id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 05 november 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101105.3 Rolnummer: C.09.0486.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2010-11-22 Raadplegingen: 723 - laatst gezien 2026-07-02 03:00 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20101105.3 Fiches 1 - 2 Het bestaan van een contractuele, wettelijke of reglementaire verplichting sluit het bestaan niet uit van een schade in de zin van artikel 1384 van het Burgerlijk Wetboek, voor zover uit de inhoud of uit de draagwijdte van de overeenkomst, de wet of het reglement niet blijkt dat de uitgaven of prestaties die moeten worden gedaan, definitief ten laste moeten blijven van degenen die zich daartoe hebben verbonden of die daartoe door de wet of het reglement worden verplicht
(1).
(1)Zie de concl. van het O.M. Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - SCHADE - Algemeen UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENIS UIT ONRECHTMATIGE DAAD - Zaken Vrije woorden: Bewaarder van de zaak - Gebrek van de zaak - Benadeelde - Uitgaven of prestaties - Contractuele, wettelijke of reglementaire verplichting - Gevolg - Criterium Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Art. 1384, eerste lid Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - HERSTELPLICHT - Zaken UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENIS UIT ONRECHTMATIGE DAAD - Zaken Vrije woorden: Bewaarder van de zaak - Gebrek van de zaak - Benadeelde - Uitgaven of prestaties - Contractuele, wettelijke of reglementaire verplichting - Gevolg - Criterium Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Art. 1384, eerste lid Fiches 3 - 4 Conclusie van advocaat-generaal VANDEWAL. Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - SCHADE - Algemeen UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENIS UIT ONRECHTMATIGE DAAD - Zaken Vrije woorden: Bewaarder van de zaak - Gebrek van de zaak - Benadeelde - Uitgaven of prestaties - Contractuele, wettelijke of reglementaire verplichting - Gevolg - Criterium Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - HERSTELPLICHT - Zaken UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENIS UIT ONRECHTMATIGE DAAD - Zaken Vrije woorden: Bewaarder van de zaak - Gebrek van de zaak - Benadeelde - Uitgaven of prestaties - Contractuele, wettelijke of reglementaire verplichting - Gevolg - Criterium Annotaties Publicaties: Tijdschrift voor Bouwrecht en Onroerend Goed [TBO] - VANHEUSDEN, Bernard; DEKONINCK, Dennis; Noot "Over het herstel van putten in de weg en andere gebrekkige zaken: de gemeente heeft recht op terugbetaling door de bewaarder" - 2012, nr. 5, p. 192-
- Tekst van de beslissing Nr. C.09.0486.N VLAAMS GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, in de persoon van de minister-president, voor wie optreedt de minister, voor Mobiliteit en Openbare Werken, met kantoor te 1000 Brussel, Koning Albert II-laan 20, bus 1, eiser, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de eiser woonplaats kiest, tegen STAD AALST, vertegenwoordigd door het College van burgemeester en schepenen, met kantoor te 9300 Aalst, Grote Markt 3, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Ludovic De Gryse, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, waar de verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis, op 18 juni 2008 in laatste aanleg gewezen door de vrederechter van het tweede kanton Aalst. Eerste voorzitter Ghislain Londers heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wetsbepalingen - de artikelen 1382, 1383 en 1384, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek; - artikel 135, §2, tweede lid, 1°, van de Nieuwe Gemeentewet zoals gecodifi¬ceerd bij koninklijk besluit van 24 juni 1988 en bekrachtigd bij artikel 1 van de wet van 26 mei
- Bestreden beslissing Het bestreden vonnis verklaart de vordering van de verweerster ont¬vankelijk en gegrond en veroordeelt de eiser tot betaling aan de verweerster van 300,00 euro, meer de vergoedende interest aan de wettelijke rentevoet sedert 21 februari 2006, meer de gerechtelijke interest evenals tot de gedingkosten, en dit op volgende gronden: "De vordering van (de verweerster) strekt ertoe (de eiser) te horen veroordelen om aan (de verweerster) te betalen de som van 300,00 euro, meer de vergoedende interest aan de wettelijke rentevoet sedert 21 februari 2006, meer de gerechtelijke interest en gedingkosten, rechtsplegingsvergoeding inbegrepen; Bij uitvoerbaar vonnis; (De eiser) betwist de vordering, stellende dat deze ongegrond is; Overwegende dat uit de gegevens, door partijen verstrekt, blijkt: - (de verweerster) stelt dat zij op 21 februari 2006, door