← België

ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101012.2

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 12 oktober 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101012.2 Rolnummer: P.10.1535.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige - Strafrecht Invoerdatum: 2010-10-12 Raadplegingen: 1059 - laatst gezien 2026-07-02 09:54 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Uit het arrest nr. 120/2004 van het Grondwettelijk Hof van 30 juni 2004 blijkt dat de verplichting voor de burgerlijke partij haar cassatieberoep te laten betekenen strijdig is met de artikelen 10 en 11 Grondwet; hieruit volgt dat het verzuim voor de burgerlijke partij het cassatieberoep te laten betekenen niet de niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep tot gevolg kan hebben

(1).
(1)GwH, 30 juni 2004, nr. 120/2004; Cass., 12 okt. 2004, AR P.03.0009.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041012.7, A.C., 2004, nr. 472. Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Vormen - Vorm en termijn van betekening en-of neerlegging UTU-thesaurus: STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Gerechtelijk onderzoek - Toezicht door Kamer inbeschuldigingstelling Vrije woorden: Burgerlijke partij - Ongrondwettigheid van de betekeningsverplichting Thesaurus CAS: BETEKENINGEN EN KENNISGEVINGEN - ALLERLEI UTU-thesaurus: STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Gerechtelijk onderzoek - Toezicht door Kamer inbeschuldigingstelling Vrije woorden: Cassatieberoep - Burgerlijke partij - Ongrondwettigheid van de betekeningsverplichting Fiches 3 - 4 Artikel 235bis Wetboek van Strafvordering voert een rechtspleging op tegenspraak in, ook wanneer het openbaar ministerie de toepassing van dit artikel vordert, wat onderstelt dat alle partijen, daarin begrepen de burgerlijke partijen, moeten worden opgeroepen en gehoord; wanneer de partijen niet opgeroepen zijn, moet de behandeling van de zaak op een latere rechtszitting worden gesteld teneinde daaraan te voldoen
(1).
(1)Cass., 12 okt. 2010, AR P.10.1469.N ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101012.1, A.C., 2010, nr. ... Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Gerechtelijk onderzoek - Toezicht door Kamer inbeschuldigingstelling Vrije woorden: Kamer van inbeschuldigingstelling - Onderzoek van de regelmatigheid van de procedure - Rechtspleging op tegenspraak Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Gerechtelijk onderzoek - Toezicht door Kamer inbeschuldigingstelling Vrije woorden: Gerechtelijk onderzoek - Toezicht door de kamer van inbeschuldingstelling - Onderzoek van de regelmatigheid van de procedure - Rechtspleging Fiche 5 Wanneer de kamer van inbeschuldigingstelling in het kader van verzoek tot opheffing van een inbeslagname in toepassing van artikel 61quater Wetboek van Strafvordering, toepassing maakt van artikel 235bis van hetzelfde wetboek en de nietigheid uitspreekt van de inbeslagname en de opheffing ervan beveelt, brengt de vernietiging door het Hof van de beslissing over de regelmatigheid van de inbeslagname de vernietiging met zich mee van de beslissing waarbij de inbeslagname wordt opgeheven. Thesaurus CAS: CASSATIE - VERNIETIGING. OMVANG - Strafzaken - Strafvordering - Burgerlijke partij UTU-thesaurus: STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Gerechtelijk onderzoek - Toezicht door Kamer inbeschuldigingstelling Vrije woorden: Derde die zich geschaad voelt door een inbeslagname - Verzoek tot opheffing van de inbeslagname - Afwijzing door de onderzoeksrechter - Hoger beroep - Kamer van inbeschuldigingstelling - Onderzoek van de regelmatigheid van de rechtspleging - Vaststelling van de onregelmatigheid van de inbeslagname - Nietigverklaring van de inbeslagname - Opheffing van de inbeslagname - Cassatieberoep van de burgerlijke partij - Vernietiging van de beslissing over de regelmatigheid van de inbeslagname - Gevolg - Uitbreiding van de vernietiging tot de beslissing waarbij de inbeslagname werd opgeheven Tekst van de beslissing Nr. P.10.1535.N
  1. M. V. burgerlijke partij,
  2. J. C. burgerlijke partij,
  3. T. D. D. burgerlijke partij,
  4. F. H. burgerlijke partij,
  5. E. D. burgerlijke partij, met als raadslieden mr. Walter Van Steenbrugge en mr. Joachim Meese, advocaten bij de balie te Gent, met kantoor te 9820 Merelbeke, Jozef Hebbelynckstraat 2, alwaar de eisers woonplaats kiezen,
