← België

ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101105.5

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 05 november 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101105.5 Rolnummer: C.09.0634.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Internationaal publiekrecht - Intellectuele eigendom - Overige Invoerdatum: 2010-11-22 Raadplegingen: 522 - laatst gezien 2026-07-01 23:53 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 3 Wanneer een vraag om uitlegging voor het Hof van Cassatie rijst, waarvoor het Benelux-Gerechtshof als enige bevoegd is om ze te beantwoorden, zoals de vraag of het Benelux-Bureau voor de Intellectuele Eigendom voldoet aan de in artikel 2.11.3 B.V.I.E. bepaalde verplichting om "onder opgave van redenen" kennis te geven aan de deposant van zijn voornemen de inschrijving van een merk geheel of gedeeltelijk te weigeren door het louter aanduiden van een of meer van de in artikel 2.11.1 B.V.I.E. vermelde absolute weigeringsgronden, stelt het Hof die vraag aan het Benelux-Gerechtshof

(1).
(1)Het O.M. was van oordeel dat uit de artikelen 2.11.1 en 2.11.3 B.V.I.E. volgt dat het Bureau, bij de voorlopige beslissing van weigering zich niet er mag toe beperken de gronden van weigering voorzien in artikel 2.11.1 aan te duiden maar ook de feitelijke elementen moet aangeven waarop de toepassing van de weigeringgronden gesteund zijn. Het sloot hierbij aan bij de opvatting van F. GOTZEN (Handboek Merkenrecht, ed. Bruylant, 2008, p. 129) dat de in artikel 2.11.3 B.V.I.E. genoemde termijn bedoeld is om de deposant toe te laten te antwoorden op de bezwaren en eventueel zijn teken aan te passen. Het concludeerde dat de appelrechters, door in die zin te oordelen, hun beslissing naar recht hadden verantwoord, zodat ook dit derde onderdeel niet kon worden aangenomen. Thesaurus CAS: BENELUX - PREJUDICIELE GESCHILLEN UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INTELLECTUELE RECHTEN - Verdragen inzake intellectuele eigendom HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INTELLECTUELE RECHTEN - Merk - Beneluxmerk Vrije woorden: Benelux-Verdrag intellectuele eigendom - Merk - Depot - Benelux-Bureau voor de intellectuele eigendom - Voornemen tot weigering - Redenen - Vraag om uitlegging - Benelux-Gerechtshof - Hof van Cassatie - Verplichting Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 31-03-1965 - Art. 6 - 30 Link Justel databank 19650331-30 Wet - 22-03-2006 - Artt. 2.11.1 en 2.11.3 Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INTELLECTUELE RECHTEN - Verdragen inzake intellectuele eigendom HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INTELLECTUELE RECHTEN - Merk - Beneluxmerk Vrije woorden: Benelux - Benelux-Verdrag intellectuele eigendom - Merk - Depot - Benelux-Bureau voor de intellectuele eigendom - Voornemen tot weigering - Redenen - Vraag om uitlegging - Benelux-Gerechtshof - Hof van Cassatie - Verplichting Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 31-03-1965 - Art. 6 - 30 Link Justel databank 19650331-30 Wet - 22-03-2006 - Artt. 2.11.1 en 2.11.3 Thesaurus CAS: MERKEN - BENELUX-MERK UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INTELLECTUELE RECHTEN - Verdragen inzake intellectuele eigendom HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INTELLECTUELE RECHTEN - Merk - Beneluxmerk Vrije woorden: Benelux-Verdrag intellectuele eigendom - Merk - Depot - Benelux-Bureau voor de intellectuele eigendom - Voornemen tot weigering - Prejudicieel geschil - Vraag om uitlegging - Benelux-Gerechtshof - Hof van Cassatie - Verplichting Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 31-03-1965 - Art. 6 - 30 Link Justel databank 19650331-30 Wet - 22-03-2006 - Artt. 2.11.1 en 2.11.3 Fiches 4 - 6 Wanneer vragen om uitlegging voor het Hof van Cassatie rijzen, waarvoor het Benelux-Gerechtshof als enige bevoegd is om ze te beantwoorden, zoals de vraag of de deposant het recht verbeurt om hoger beroep