbeidshof te Antwerpen. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, en de raadsheren Eric Dirix, Eric Stassijns, Alain Smetryns en Koen Mestdagh, en in openbare terechtzitting van 4 oktober 2010 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101004.3 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.150 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.