de politie, werd verwittigd van het feit dat op de rijlaan een put was ontstaan (...); Gelet op het late uur was er niemand bij (de eiser) bereikbaar, zodat (de verweerster) zelf het nodige deed om deze put op te vullen omwille van de veiligheid der weggebruikers; De kostprijs bedroeg 300,00 euro; Het betrof een put van 80 cm op 40 cm en 10 cm diepte; (Zie PV van vaststelling van 21 februari 2006 om 21.00 uur door Politie Aalst); - er was een automobilist in de put gereden, met schade aan zijn voertuig als gevolg (band stuk) (zie PV Politie); - (de verweerster) legt een schadebestek voor in verband met de kostprijs der herstelling (stuk 2 (verweerster)). Overwegende dat uit voorgaande elementen blijkt: - er wordt niet betwist dat de ‘Heilig Hartlaan' een gewestweg is, welke onder de bewaring van (de eiser) valt; - de omvang der put wordt duidelijk beschreven door de politie (cfr. supra); - dat deze put voldoende groot was om schade te berokkenen blijkt uit het feit dat een automobilist zijn wagen werd beschadigd (cfr. supra); De put was gelegen in de rijlijn der voertuigen (zie verklaring automobilist); bovendien was het duister (21 februari 2006 om 21 uur); - gelet op het late uur (21 uur) is het aannemelijk dat er bij (de eiser) niemand bereikbaar was, zodat (de verweerster) onmiddellijk tot het herstel is overgegaan, gelet op de duisternis; (herstel tot 23 uur). Samengevat kan gesteld worden dat; - (de eiser) bewaarder is van de kwestieuze weg; - de omvang der put voldoende bewezen is, alsook de ligging (In de rijlijn der voertuigen); - de put een gebrek aan de zaak uitmaakte met voldoende abnormaal kenmerk, dermate dat in bepaalde omstandigheden (duisternis) er schade kon veroorzaakt worden (wat in casu is gebeurd); - gelet op de duisternis is de put (in dezelfde asfaltkleur als de rest van het wegdek) effectief een niet zichtbaar obstakel, welke door een normaal en re¬delijk weggebruiker niet opgemerkt kan worden; Tevens dient een normaal weggebruiker er zich redelijkerwijze niet aan te verwachten dat er op die plaats zich een dergelijk obstakel voordoet. Daar (de eiser) (gelet op het late uur) niet meer bereikbaar was, (zie stuk 3 (de verweerster)) heeft (de verweerster) noodgedwongen de noodzakelijke maatregelen dienen te nemen, ingevolge voormeld gebrek aan de zaak, waarvoor (de eiser) verantwoordelijk is; De kosten, welke (de verweerster) hiervoor heeft gemaakt, vormen dus wel degelijk een effectieve schade, welke in rechtstreeks oorzakelijk verband staat met voormeld gebrek, waarvoor (de eiser) verantwoor¬delijk is; (De verweerster) is dus wel degelijk rechtstreeks benadeelde. Wat niet belet te stellen dat (de verweerster) effectief ook een verplichting heeft in verband met veiligheid ingevolge de voorschriften van artikel 135, §2, Nieuwe Gemeentewet; doch het ene sluit het andere niet uit; Het is niet omdat (verweerster) zelf een veiligheidsverplichting heeft, overeenkomstig voormelde Gemeentewet, dat zij geen rechtstreekse schade kan lijden ingevolge gebreken waarvoor (de eiser) verantwoordelijk is; De theorie, dat de veiligheidsverplichting van de gemeente, op grond van artikel 135, §2, Nieuwe Gemeentewet, niet onderge¬schikt is aan de verplichtingen van de wegbeheerder, is niet in strijd met voormelde stelling" (vonnis pp. 2-3). Grieven
- Krachtens artikel 1384, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek is men niet alleen aansprakelijk voor de schade veroorzaakt door zijn eigen daad, maar ook voor die welke veroorzaakt wordt door "de daad" van zaken die men onder zijn bewaring heeft. Hij die op grond van deze wetsbepaling vergoeding vordert van de door een zaak veroorzaakte schade, moet bewijzen dat de bewaarder een ge¬brekkige zaak onder zijn bewaring had, dat de eiser schade heeft geleden en dat er tussen het gebrek van de zaak en de schade een oorzakelijk verband bestaat. De aansprakelijkheid van de bewaarder van een zaak is onderworpen aan het bewijs van een gebrek van de zaak, zijnde een abnormaal kenmerk van de zaak waardoor zij in bepaalde omstandigheden schade kan veroorzaken. De aansprakelijkheid van de bewaarder kan dan ook weerhouden worden, ook al heeft hij geen enkele fout begaan in de zin van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek. Het door artikel 1384, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek inge¬voerd vermoeden van aansprakelijkheid, is evenwel ingegeven door de bekommernis om een efficiëntere bescherming te bieden aan de lijders van schade die veroorzaakt wordt door zaken die men onder zijn bewaring heeft. Het bestaat dan ook slechts ten gunste van de personen die rechtstreeks schade lijden en kan slechts door hen worden aangevoerd.