in te stellen tegen de beslissing van weigering, doordat hij geen bezwaren formuleerde tegen het voornemen van het Benelux-Bureau voor de Intellectuele Eigendom de inschrijving van een merk geheel of gedeeltelijk te weigeren en, bij een positief antwoord op deze vraag, de vraag of de deposant dit recht ook verbeurt wanneer de kennisgeving van dat voornemen zonder opgave van redenen is gebeurd, stelt het Hof die vragen aan het Benelux-Gerechtshof. Thesaurus CAS: BENELUX - PREJUDICIELE GESCHILLEN UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INTELLECTUELE RECHTEN - Verdragen inzake intellectuele eigendom HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INTELLECTUELE RECHTEN - Merk - Beneluxmerk Vrije woorden: Benelux-Verdrag intellectuele eigendom - Merk - Depot - Benelux-Bureau voor de intellectuele eigendom - Voornemen tot weigering - Kennisgeving - Geen opgave van redenen - Geen bezwaren van de deposant - Hoger beroep - Mogelijkheid - Vraag om uitlegging - Benelux-Gerechtshof - Hof van Cassatie - Verplichting Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 31-03-1965 - Art. 6 - 30 Link Justel databank 19650331-30 Wet - 22-03-2006 - Artt. 2.11.1 en 2.11.3 Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INTELLECTUELE RECHTEN - Verdragen inzake intellectuele eigendom HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INTELLECTUELE RECHTEN - Merk - Beneluxmerk Vrije woorden: Benelux - Benelux-Verdrag intellectuele eigendom - Merk - Depot - Benelux-Bureau voor de intellectuele eigendom - Voornemen tot weigering - Geen bezwaren van de deposant - Kennisgeving - Geen opgave van redenen - Hoger beroep - Mogelijkheid - Vraag om uitlegging - Benelux-Gerechtshof - Hof van Cassatie - Verplichting Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 31-03-1965 - Art. 6 - 30 Link Justel databank 19650331-30 Wet - 22-03-2006 - Artt. 2.11.1 en 2.11.3 Thesaurus CAS: MERKEN - BENELUX-MERK UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INTELLECTUELE RECHTEN - Verdragen inzake intellectuele eigendom HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INTELLECTUELE RECHTEN - Merk - Beneluxmerk Vrije woorden: Benelux-Verdrag intellectuele eigendom - Merk - Depot - Benelux-Bureau voor de intellectuele eigendom - Voornemen tot weigering - Geen bezwaren van de deposant - Kennisgeving - Geen opgave van redenen - Hoger beroep - Mogelijkheid - Prejudicieel geschil - Vraag om uitlegging - Benelux-Gerechtshof - Hof van Cassatie - Verplichting Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 31-03-1965 - Art. 6 - 30 Link Justel databank 19650331-30 Wet - 22-03-2006 - Artt. 2.11.1 en 2.11.3 Tekst van de beslissing Nr. C.09.0634.N BENELUX-ORGANISATIE VOOR DE INTELLECTUELE EIGENDOM, Gemeenschappelijke Dienst van de Benelux landen, met kantoor te 2591 XR Den Haag (Nederland), Bordewijklaan 15, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Ludovic De Gryse, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen V.F., aan wie rechtsbijstand werd verleend op 13 januari 2010 onder nummer G.10.0007.N, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Paul Lefèbvre, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 480, bus 9, waar de verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 8 september 2009 gewezen door het hof van beroep te Brussel. Raadsheer Geert Jocqué heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 149 van de Grondwet; - de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek; - artikel 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek; - de artikelen 2.11.1, b en c, en 2.11.3 van het Benelux-Verdrag inzake de Intellectuele Eigendom, goedgekeurd bij wet van 22 maart 2006 (Belgische Staatsblad, 26 april 2006, p. 21866); - het beschikkingsbeginsel - autonomie van de procespartijen (algemeen rechts-beginsel); - rechten van de verdediging (algemeen rechtsbeginsel). Aangevochten beslissingen Het bestreden arrest: - ontvangt de vordering en verklaart