  6. N. F. burgerlijke partij, eiser, met als raadslieden mr. Christine Mussche en mr. Joachim Meese, advocaten bij de balie te Gent, met kantoor te 9820 Merelbeke, Jozef Hebbelynckstraat 2, alwaar de eiser woonplaats kiest, tegen
  7. AARTSBISDOM MECHELEN-BRUSSEL, vertegenwoordigd door vzw AARTSBISDOM MECHELEN-BRUSSEL, met zetel te 2800 Mechelen, Wollemarkt 15, verzoeker tot het opheffen van onderzoekshandelingen,
  8. G. D. verzoeker tot het opheffen van onderzoekshandelingen, verweerders, met als raadsman mr. Fernand Keuleneer, advocaat bij de balie te Brussel, met kantoor te 1000 Brussel, Verenigingstraat 28, alwaar de verweerders woonplaats kiezen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 9 september
  9. De eisers voeren in afzonderlijke memories, die aan dit arrest zijn gehecht, elk vier gelijkluidende middelen aan. In een aanvullende memorie geeft de eiser 1 nadere toelichting over het derde middel en verzoekt desbetreffende een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof. Raadsheer Paul Maffei heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd. II. VOORAFGAANDE RECHTSPLEGING De verweerders hebben op 15 juli 2010 een verzoekschrift neergelegd met toepassing van artikel 61quater Wetboek van Strafvordering tot opheffing van de inbeslagname van alles wat tijdens de huiszoekingen op 24 juni 2010 in beslag genomen werd. Bij beschikking van 30 juli 2010 heeft de onderzoeksrechter dit verzoek afgewezen. De verweerders hebben tegen die beschikking hoger beroep ingesteld en hebben tevens de kamer van inbeschuldigingstelling gevorderd de regelmatigheid van de rechtspleging te onderzoeken. De eisers hebben zich op 3 augustus 2010 in handen van de onderzoeksrechter burgerlijke partij gesteld. Het openbaar ministerie heeft gevorderd dat enkel het verzoek van de verweerders tot opheffing van de inbeslagnames uitgevoerd te Mechelen op 24 juni 2010 in de lokalen van het aartsbisschoppelijk paleis en in de woning van G. D. alsmede tot vernietiging van de onderzoeksdaden die daarop steunen, gegrond zou worden verklaard. Het heeft eveneens gevorderd dat de processen-verbaal met betrekking tot onderzoeksdaden ter griffie zouden worden neergelegd. Het bestreden arrest verklaart het verzoek van de verweerders strekkende tot het onderzoek van de regelmatigheid van de rechtspleging niet ontvankelijk. Het verklaart het verzoek van de verweerders strekkende tot de opheffing van de inbeslagname van documenten en voorwerpen bij derden evenmin ontvankelijk. Voor het overige beveelt het arrest de opheffing van de inbeslagnames op 24 juni 2010 verricht te Mechelen in de lokalen van het aartsbisschoppelijk paleis en in de woning en de kantoren van G. D., spreekt het de nietigheid uit van die onderzoekshandelingen en van de tot op de dag van de uitspraak verrichte onderzoeksdaden die daarop steunen en beveelt het dat de nietig verklaarde stukken uit het dossier worden verwijderd en neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middelen van niet-ontvankelijkheid van de cassatieberoepen
  10. De verweerders voeren aan dat de cassatieberoepen niet ontvankelijk zijn: het arrest maakt geen toepassing van artikel 235bis Wetboek van Strafvordering; daarenboven beschikken de eisers, die niet aanwezig waren in de procedure voor de kamer van inbeschuldigingstelling, niet over het vereiste belang en de vereiste hoedanigheid; het belang van de eisers om kennis te nemen van alle stukken van het strafdossier is geoorloofd noch rechtmatig; ten slotte zijn de cassatieberoepen aan de verweerders niet betekend.
  11. Anders dan de verweerders stellen, zijn de cassatieberoepen gericht tegen alle schikkingen van het bestreden arrest.
  12. Op het ogenblik dat de zaak door de kamer van inbeschuldigingstelling werd behandeld, hadden de eisers zich reeds burgerlijke partij gesteld. Zij hebben dus het vereiste belang en de vereiste hoedanigheid om cassatieberoep in te stellen.
  13. De vraag te weten of de eisers al dan niet een geoorloofd en legitiem belang hebben om kennis te nemen van de stukken van het strafdossier, is vreemd aan het belang en de hoedanigheid om cassatieberoep in te stellen tegen het arrest dat uitspraak doet over de regelmatigheid van de rechtspleging.