- Krachtens artikel 135, §2, tweede lid, 1°, van de Nieuwe Ge¬meentewet, mag de gemeentelijke overheid enkel voldoende veilige wegen voor het verkeer openstellen. Behoudens wanneer een vreemde oorzaak die haar niet kan wor¬den aangerekend, haar belet de op haar rustende veiligheidsverplichting na te komen, moet zij ieder abnormaal gevaar dat de redelijke verwachting van de weggebruikers kan beschamen, ongeacht of het verborgen dan wel zichtbaar is, voorkomen door gepaste maatregelen. Door dit niet te doen begaat de ge¬meente een fout in de zin van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek. Deze veiligheidsverplichting geldt ook voor het deel van de gewestwegen dat loopt over het grondgebied van de betrokken gemeentelijke overheid. De gemeente kan de in uitvoering van haar veiligheidsplicht ver¬richte uitgaven slechts verhalen op een derde in zoverre het abnormaal gevaar door een fout van deze derde werd gecreëerd.
- Uit de vaststellingen van het bestreden vonnis blijkt dat de verweerster aanvoerde schade te hebben geleden doordat zij een put in de rijbaan van een gewestweg herstelde, nadat zij door de politie werd verwittigd van het ontstaan van de put en de schade die deze aan een voertuig had ver¬oorzaakt, en zij ingevolge het late uur niemand meer bij de eiser kon bereiken, waardoor zij zelf onmiddellijk tot herstel was overgegaan. De door verweerster gevorderde schadevergoeding betreft de herstelkost van het opvullen van de put. Het bestreden vonnis weerhoudt een aansprakelijkheid van de eiser op grond van artikel 1384, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek om reden dat de eiser bewaarder is van de kwestieuze weg, dat de put in de weg een ge¬brek van de zaak uitmaakt met een voldoende abnormaal kenmerk, dermate dat in bepaalde omstandigheden, m.n. duisternis, er schade kon veroorzaakt worden, en dat de eiser derhalve verantwoordelijk is voor dit gebrek. Op deze aansprakelijkheidsgrond weerhoudt het bestreden vonnis de verantwoordelijkheid van de eiser voor de kosten van het opvullen van de put door de verweerster, omdat deze kosten, volgens de vrederechter, een "effec¬tieve schade" vormen die "in rechtstreeks oorzakelijk verband" staat met het weerhouden gebrek. Het neemt hierbij in aanmerking dat de verweerster een "recht¬streeks benadeelde" is die "rechtstreekse schade" heeft geleden ingevolge het gebrek. Het verwerpt aldus het verweer van de eiser in conclusie dat de verweerster, die in het kader van de veiligheidsverplichting die op haar rust op grond van artikel 135, §2, van de Nieuwe Gemeentewet, de put in een gewestweg heeft opgevuld, niet als een rechtstreeks slachtoffer kan worden be¬schouwd, zodat zij zich niet op de aansprakelijkheid van eiser als bewaarder van een gebrekkige zaak kan beroepen (syntheseconclusie eiser, neergelegd 30 april 2008, p. 3, sub 2).