ze gegrond; - vernietigt de bestreden beslissing waarbij de inschrijving in het Benelux-merkenregister van het door de eiseres gedeponeerde merk wordt geweigerd; - beveelt de BOIE om het merk dat gedeponeerd werd onder het nummer 1147562 in te schrijven in het Benelux-merkenregister voor de in het depot opgegeven waren en diensten uit de klassen 16, 41 en 44; - veroordeelt de BOIE tot betaling van de gedingkosten (begroot op 1.386 euro voor (de verweerster) en op nul euro voor (de eiseres)). Het arrest (p. 10, 11, nrs. 27-31) verwerpt de door de eiseres ingeroepen exceptie van onontvankelijkheid van het beroep, op volgende gronden: "27. Betreffende de exceptie als zou het beroep niet kunnen worden ontvangen nu (de verweerster) geen gebruik heeft gemaakt van de haar geboden mogelijkheid om op te komen tegen de voorlopige weigeringsbeslissing, dient het volgende te worden overwogen. 28. Het BBIE heeft in zijn voorlopige beslissing tot weigering twee absolute weigeringsgronden aangevoerd, met name het beschrijvend karakter van het gedeponeerde teken en ‘bovendien' de ontstentenis van onderscheidend vermogen ervan. Er wordt toegevoegd dat de gekozen grafische weergave het gebrek aan onderscheidend vermogen niet opheft. 29. Uit de bepaling in artikel 2.11.3 BVIE moet beslist worden afgeleid dat de procedure in twee etappes waarbij eerst een voorlopige weigering wordt genotificeerd vooraleer een definitieve beslissing wordt genomen, beoogt om tijdens de gestelde termijn uitwisseling van argumenten te bewerkstellingen. Zulks veronderstelt evenwel dat de ‘opgave van redenen' vermeld in artikel 2.11.3 zich niet beperkt tot een verwijzing naar verdragsartikelen en het beknopt weergeven van hun inhoud, maar dat integendeel een gedachtegang wordt ontwikkeld die leidt tot de conclusie dat een van de weigeringsgronden voorhanden is. Indien het BBIE stelt dat een teken beschrijvend is en/of onderscheidend vermogen mist, mag de deposant dus verwachten dat ook wordt meegedeeld op grond van welke feitelijke gegevens en omstandigheden die conclusie wordt bereikt. Eerst dan kunnen immers argumenten hierover worden gewisseld. Ook enkel daaruit kan overigens blijken dat de merkenautoriteit de haar opgedragen onderzoeksopdracht heeft uitgevoerd ten aanzien van elk van de weigeringsgronden die ze aanvoert. De passus in artikel 2.11.3 waarbij gewag wordt gemaakt van ‘opgave van redenen' kan dan ook enkel aldus worden begrepen dat de beslissing tot voorlopige weigering met reden(
  1. en)moet worden omkleed. 30. In het voorliggende geval heeft het BBIE een beslissing meegedeeld, maar de reden(
  2. en)die ze aangeeft laten geheel in het onzekere welke gegevens haar er toe hebben gebracht om te stellen dat het gedeponeerde teken beschrijvend is, dat het geen onderscheidend vermogen heeft en dat de grafische weergave ervan aan die conclusie niets verandert. Zodoende kon (de verweerster) bij ontstentenis van redengeving ook geen argumenten aanbrengen om een gedachtegang te weerleggen. 31. Derhalve, zelfs indien (de eiseres) zou worden gevolgd in haar standpunt dat een beroep tegen een definitieve beslissing niet kan worden toegelaten indien de voorlopige beslissing niet werd bekritiseerd, dan nog kan in het voorliggende geval alleen maar worden vastgesteld dat ontstentenis van redengeving (de verweerster) niet in de mogelijkheid werd gesteld om inhoudelijke kritiek te leveren. De exceptie wordt verworpen". Grieven Eerste onderdeel Schending van artikel 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek, van het beschikkings-beginsel en van de rechten van verdediging (algemene rechtsbeginselen). 1.1. Het arrest (p. 11, nr. 31) verwerpt de exceptie van niet-ontvankelijkheid van het door de verweerster ingesteld beroep omdat "bij ontstentenis van redengeving" de verweerster "niet in de mogelijkheid werd gesteld om inhoudelijke kritiek te leveren" op de voorlopige weigeringsbeslissing. "Bij ontstentenis van redengeving kon (de verweerster)" - volgens het arrest (p. 11, nr. 30) - ook geen argumenten aanbrengen om een gedachtegang te weerleggen". 