← België

ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101012.7

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 12 oktober 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101012.7 Rolnummer: P.10.1575.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2010-10-18 Raadplegingen: 555 - laatst gezien 2026-07-02 06:26 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 3 Het onderzoeksgerecht dat de wettigheid van het bevel tot aanhouding moet nagaan, vermag de voorkomende verschrijvingen met betrekking tot het verlenen of het betekenen van dit bevel vast te stellen

(1).
(1)Cass., 26 maart 1996, AR P.96.0359.N ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19960326.6, A.C., 1996, nr. 104. Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - VOORLOPIGE HECHTENIS - Algemeen (voorlopige hechtenis) - Handhaving Vrije woorden: Voorlopige hechtenis - Handhaving - Opdracht - Bevoegdheid Wettelijke bepalingen: Wet betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 21 Thesaurus CAS: BETEKENINGEN EN KENNISGEVINGEN - ALGEMEEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - VOORLOPIGE HECHTENIS - Algemeen (voorlopige hechtenis) - Handhaving Vrije woorden: Strafzaken - Voorlopige hechtenis - Bevel tot aanhouding - Betekening - Datum - Verschrijving - Bevoegdheid van het onderzoeksgerecht Wettelijke bepalingen: Wet betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 21 Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING UTU-thesaurus: STRAFRECHT - VOORLOPIGE HECHTENIS - Algemeen (voorlopige hechtenis) - Handhaving Vrije woorden: Wettigheid van het bevel tot aanhouding - Datum van de vrijheidsbeneming - Verschrijving - Bevoegdheid van het onderzoeksgerecht Wettelijke bepalingen: Wet betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 21 Fiche 4 Met het oog op de vaststelling van het juiste uur van de vrijheidsbeneming, kunnen de rechters acht slaan op alle feitelijke gegevens die hen zijn voorgelegd
(1).
(1)Cass., 10 sept. 2002, AR P.02.1266.N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020910.12, A.C., 2002, nr.
  1. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - BEVEL TOT AANHOUDING UTU-thesaurus: STRAFRECHT - VOORLOPIGE HECHTENIS - Algemeen (voorlopige hechtenis) - Handhaving Vrije woorden: Tijdstip van effectieve vrijheidsbeneming - Feitelijke gegevens - Beoordeling door de rechter Wettelijke bepalingen: Wet betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Artt. 2, 4°, 18, § 1, en 21 Tekst van de beslissing Nr. P.10.1575.N F S, verdachte, gedetineerd, eiser, met als raadsman mr. Charlotte Verhaeghe, advocaat bij de balie te Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 30 september
  2. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. Afdelingsvoorzitter Etienne Goethals heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  3. Het middel voert schending aan van artikel 2.4°, b, en artikel 18, § 1, Voorlopige Hechteniswet: het bestreden arrest oordeelt onterecht dat de verschillende tijdstippen van vrijheidsberoving die in de processen-verbaal zijn opgenomen als louter materiële vergissingen dienen te worden beschouwd en geen afbreuk doen aan de regelmatigheid van de betekening van het bevel tot aanhouding; het proces-verbaal nr.106032/2010 van 6 september 2010 vermeldt als tijdstip van vrijheidsberoving 6 september 2010 om 11u10; het proces-verbaal nr. 105961/2010 van 7 september 2010 vermeldt echter als tijdstip van vrijheidsberoving 7 september 2010 om 11u10; door tweemaal een ander tijdstip van effectieve vrijheidsbeneming te vermelden, kan niet worden nagegaan of het aanhoudingsbevel is betekend binnen de wettelijk bepaalde termijn van 24 uren.
  4. Volgens het middel wijst het proces-verbaal van 6 september 2010 op een vrijheidsberoving op die datum om 11u10, terwijl het proces-verbaal van 7 september 2010 wijst op een vrijheidsberoving op 7 september 2010 om 11u
  5. Deze vermeldingen zijn chronologisch onverenigbaar en kunnen wijzen op een verschrijving.
  6. Het onderzoeksgerecht, dat de wettigheid van het bevel tot aanhouding moet nagaan, vermag de voorkomende verschrijvingen met betrekking tot het verlenen of het betekenen van dit bevel vast te stellen . In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  7. Met het oog op de vaststelling van het juiste uur van de vrijheidsbeneming, kunnen de rechters acht slaan op alle feitelijke gegevens die hen zijn voorgelegd.
