id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 02 november 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101102.2 Rolnummer: P.10.1645.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Internationaal publiekrecht - Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2010-11-10 Raadplegingen: 540 - laatst gezien 2026-07-02 04:53 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Artikel 6.1 E.V.R.M. is niet van toepassing op de beslissingen van de vonnisgerechten wanneer ze geen uitspraak doen over de gegrondheid van een ingestelde strafvervolging maar over een verzoek tot voorlopige invrijheidstelling
(1).
(1)Cass., 13 sept. 1989, AR 7724, A.C., 1989
(90), nr. 51; Cass., 19 jan. 1993, AR P.93.0062.N, A.C., 1993, nr. 73; Cass., 23 jan. 1996, AR P.96.0090.N ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19960123.7, A.C., 1996, nr. 49; Cass., 2 aug. 2006, AR P.06.1098.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060802.3, A.C., 2006, nr.
- Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 UTU-thesaurus: GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - MENSENRECHTEN - EVRM - Rechten - vrijheden - Eerlijk proces - art. 6 - Onafhankelijkheid, onpartijdigheid Vrije woorden: Recht op een eerlijk proces - Vonnisgerecht - Verzoek tot voorlopige invrijheidstelling - Toepasselijkheid Fiches 2 - 3 Geen enkele wettelijke bepaling belet dat een magistraat van het hof van beroep zitting kan nemen in het vonnisgerecht dat uitspraak doet over een verzoek tot voorlopige invrijheidstelling nadat hij voordien in dezelfde zaak als lid van de kamer van inbeschuldigingstelling over de regelmatigheid van de toegepaste bijzondere opsporingsmethoden op grond van artikel 235ter Wetboek van Strafvordering heeft geoordeeld. Thesaurus CAS: RECHTBANKEN - STRAFZAKEN - Strafvordering UTU-thesaurus: GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - MENSENRECHTEN - EVRM - Rechten - vrijheden - Eerlijk proces - art. 6 - Onafhankelijkheid, onpartijdigheid Vrije woorden: Hof van beroep - Magistraat van het hof van beroep - Lid van de kamer van inbeschuldigingstelling - Uitspraak in toepassing van artikel 235ter Wetboek van Strafvordering - Verwijzing door de raadkamer - Verzoek tot voorlopige invrijheidstelling gericht aan het vonnisgerecht - Afwijzing - Hoger beroep - Zelfde magistraat die uitspraak doet over het verzoek tot voorlopige invrijheidstelling - Toelaatbaarheid Thesaurus CAS: RECHTERLIJKE ORGANISATIE - STRAFZAKEN UTU-thesaurus: GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - MENSENRECHTEN - EVRM - Rechten - vrijheden - Eerlijk proces - art. 6 - Onafhankelijkheid, onpartijdigheid Vrije woorden: Strafvordering - Hof van beroep - Magistraat van het hof van beroep - Lid van de kamer van inbeschuldigingstelling - Uitspraak in toepassing van artikel 235ter Wetboek van Strafvordering - Verwijzing door de raadkamer - Verzoek tot voorlopige invrijheidstelling gericht aan het vonnisgerecht - Afwijzing - Hoger beroep - Zelfde magistraat die uitspraak doet over het verzoek tot voorlopige invrijheidstelling - Toelaatbaarheid Fiche 4 Wegens de specifieke aard van de controle overeenkomstig artikel 235ter Wetboek van Strafvordering vermag de beklaagde geen miskenning van zijn recht van verdediging afleiden uit de omstandigheid dat één of meerdere rechters die eerder in dezelfde zaak de controle van de regelmatigheid van de bijzondere opsporingsmethoden hebben verricht, vervolgens oordelen over zijn verzoek tot voorlopige invrijheidstelling. Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN UTU-thesaurus: GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - MENSENRECHTEN - EVRM - Rechten - vrijheden - Eerlijk proces - art. 6 - Onafhankelijkheid, onpartijdigheid Vrije woorden: Strafvordering - Hof van beroep - Magistraat van het hof van beroep - Lid van de kamer van inbeschuldigingstelling - Uitspraak in toepassing van artikel 235ter Wetboek van Strafvordering - Verwijzing door de raadkamer - Verzoek tot voorlopige invrijheidstelling gericht aan het vonnisgerecht - Afwijzing - Hoger beroep - Zelfde magistraat die uitspraak doet over het verzoek tot voorlopige invrijheidstelling - Specifieke aard van de controle overeenkomstig artikel 235ter Wetboek van Strafvordering Tekst van de beslissing Nr. P.10.1645.N J W, beklaagde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Philip Daeninck, advocaat bij de balie te Hasselt. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 21 oktober
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Luc Van hoogenbemt heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en de artikelen 27 en 30 Voorlopige Hechteniswet, evenals miskenning van het recht van verdediging: magistraten die niet louter voor de beoordeling van de voorlopige hechtenis, maar van de regelmatigheid van de bijzondere opsporingsmethoden reeds kennisnamen van een dossier gedurende de onderzoeksfase, kunnen niet meer oordelen over het hoger beroep tegen het vonnis dat oordeelt over het verzoekschrift tot voorlopige invrijheidstelling overeenkomstig artikel 27 Voorlopige Hechteniswet, vermits zij geen deel meer kunnen uitmaken van de kamer, belast met correctionele zaken, zoals vereist in artikel 30 Voorlopige Hechteniswet.