1.2. Het arrest verwerpt aldus de ingeroepen exceptie van niet-ontvankelijkheid niet omdat het niet instemt met het standpunt van de eiseres dat een beroep tegen een definitieve beslissing niet kan worden toegelaten indien de voorlopige beslissing niet werd bekritiseerd. Het beperkt er zich toe te stellen dat "zelfs indien (de eiseres) zou worden gevolgd in haar standpunt (...)" dan nog de exceptie dient te worden verworpen om de bovenvermelde (nr. 1.1) redenen (arrest, p. 11, nrs. 30 en 31). 1.3. Het hof van beroep heeft echter aldus zijn beslissing betreffende de ontvankelijkheid van het beroep gegrond op redenen die niet door de partijen waren ingeroepen en waarover ze geen tegenspraak konden voeren. 1.4. In haar beroepsconclusie ("aanvullende conclusie", p. 3-6, nr. 3) leidde de eiseres de niet-ontvankelijkheid van het beroep af uit het feit dat "(de verweerster) geen bezwaar (had) gemaakt tegen de voorlopige weigering" (p. 3, nr. 3.1). Op grond van rechtspraak van het Benelux-Gerechtshof en van het Hof van Justitie en het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen besloot de eiseres (p. 6, nr. 3.4 van zelfde conclusie), "dat een beroep tegen een weigering niet mogelijk (was) wanneer er geen gebruik is gemaakt van de (zes maanden durende) bezwaarfase om argumenten tegen de (voorlopige) weigering aan te voeren". 1.5. In haar antwoord (beroepsconclusie, p. 8-10, nr. 1) op de ingeroepen exceptie van niet-ontvankelijkheid beriep (de verweerster) zich op een arrest van het Europees Hof van Justitie van 13 maart 2007 (C-09-05, zaak BHIM / KAUL) dat, volgens haar: "(...) de mogelijkheid (onderschrijft) om wel degelijk kennis te kunnen nemen van een beroep tegen een weigering, en met name van de daartoe aangevoerde argumenten, wanneer geen gebruik is gemaakt van de mogelijkheid om tegen de beslissing tot weigering bezwaar aan te tekenen". Vervolgens steunde de verweerster (conclusie, p. 10) vooral op de brief van het Benelux- Bureau van 15 augustus 2008 waarbij uitdrukkelijk aan de deposante (de verweerster) werd meegedeeld dat zij tegen de weigeringsbeslissing in beroep kon gaan en daarvoor over twee maanden beschikte. "Het kan toch niet zo zijn", aldus (de verweerster) (conclusie, p. 10, lid 3) - "dat (de eiseres) formeel de mogelijkheid tot het indienen van beroep aanbiedt om dan, als van deze mogelijkheid gebruik wordt gemaakt, in de beroepsprocedure te stellen dat zulk beroep niet mogelijk is". De verweerster stelde dat zij voldaan had aan de enige wettelijke voorwaarde voor de ontvankelijkheid van het beroep, namelijk het eerbiedigen van de termijn van twee maanden vanaf de definitieve weigering. 1.6. Aldus blijkt dat bij het bespreken van de ingeroepen niet-ontvankelijkheid van het beroep geen van de partijen had gesteld (of betwist) dat de "voorlopige weigering" (van het merk) niet voldoende was gemotiveerd zodat de verweerster niet in de mogelijkheid verkeerde tegen deze weigering bezwaren te formuleren. 1.7. Door de verwerping van de exceptie van niet-ontvankelijkheid uitsluitend op dergelijke grond (zie boven 1.1 en 1.2) te steunen, heeft het hof van beroep in de bestreden beslissing ambtshalve een beslissende reden ingeroepen die door de partijen niet was ingeroepen en aldus de oorzaak van de vordering gewijzigd. 1.8. Het bestreden arrest houdt aldus schending in van het beschikkingsbeginsel of het beginsel van de autonomie van de procespartijen, algemeen rechtsbeginsel krachtens hetwelk in burgerlijke zaken, de rechter niet vermag zijn beslissing te steunen op een middel dat noch van openbare orde noch van dwingend recht is en dat door de partijen niet werd ingeroepen. De rechter die aldus handelt en, zoals in voorliggend geval, de oorzaak van de vordering ambtshalve wijzigt, schendt zowel het vermelde algemeen rechtsbeginsel als artikel 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek dat dit beginsel bekrachtigt door de rechter te verbieden uitspraak te doen over niet gevorderde zaken of meer toe te kennen dan wat gevorderd wordt. 