- Op grond van de vaststellingen die het bevat kon het bestreden vonnis niet wettig de verweerster als een "rechtstreeks benadeelde" beschou¬wen die "rechtstreekse schade" heeft geleden ingevolge het lastens de eiser weerhouden gebrek. De enkele omstandigheid dat de verweerster, ingevolge het late uur waarop niemand meer bereikbaar was bij de eiser, "noodgedwongen de noodza¬kelijke maatregelen (diende) te nemen" door de put op te vullen "omwille van de veiligheid der weggebruikers", en de tussen partijen niet in betwisting zijnde omstandigheid dat de verweerster is opgetreden in uitvoering van haar, door arti¬kel 135, §2, tweede lid, 1°, van de Nieuwe Gemeentewet, opgelegde veilig¬heidsplicht, laat niet toe aan te nemen dat aan de verweerster rechtstreekse schade werd toegebracht door het gebrek van de weg. Net zomin als de verweerster zich, als gemeente, tegenover de eiser kan beroepen op het door artikel 1384, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek voorziene vermoeden van aansprakelijkheid, wanneer een ongeval werd ver¬oorzaakt door de samenloop van een gebrek van de gewestweg, waarvoor de eiser aansprakelijk is, en een tekortkoming van de gemeente aan haar veilig¬heidsverplichting, kan de verweerster zich, wanneer zij uitgaven verrichtte om haar veiligheidsplicht na te komen, deze uitgaven op de eiser, als wegbeheerder van de gewestweg, verhalen, zich steunend op het door artikel 1384, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek voorziene vermoeden van aansprakelijkheid. Door derhalve aan de verweerster het in artikel 1384, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek voorziene voordeel van het vermoeden van aanspra¬kelijkheid toe te kennen, en de eiser te veroordelen tot de door de verweerster ge¬dane herstelkosten in uitvoering van haar eigen veiligheidsplicht, zonder dat eveneens blijkt dat de eiser een fout heeft begaan, in de zin van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek, door in de gegeven omstandigheden het weerhouden gebrek niet te herstellen, miskent het bestreden vonnis de arti¬kelen 1382, 1383, 1384, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek en artikel 135, §2, tweede lid, 1°, van de Nieuwe Gemeentewet. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
- Krachtens artikel 1384, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, is de bewaarder van een zaak aansprakelijk voor de schade die door het gebrek van de zaak wordt veroorzaakt.
- Het bestaan van een contractuele, wettelijke of reglementaire verplichting sluit het bestaan niet uit van een schade in de zin van artikel 1384 van het Burgerlijk Wetboek, voor zover uit de inhoud of uit de draagwijdte van de overeenkomst, de wet of het reglement niet blijkt dat de uitgaven of prestaties die moeten worden gedaan, definitief ten laste moeten blijven van degenen die zich daartoe hebben verbonden of die daartoe door de wet of het reglement worden verplicht.
- Het bestreden vonnis stelt vast: - de verweerster werd op 21 februari 2006 door de politie verwittigd dat op de Heilig Hartlaan een put was ontstaan; - deze put was voldoende groot om schade te berokkenen en maakte een gebrek van de zaak uit; - de Heilig Hartlaan is een gewestweg, die onder de bewaring van de eiser valt; - omdat, gelet op het late uur, niemand bij de eiser bereikbaar was, diende de verweerster onmiddellijk zelf de noodzakelijke maatregelen te nemen, ingevolge voormeld gebrek van de zaak. Het vonnis oordeelt, enerzijds, dat de kosten die de verweerster gemaakt heeft voor het herstel van de put een schade vormen die in oorzakelijk verband staat met voormeld gebrek, waarvoor de eiser verantwoordelijk is, zodat de verweerster dus wel degelijk een rechtstreekse benadeelde is, en, anderzijds, dat de omstandigheid dat op de verweerster een veiligheidsverplichting rust op grond van artikel 135, §2, van de Nieuwe Gemeentewet, niet uitsluit dat zij rechtstreekse schade kan lijden ingevolge gebreken waarvoor de eiser verantwoordelijk is.
- Door aldus te oordelen, verantwoordt het vonnis zijn beslissing dat de eiser ertoe gehouden is aan de verweerster de gevorderde herstelkost te vergoeden, naar recht. Het middel kan niet worden aangenomen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. Bepaalt de kosten op de som van 568,62 euro jegens de eisende partij en op de som van 108,05 euro jegens de verwerende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit eerste voorzitter Ghislain Londers, als voorzitter, en de raadsheren Eric Stassijns, Albert Fettweis, Beatrijs Deconinck en Geert Jocqué, en in openbare terechtzitting van 5 november 2010 uitgesproken door eerste voorzitter Ghislain Londers, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101105.3 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20101105.3 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2012:CONC.20121023.5 ECLI:BE:CASS:2013:CONC.20130503.4 ECLI:BE:CASS:2014:CONC.20141107.3 ECLI:BE:CASS:2015:CONC.20150130.6 ECLI:BE:CASS:2015:CONC.20150619.1 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160107.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div