  8. De appelrechters oordelen: "Uit de inhoud van alle betrokken processen-verbaal blijkt overduidelijk dat zowel de interceptie en vrijheidsbeneming om 11u10 van [de eiser] en zijn vriendin als de huiszoeking in diens woning zijn geschied op dinsdag 7 september 2010 en niet op 6 september 2010 zoals ingevolge een louter materiële vergissing vermeld; de betekening van het bevel tot medebrenging op 7 september 2010 om 14.35 uur en de betekening van het bevel tot aanhouding op 8 september 2010 om 10.59 uur zijn dan ook regelmatig. " De appelrechters stellen aldus in feite, mitsdien onaantastbaar, het tijdstip van de effectieve vrijheidsberoving van de eiser vast, alsook de tijdige betekening van het aanhoudingsmandaat binnen de vierentwintig uur van deze vrijheidsbeneming. In zoverre het middel opkomt tegen deze feitelijke vaststellingen is het niet ontvankelijk.
  9. Voor het overige verantwoorden de appelrechters hun beslissing met betrekking tot de regelmatigheid van de aanhouding naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel
  10. Het middel voert schending aan van de artikelen 2.4°, b, 7 en 8 Voorlopige Hechteniswet: in gevolge voormelde tegenstrijdige vermeldingen wat het tijdstip van de effectieve vrijheidsberoving betreft, kan niet worden uitgemaakt of het bevel tot medebrenging aan de eiser werd betekend binnen de wettelijk bepaalde termijn van 24 uren.
  11. Het middel heeft dezelfde draagwijdte als het vergeefs aangevoerde eerste middel dat de uiteenlopende vermeldingen in de processen-verbaal niet toelaten het tijdstip van de vrijheidsberoving te achterhalen. Het middel kan om dezelfde redenen niet worden aangenomen. Derde middel
  12. Het middel voert schending aan van artikel 154, tweede lid, Wetboek van Strafvordering en de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek: door het tijdstip van vrijheidsberoving zoals vermeld in het proces-verbaal nr. 105961/2010 van 7 september 2010 als conform aan de realiteit te beschouwen en de vermelding van het andere tijdstip van vrijheidsberoving in het proces-verbaal nr. 106032/2010 van 6 september 2010 als een materiële vergissing te interpreteren, miskennen de appelrechters de bewijskracht van dit laatste proces-verbaal.
  13. De appelrechters laten hun oordeel met betrekking tot het exacte tijdstip van de vrijheidsberoving van de eiser niet steunen op de desbetreffende foutief bevonden vermeldingen in het proces-verbaal nr.106032/2010 van 6 september
  14. Zij miskennen aldus niet de bewijskracht van dit proces-verbaal. Het middel mist feitelijke grondslag. Vierde middel
  15. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en miskenning van het recht van verdediging: de verschillende vermeldingen in de processen-verbaal laten niet toe het exacte tijdstip van de vrijheidsberoving van de eiser te achterhalen, zodat hem de kans ontnomen wordt om een miskenning van de vierentwintig uren termijn in te roepen.
  16. Het middel dat formeel een miskenning van het recht van verdediging aanvoert, komt in werkelijkheid op tegen het oordeel in feite van de appelrechters dat de werkelijke datum van vrijheidsberoving overduidelijk uit de inhoud van de processen-verbaal blijkt. Het middel is niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering
  17. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. Bepaalt de kosten op 53,99 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, als voorzitter, en de raadsheren Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt, Koen Mestdagh en Geert Jocqué, en op de openbare rechtszitting van 12 oktober 2010 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, als voorzitter, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101012.7 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230329.2F.18 precedenten: ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19960326.6 ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020910.12 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140513.3 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200527.2F.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.