1.9. Door aldus te steunen op een ambtshalve ingeroepen middel, zonder dat de partijen in de gelegenheid werden gesteld daaromtrent hun verdediging voor te brengen, heeft het hof van beroep eveneens de rechten van verdediging (algemeen rechtsbeginsel) van de eiseres geschonden. Tweede onderdeel Schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek. 2.1. De voorlopige beslissing tot weigering (van 20 december 2007) van het merk Bodystyling, was als volgt gemotiveerd: "De reden van de weigering is de volgende: Het teken ‘bodystyling' is beschrijvend. Het kan immers dienen tot aanduiding van soort, hoedanigheid van de in de klassen 16, 41 en 44 genoemde waren en diensten. Het teken mist bovendien ieder onderscheidend vermogen. Wij verwijzen naar artikel 2.11, lid 1, sub b. en c. BVIE. De gekozen grafische weergave heft het gebrek aan onderscheidend vermogen van het teken niet op". 2.2. Het Benelux - Bureau voor de Intellectuele Eigendom heeft aldus in de voorlopige beslissing tot weigering duidelijk de redenen voor de weigering, nl. het beschrijvend karakter en het gebrek om ieder onderscheidend vermogen, van het litigieuze teken vermeld. Daarenboven heeft het Bureau uitdrukkelijk gepreciseerd waarom dit teken als "beschrijvend" in de zin van het Verdrag diende te worden geacht, nl. omdat: "het kan (..) dienen tot aanduiding van soort, hoedanigheid van de in de klassen 16, 41 en 44 genoemde waren en diensten". 2.3. Door te steunen op de overweging (arrest, p. 11, nr. 30 en nr. 31) dat de bedoelde "voorlopige weigering" blijk gaf van "ontstentenis van redengeving", heeft het arrest de bewoordingen van de akte inhoudende deze "voorlopige weigering" (brief van het BBIE van 20 december 2007), uitgelegd op een wijze die er onverenigbaar mee is aangezien bedoelde bewoordingen onmiskenbaar de "redenen" van de weigering aanduidden. Het arrest houdt aldus miskenning in van de bewijskracht van de vermelde akte en schendt bijgevolg de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek krachtens dewelke de rechter de hem voorgelegde akte niet mag uitleggen op een wijze die onverenigbaar is met de bewoordingen ervan. Derde onderdeel Schending van de artikelen 2.11.1, b en c, en artikel 2.11.3 BVIE. 3.1. Krachtens artikel 2.11.1 BVIE : "weigert het Bureau een merk in te schrijven indien naar zijn oordeel: (
  3. a)(...) (
  4. b)het merk elk onderscheidend vermogen mist; (
  5. c)het merk uitsluitend bestaat uit tekens of benamingen die in de handel kunnen dienen tot aanduiding van soort, hoedanigheid, hoeveelheden, bestemming, waarde, plaats van herkomst of het tijdstip van de waren of verrichting van de dienst of andere kenmerken van de waren of diensten. d (...) e (...)". Het BVIE somt aldus de vijf redenen op die het Bureau ertoe brengen de inschrijving van een merk te weigeren. 3.2. Krachtens artikel 2.11.3 BVIE "geeft het Bureau van zijn voornemen de inschrijving (...) te weigeren, onder opgave van redenen, onverwijld kennis aan de deposant en stelt hem in de gelegenheid hierop binnen een bij uitvoeringsreglement gestelde termijn te antwoorden". 3.3. De "redenen" die aldus, overeenkomstig artikel 2.11.3 BVIE moeten opgegeven zijn in de voorlopige beslissing van weigering, zijn de gronden waarop de weigering gesteund is overeenkomstig artikel 2.11.1 BVIE. 3.4. In voorliggend geval wordt in de voorlopige beslissing tot weigering van 20 december 2007 duidelijk vermeld op welke specifieke redenen het Bureau de weigering steunt, te weten op de redenen vermeld in artikel 2.11.1, b en c, BVIE. Die redenen worden als volgt in de beslissing gepreciseerd: "
(1)Het teken bodystyling is beschrijvend. Het kan immers dienen tot aanduiding van de in de klassen 16, 41 en 44 genoemde waren en diensten.
