← België

ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101019.3

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 19 oktober 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101019.3 Rolnummer: P.10.0827.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige - Constitutioneel recht - Strafrecht Invoerdatum: 2010-11-03 Raadplegingen: 524 - laatst gezien 2026-07-02 01:32 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Nu artikel 210 Wetboek van Stafvordering bepaalt dat de beklaagde in hoger beroep wordt gehoord over de nauwkeurig bepaalde grieven die tegen het beroepen vonnis zijn ingebracht, vermag de appelrechter te oordelen dat de loutere herneming van de conclusie voor de eerste rechter als dusdanig geen nauwkeurig of concreet omschreven grief of middel in hoger beroep is en moet hij daarop niet antwoorden

(1).
(1)Cass., 25 nov. 2003, AR P.03.0549.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20031125.25, A.C., 2003, nr. 595. Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWET - Grondwettelijke machten - Rechterlijke macht - art. 144-159 - Motiveringsplicht - art. 149 Vrije woorden: Beroepsconclusie - Loutere herneming van de conclusie voor de eerste rechter - Grief of middel in hoger beroep Fiche 2 Nu artikel 201 Wetboek van Stafvordering bepaalt dat de beklaagde in hoger beroep wordt gehoord over de nauwkeurig bepaalde grieven die tegen het beroepen vonnis zijn ingebracht, vermag de appelrechter te oordelen dat de loutere herneming van de conclusie voor de eerste rechter als dusdanig geen nauwkeurig of concreet omschreven grief of middel in hoger beroep is en moet hij daarop niet antwoorden
(1).
(1)Cass., 25 nov. 2003, AR P.03.0549.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20031125.25, A.C., 2003, nr.
  1. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Rechtspleging in hoger beroep UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWET - Grondwettelijke machten - Rechterlijke macht - art. 144-159 - Motiveringsplicht - art. 149 Vrije woorden: Beroepsconclusie - Loutere herneming van de conclusie voor de eerste rechter - Grief of middel in hoger beroep Tekst van de beslissing Nr. P.10.0827.N I H. A. M., beklaagde, eiser. II F J K, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Jan Bouly, advocaat bij de balie te Hasselt, met kantoor te 3920 Lommel, Lepelstraat 15, waar de eiser woonplaats kiest, beide cassatieberoepen tegen INFRAX cvba, met zetel te 1000 Brussel, Koningsstraat 55, bus 15, burgerlijke partij, verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 2 april
  2. De eiser I voert geen middel aan. De eiser II voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Afdelingsvoorzitter Etienne Goethals heeft verslag uitgebracht. Eerste advocaat-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  3. Het middel voert schending aan van de artikelen 66, 461 en 471 Strafwetboek: het bestreden arrest leidt de plichtigheid van de eiser aan de telastlegging C af uit het enkele feit dat de woning van de eiser toegankelijk was voor de overige beklaagden; aldus heeft het hof van beroep geen onderscheid gemaakt tussen de gewone onthouding, die geen strafbare deelneming kan opleveren, en anderzijds de gekwalificeerde onthouding die wel strafrechtelijk relevant is; de vereiste wil om tot het misdrijf van diefstal van elektriciteit bij te dragen wordt geenszins vermoed en kan niet worden afgeleid uit het enkele feit van een verregaande onachtzaamheid.
  4. Met de redenen van het beroepen vonnis, die het bestreden arrest overneemt en die het middel onvolledig aanhaalt, verantwoorden de appelrechters hun beslissing naar recht, dat de eiser als mededader schuldig is onder meer aan de telastlegging C. Het middel kan niet worden aangenomen. Tweede middel
  5. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het bestreden arrest beantwoordt niet eisers conclusie met betrekking tot de plaats van opstelling van de elektriciteitsmeter; er is tegenstrijdigheid tussen de motivering van het arrest dat, enerzijds, de motivering van het beroepen vonnis overneemt, anderzijds, zonder enige eigen redengeving en zonder beantwoording van eisers conclusie, het incidentele beroep van de verweerster gegrond verklaart; de appelrechters vermochten niet louter te verwijzen naar de motieven van het beroepen vonnis, vermits de eiser in graad van beroep zijn argumenten in rechte voor de eerste rechter verder heeft uitgewerkt.
  6. Naar luid van artikel 210 Wetboek van Strafvordering wordt de beklaagde in hoger beroep gehoord over de nauwkeurig bepaalde grieven die tegen het vonnis zijn ingebracht. In zoverre hij evenwel voor de appelrechters enkel zijn in eerste aanleg genomen conclusie herneemt, vermogen de appelrechters wettig te oordelen dat de loutere herneming van de conclusie voor de eerste rechter als dusdanig geen nauwkeurig of concreet omschreven grieven of middel in hoger beroep betreft, en zij daarop niet moeten antwoorden.
  7. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan blijkt dat de eiser op de rechtszitting van 15 januari 2010 van het hof van beroep enkel zijn reeds op de rechtszitting van 11 juni 2009 voor de eerste rechter neergelegde conclusie, opnieuw heeft neergelegd.
  8. Bij ontstentenis van daartoe strekkende conclusie van de eiser dienden de appelrechters hun beslissing het incidentele beroep van de burgerlijke partij gegrond te verklaren, niet verder met redenen te omkleden. Deze laatste beslissing is niet tegenstrijdig met de door hen overgenomen redenen van het eerste vonnis, die zij beschouwen als deel uitmakende van het arrest, "behoudens wat hierna anders wordt gezegd". Het middel mist feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering
  9. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers in de kosten. Bepaalt de kosten in het geheel op 105,80 euro waarvan de eisers I en II elk 52,90 euro verschuldigd zijn. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, en de raadsheren Paul Maffei, Koen Mestdagh en Filip Van Volsem, en op de openbare rechtszitting van 19 oktober 2010 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Marc De Swaef, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101019.3 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20031125.25 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20111129.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.