id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 29 oktober 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101029.4 Rolnummer: C.09.0465.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2010-11-17 Raadplegingen: 508 - laatst gezien 2026-07-01 14:00 Versie(s): Vertaling FR Fiche De beweerde gebruiker van een landeigendom kan, in weerwil van artikel 1341, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, tegen een andersluidend geschrift in, het bewijs leveren door alle middelen van recht van het bestaan van een pachtcontract dat onder toepassing valt van de Pachtwet; dit bewijs is evenwel alleen toegestaan aan diegene die het bewijs levert dat hij een landeigendom exploiteert in de zin van een landbouwexploitatie overeenkomstig artikel 1, eerste lid, 1° en 2°, van de Pachtwet, tijdens de periode dat hij voorhoudt pachter te zijn geweest
(1).
(1)Zie Cass., 7 maart 2002, C.99.0213.N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020307.6, A.C., 2002, nr. 163; J.L. RENS, "Het bewijs van de pachtovereenkomst, R.W., 1989-90, 420, nr. 7 en 423, nr. 10; R. GOTZEN, Burgerlijk Recht - commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, artikel 3 Pachtwet, 5, nr. 5 en 6, nr.
- Thesaurus CAS: HUUR VAN GOEDEREN - PACHT - Algemeen UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BIJZONDERE OVEREENKOMSTEN - Landpacht Vrije woorden: Bewijs - Landbouwexploitatie - Bewijs Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Art. 1341, eerste lid Wet - 04-11-1969 - Artt. 1, eerste lid, 1° en 2° en 3, 2° Tekst van de beslissing Nr. C.09.0465.N
- V.S., en
- V.M., eisers, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, waar de eisers woonplaats kiezen, tegen
- GROOTENHOUT, naamloze vennootschap, met kantoor te 2470 Retie, Lindendreef 5, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 9051 Gent, Driekoningenstraat 3, waar de verweerster woonplaats kiest,
- AGRILAND, naamloze vennootschap, met kantoor te 1300 Wavre, Avenue Pasteur 23, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, waar de verweerster woonplaats kiest,
- VLAAMS GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, in de persoon van de minister-president, voor wie optreedt de minister van Leefmilieu, Natuur en Cultuur, met kantoor te 1000 Brussel, Koolstraat 35, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis, op 9 maart 2009 in hoger beroep gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Turnhout. Raadsheer Eric Stassijns heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eisers voeren in hun verzoekschrift twee middelen aan. Het verzoekschrift is aan dit arrest gehecht. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
- Artikel 1341, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat een akte voor een notaris of een onderhandse akte moet worden opgemaakt van alle zaken die de som of de waarde van 375 euro te boven gaan, zelfs betreffende vrijwillige bewaargevingen; het bewijs door getuigen wordt niet toegelaten tegen en boven de inhoud van de akten, en evenmin omtrent hetgeen men zou beweren voor, tijdens of sinds het opmaken te zijn gezegd, al betreft het ook een som of een waarde van minder dan 375 euro. Artikel 3, 2°, van de Pachtwet bepaalt dat indien er een naar de vorm andersluidend geschrift is, degene die een landeigendom exploiteert, het bewijs kan leveren van het bestaan van een pacht en van de pachtvoorwaarden door alle middelen met inbegrip van getuigen en vermoedens.
- Hieruit volgt dat de beweerde gebruiker van een landeigendom in weerwil van artikel 1341, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, tegen een andersluidend geschrift in, het bewijs kan leveren door alle middelen van recht van het bestaan van een pachtcontract dat onder toepassing valt van de Pachtwet. Dit bewijs is evenwel alleen toegestaan aan diegene die het bewijs levert dat hij een landeigendom exploiteert in de zin van een landbouwexploitatie overeenkomstig artikel 1, eerste lid, 1° en 2°, van de Pachtwet, tijdens de periode dat hij voorhoudt pachter te zijn geweest.
- De appelrechters oordelen dat de eisers niet aantonen vóór 2000 de percelen bedrijfsmatig te hebben geëxploiteerd en dat zij die percelen sedert 2000 niet meer daadwerkelijk exploiteren. Door op grond hiervan te oordelen dat de eisers niet kunnen worden toegelaten tot het getuigenbewijs met betrekking tot het bestaan van een pacht, verantwoorden de appelrechters hun beslissing naar recht. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
- De weigering van de appelrechters om de eisers toe te laten tot het bewijs door getuigen dat zij pachters zijn in de zin van artikel 1 Pachtwet, is verantwoord door de zelfstandige en niet bekritiseerde reden dat de eisers de betwiste gronden niet exploiteerden. Het onderdeel ook al was het gegrond, kan niet tot cassatie leiden en vertoont mitsdien geen belang. Het onderdeel is niet ontvankelijk. Tweede middel Eerste onderdeel
- Zoals blijkt uit het antwoord op het eerste onderdeel van het eerste middel, is de beslissing van de appelrechters verantwoord door de vaststelling dat de eisers de betwiste gronden niet daadwerkelijk exploiteren. Het onderdeel, ook al was het gegrond, kan niet tot cassatie leiden en vertoont mitsdien geen belang. Het onderdeel is niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
- Het onderdeel dat aanvoert dat de appelrechters het aanbod van getuigenbewijs afwijzen op de enkele grond dat na 2000 geen daadwerkelijke exploitatie meer voorlag, berust op een onvolledige lezing van het bestreden vonnis en mist derhalve feitelijke grondslag. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eisers in de kosten. Bepaalt de kosten op de som van 577,83 euro jegens de eisende partijen, op de som van 108,05 euro jegens de verwerende partij sub 1, op de som van 108,05 euro jegens de verwerende partij sub 2 en op de som van 172,36 euro jegens de verwerende partij sub
- Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit eerste voorzitter Ghislain Londers, als voorzitter, en de raadsheren Eric Stassijns, Beatrijs Deconinck, Alain Smetryns en Geert Jocqué, en in openbare terechtzitting van 29 oktober 2010 uitgesproken door eerste voorzitter Ghislain Londers, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101029.4 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2018:CONC.20180104.3 precedenten: ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020307.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div