(2)Het teken mist bovendien onderscheidend vermogen. Dit gebrek aan onderscheidend vermogen van het teken wordt niet opgeheven door de gekozen grafische weergave". 3.
  1. Door aldus de redenen van de weigering op te geven en te preciseren naar het concrete geval toe, heeft de (voorlopige) weigeringsbeslissing voldaan aan de verdragsrechtelijke voorwaarde van "opgave van redenen" (artikel 2.11.3 BVIE) waarop de deposante (de verweerster), indien zij het nuttig of wenselijk achtte, kon antwoorden. Wat betreft de tweede opgegeven reden - het gebrek aan onderscheidend vermogen - dient overigens te worden onderstreept dat die weigeringsgrond noodzakelijkerwijze volgt uit de eerste opgegeven en gepreciseerde reden nl. het beschrijvend karakter van het merk (Hof van Justitie, 12 februari 2004, zaak C-363/99, KPN/BMB, r.o. 67 en 85 en zaak C-265/00, Campina/BMB, r.o. 18; Cass. 22 oktober 2009, C.08.0411.N ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091022.3, BOIE/Janssen Pharmaceutica). 3.
  2. Door te eisen dat het BBIE in de voorlopige beslissing tot weigering nog meer (feitelijke) gegevens en omstandigheden dan de daarin vermelde (zie boven nr. 3.5) diende op te geven (arrest, p. 11, lid 3, en nr. 30, lid 1) en een verdere "gedachtengang" diende te ontwikkelen (arrest, p. 11, lid 2; nr. 30, lid 2), voegt het arrest ten onrechte een voorwaarde toe aan het verdragsrechtelijk begrip "opgave van redenen" zoals vereist door artikel 2.11.3 BVIE en schendt het aldus dit begrip en deze bepaling, evenals artikel 2.11.1, b en c, BVIE. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het middel
  3. De verweerster voert aan dat het middel niet ontvankelijk is bij gebrek aan belang aangezien het bekritiseerde motief slechts ten subsidiaire titel door de appelrechters wordt aangegeven en de beslissing van de appelrechters omtrent de exceptie van niet-ontvankelijkheid van het beroep overeind blijft op een ander, door de eiseres niet bekritiseerde, hoofdmotief.
  4. De appelrechters verklaren het beroep van de verweerster tegen de definitieve beslissing ontvankelijk op grond dat bij ontstentenis van redengeving in de voorlopige beslissing tot weigering de verweerster geen argumenten tegen deze beslissing kon aanbrengen. Zij oordelen dat dit zelfs het geval is wanneer de eiseres zou gevolgd worden in haar standpunt dat een beroep tegen een definitieve beslissing niet kan worden toegelaten indien de voorlopige beslissing niet werd bekritiseerd.
  5. Anders dan het middel aanvoert, gaan de appelrechters aldus niet ervan uit dat de beslissing tot weigering van een depot altijd kan worden aangevochten. De grond van niet ontvankelijkheid van het middel kan niet worden aangenomen. Middel Eerste onderdeel
  6. Krachtens artikel 2.11.
  7. van het Benelux-Verdrag intellectuele eigendom, geeft het Bureau aan de deposant onverwijld schriftelijk kennis van zijn voornemen de inschrijving geheel of gedeeltelijk te weigeren, onder opgave van redenen, en stelt het hem in de gelegenheid hierop binnen een bij uitvoeringsreglement gestelde termijn te antwoorden.
  8. De appelrechters oordelen dat uit deze bepaling moet afgeleid worden dat de procedure in twee stappen, waarbij eerst een voorlopige weigering wordt genotificeerd vooraleer een definitieve beslissing wordt genomen, beoogt om tijdens de gestelde termijn uitwisseling van argumenten te bewerkstelligen en dat het Bureau zich hierbij niet kan beperken tot de verwijzing naar verdragsartikelen en het beknopt weergeven van hun inhoud.