  14. Op vordering van het openbaar ministerie onderzoekt het arrest de regelmatigheid van de op 24 juni 2010 in de lokalen van het Aartsbisdom Mechelen-Brussel en in de woning van G. D. uitgevoerde huiszoekingen en van de daarop volgende onderzoeksdaden. Aldus maakt het arrest toepassing van artikel 235bis Wetboek van Strafvordering. Tegen die beslissing staat onmiddellijk cassatieberoep open.
  15. Uit het arrest nr. 120/2004 van het Arbitragehof van 30 juni 2004 blijkt dat de verplichting voor de burgerlijke partij haar cassatieberoep te laten betekenen strijdig is met de artikelen 10 en 11 Grondwet. Hieruit volgt dat het verzuim voor de burgerlijke partij het cassatieberoep te laten betekenen de niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep niet tot gevolg kan hebben.
  16. De middelen van niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep kunnen niet aangenomen worden. Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen
  17. Het arrest weert drie stukken uit de debatten neergelegd door een persoon die niet in zake is.
  18. Het arrest verklaart het verzoek van de verweerders gesteund op artikel 61quater Wetboek van Strafvordering deels niet ontvankelijk. Het verklaart het verzoek van de verweerders strekkende tot het onderzoek van de regelmatigheid van de rechtspleging evenmin ontvankelijk.
  19. In zoverre tegen die beslissingen gericht, zijn de cassatieberoepen bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Tweede middel van de eisers
  20. Het middel voert schending aan van artikel 235bis Wetboek van Strafvordering: het arrest gaat over tot de controle van de regelmatigheid van de rechtspleging en spreekt de nietigheid uit van bepaalde onderzoekshandelingen zonder de burgerlijke partijen te hebben gehoord.
  21. Zoals blijkt uit het antwoord op de middelen van niet-ontvankelijkheid van de cassatieberoepen, maakt het arrest toepassing van artikel 235bis Wetboek van Strafvordering.
  22. Artikel 235bis Wetboek van Strafvordering voert een rechtspleging op tegenspraak in, ook wanneer het openbaar ministerie de toepassing van dit artikel vordert. Dit onderstelt dat alle partijen, daarin begrepen de burgerlijke partijen, moeten worden opgeroepen en gehoord. Wanneer de partijen niet opgeroepen zijn, moet de behandeling van de zaak op een latere rechtszitting worden gesteld teneinde daaraan te voldoen.
  23. Uit de stukken van de rechtspleging blijkt dat de eisers op de rechtszitting waarop de kamer van inbeschuldigingstelling de zaak heeft behandeld, niet aanwezig noch vertegenwoordigd waren. Uit die stukken blijkt niet dat de eisers voor die rechtszitting behoorlijk zijn opgeroepen.
  24. Hieruit volgt dat het arrest is gewezen zonder dat de kamer van inbeschuldigingstelling de zaak aan de tegenspraak van alle partijen, meer bepaald aan deze van de eisers heeft onderworpen. Hierdoor is de procedure onregelmatig en is het arrest door nietigheid aangetast. Het middel is gegrond. Overige middelen van de eisers I
  25. De middelen die niet kunnen leiden tot cassatie zonder verwijzing, behoeven geen antwoord. Omvang van de cassatie
  26. De vernietiging van de beslissingen over de regelmatigheid van de inbeslagnames brengen de vernietiging met zich mee van de beslissingen waarbij de inbeslagnames met toepassing van artikel 61quater Wetboek van Strafvordering worden opgeheven. Deze beslissingen zijn met elkaar onlosmakelijk verbonden. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het: - de opheffing beveelt van de inbeslagnames te Mechelen op 24 juni 2010 van documenten en voorwerpen verricht in de lokalen van het aartsbisschoppelijk paleis, evenals in de woning en kantoren van G. D.; - de nietigheid uitspreekt van deze onderzoekshandelingen en van de tot op de dag van de uitspraak verrichte onderzoeksdaden die daarop steunen; - beveelt dat de nietig verklaarde stukken uit het dossier worden verwijderd en neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Laat de kosten ten laste van de Staat. Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, anders samengesteld. Bepaalt de kosten op 602,32 euro, waarvan 572,32 euro verschuldigd is. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, als voorzitter, en de raadsheren Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt, Koen Mestdagh en Geert Jocqué, en op de openbare rechtszitting van 12 oktober 2010 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, als voorzitter, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101012.2 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110405.1 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120403.6 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120417.11 ECLI:BE:CASS:2012:CONC.20120403.6 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130528.9 ECLI:BE:CASS:2013:CONC.20130528.9 ECLI:BE:CASS:2013:CONC.20130618.3 ECLI:BE:CASS:2017:CONC.20170614.5 ECLI:BE:CASS:2017:CONC.20171108.1 precedenten: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041012.7 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101012.1 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140603.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.