- Artikel 6.1 EVRM is niet van toepassing op de beslissingen van de vonnisgerechten wanneer ze geen uitspraak doen over de gegrondheid van een ingestelde strafvervolging maar over een verzoek tot voorlopige invrijheidstelling.
- Geen enkele wettelijke bepaling belet dat een magistraat van het hof van beroep zitting kan nemen in het vonnisgerecht dat uitspraak doet over een verzoek tot voorlopige invrijheidstelling nadat hij voordien in dezelfde zaak als lid van de kamer van inbeschuldigingstelling over de regelmatigheid van de toegepaste bijzondere opsporingsmethoden op grond van artikel 235ter Wetboek van Strafvordering heeft geoordeeld. In zoverre faalt het middel naar recht.
- Voor het overige vermag de beklaagde wegens de specifieke aard van de controle overeenkomstig artikel 235ter Wetboek van Strafvordering geen miskenning van zijn recht van verdediging afleiden uit de omstandigheid dat één of meerdere rechters die eerder in dezelfde zaak de controle van de regelmatigheid van de bijzondere opsporingsmethoden hebben verricht, vervolgens oordelen over zijn verzoek tot voorlopige invrijheidstelling. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van de artikelen 16, 21, 27 en 30 Voorlopige Hechteniswet, evenals miskenning van het recht van verdediging: het hof van beroep dat de beslissing hervormt van de correctionele rechtbank die ingaat op een verzoekschrift overeenkomstig artikel 27 Voorlopige Hechteniswet, dient te motiveren waarom de argumentatie, opgenomen in het verzoekschrift, niet kan gevolgd worden; de appelrechters beantwoorden niet eisers argumentatie dat de handhaving van zijn voorlopige hechtenis, rekening houdend met zijn mogelijke aandeel in de feiten, het gevaar inhoudt van een voorafname van een eventuele bestraffing, waartegen het recidivegevaar niet meer opweegt.
- De beslissing tot verwerping van een verzoek tot voorlopige invrijheidstelling overeenkomstig artikel 27 Voorlopige Hechteniswet dient te worden gemotiveerd met inachtneming van hetgeen voorgeschreven is in artikel 16, § 5, eerste en tweede lid, van dezelfde wet.
- De appelrechters stellen vast dat er ernstige schuldaanwijzingen tegen de eiser bestaan voor de hem ten laste gelegde feiten en dat de handhaving van de hechtenis nog steeds volstrekt noodzakelijk is voor de openbare veiligheid wegens het door hen beschreven recidive-, collusie- en onttrekkingsgevaar. Het middel heeft enkel betrekking op het recidivegevaar. Het laat het geheel van de overige zelfstandige redenen op grond waarvan de appelrechters eisers verzoek ongegrond verklaren, onaangetast. Het middel kan niet tot cassatie leiden. Het is mitsdien niet ontvankelijk. Derde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 35 Voorlopige Hechteniswet en miskenning van het recht van verdediging: met de reden dat de door het beroepen vonnis opgelegde voorwaarden 1, 2, 4, 5 en 6 niet kunnen voldoen als detentievervangende maatregelen omdat de naleving ervan niet onder de controle valt van de Belgische autoriteiten, verantwoordt het hof van beroep zijn beslissing niet naar recht; geen wettelijke bepaling verbiedt het opleggen van voorwaarden in het buitenland; bovendien houdt geen enkele voorwaarde impliciet in dat de voorwaarden zich in het buitenland situeren.
- De appelrechters oordelen onaantastbaar dat de handhaving van de voorlopige hechtenis nog steeds volstrekt noodzakelijk is wegens het aanwezige recidive-, collusie- en onttrekkingsgevaar en dat dit gevaar niet kan worden geneutraliseerd door een invrijheidstelling onder detentievervangende maatregelen, onder meer omdat de eiser geen werkelijke belangen heeft in het Rijk en de in het middel vermelde voorwaarden zich situeren in het buitenland en derhalve niet vallen onder de controle van de Belgische autoriteiten. Het middel dat in werkelijkheid opkomt tegen dit onaantastbare oordeel van de appelrechters of het Hof verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het niet bevoegd is, is niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. Bepaalt de kosten op 53,99 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, en de raadsheren Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt en Koen Mestdagh, en op de openbare rechtszitting van 2 november 2010 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101102.2 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19960123.7 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060802.3 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131105.17 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div