  9. Door de juridische draagwijdte van deze door de eiseres ingeroepen verdragsbepaling anders uit te leggen dan de partijen doen, schenden de appelrechters noch het beschikkingsbeginsel, noch artikel 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek, noch het recht van verdediging van de eiseres. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  10. De appelrechters stellen vast dat het Bureau zijn voorlopige beslissing ter kennis bracht van de merkgemachtigde van de verweerster met de brief van 20 december 2007 en in deze brief zijn redenen van weigering weergeeft.
  11. Door te oordelen dat deze redenen in het onzekere laten welke gegevens het Bureau er toe hebben gebracht om te stellen dat het gedeponeerde teken beschrijvend is, dat het geen onderscheidend vermogen heeft en dat de grafische weergave ervan aan die conclusie niets verandert, geven de appelrechters van de brief van 20 december 2007 geen uitlegging die onverenigbaar is met de bewoordingen ervan en schenden mitsdien niet de bewijskracht van die akte. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Derde onderdeel
  12. Krachtens het voormeld artikel 2.11.
  13. van het Benelux-Verdrag intellectuele eigendom geeft het Bureau aan de deposant onverwijld schriftelijk kennis van zijn voornemen de inschrijving geheel of gedeeltelijk te weigeren, onder opgave van redenen, en stelt het hem in de gelegenheid hierop binnen een bij uitvoeringsreglement gestelde termijn te antwoorden. Krachtens artikel 2.11.
  14. van hetzelfde verdrag kan het Bureau weigeren een merk in te schrijven indien naar zijn oordeel een van de in deze bepalingen voorziene absolute gronden van weigering voorhanden is.
  15. De appelrechters oordelen dat de "opgave van redenen" vermeld in artikel 2.11.
  16. van voormeld verdrag zich niet beperkt tot de verwijzing naar verdragsartikelen en het beknopt weergeven van hun inhoud, maar dat een gedachtengang moet ontwikkeld worden die leidt tot de conclusie dat een van de weigeringsgronden voorhanden is en dat de eiseres bij ontstentenis van redengeving geen argumenten kon aanbrengen om deze gedachtengang te weerleggen.
  17. Het onderdeel voert aan dat de redenen die overeenkomstig artikel 2.11.
  18. van het Benelux-Verdrag intellectuele eigendom moeten opgegeven zijn in de voorlopige beslissing van weigering, de gronden zijn waarop de weigering gesteund is overeenkomstig artikel 2.11.
  19. en de appelrechters door te eisen dat het Bureau in de voorlopige beslissing tot weigering feitelijke gegevens en omstandigheden waarop de weigering is gesteund moet aangeven en een verdere gedachtengang moet ontwikkelen, een voorwaarde toevoegen aan artikel 2.11.
  20. van het verdrag.
  21. Het antwoord op dit onderdeel vraagt om uitleg van artikel 2.11.
  22. van het Benelux-Verdrag intellectuele eigendom. Het Hof van Cassatie is verplicht om de vraag tot uitlegging aan het Benelux-Gerechtshof voor te leggen. Dictum Het Hof, Houdt elke verdere uitspraak aan en vraagt aan het Benelux-Gerechtshof om zich, gelet op het bovengenoemd middel van de eiseres, uit te spreken over de volgende vragen om uitleg:
  23. Voldoet het Bureau aan de in artikel 2.11.3 BVIE bepaalde verplichting om "onder opgave van redenen" kennis te geven aan de deposant van zijn voornemen de inschrijving geheel of gedeeltelijk te weigeren door het louter aanduiden van een of meer van de in artikel 2.11.1 BVIE vermelde absolute weigeringsgronden?
  24. Verbeurt de deposant het recht om hoger beroep in te stellen tegen de beslissing van weigering doordat hij geen bezwaren formuleerde tegen het voornemen de inschrijving geheel of gedeeltelijk te weigeren?
  25. Verbeurt de deposant, bij een positief antwoord op de tweede vraag, dit recht ook, wanneer de kennisgeving van het voornemen de inschrijving geheel of gedeeltelijk te weigeren zonder opgave van redenen is gebeurd? Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit eerste voorzitter Ghislain Londers, als voorzitter, en de raadsheren Eric Stassijns, Beatrijs Deconinck, Alain Smetryns en Geert Jocqué, en in openbare terechtzitting van 5 november 2010 uitgesproken door eerste voorzitter Ghislain Londers, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101105.5 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091022.3 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120308.12 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.