id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 09 november 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101109.3 Rolnummer: P.09.1562.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Sociale-zekerheidsrecht - Handelsrecht Invoerdatum: 2010-11-17 Raadplegingen: 200 - laatst gezien 2026-07-01 14:04 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Uit artikel 19ter Wet Fondsen Bestaanszekerheid en artikel 57 C.A.O.-wet volgt dat het aantal personen voor wie aan een fonds voor bestaanszekerheid zoals het Fonds voor Rijn- en binnenscheepvaart geen bijdragen zijn gestort, een bepalend element uitmaakt van de in artikel 16, 1° Wet Fondsen Bestaanszekerheid en artikel 56, 1° C.A.O.-wet bepaalde inbreuken
(1)Zie Cass., 8 nov. 1978, A.C., 1978-1979, nr. 291; Cass., 5 juni 1979, A.C., 1978-1979, nr. 1159; Cass., 20 juni 1979, A.C., 1978-1979, nr. 1264; Cass., 7 nov. 1979, A.C., 1979-1980, nr. 155; Cass., 13 nov. 1979, A.C., 1979-1980, nr.
- Thesaurus CAS: STRAF - GELDBOETE EN OPDECIEMEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Straffen - Geldboete - Algemeen Vrije woorden: Sociaal recht - Geldboete zoveel maal opgelegd als er werknemers bij het misdrijf betrokken zijn - Toepassing Fiches 2 - 3 Het Fonds voor Rijn- en binnenscheepvaart, zijnde een fonds voor bestaanszekerheid opgericht in de schoot van het paritair comité voor de binnenscheepvaart in toepassing van de C.A.O.-wet en de Wet Fondsen Bestaanszekerheid is, in toepassing van artikel 6 Wet Fondsen voor Bestaanszekerheid belast met de inning en invordering van de bijdragen die de betrokken werkgevers op grond van algemeen verbindend verklaarde cao's verschuldigd zijn, onder meer ter financiering van sociale voordelen voor de werknemers; het voornoemd Fonds heeft geen hoedanigheid om de krachtens de R.S.Z.-wet verschuldigde socialezekerheidsbijdragen te innen en in te vorderen en kan aldus geen ontvankelijke burgerlijke rechtsvordering steunen op inbreuken op de R.S.Z.-wet en het Dimona-aangiftebesluit. Thesaurus CAS: SOCIALE ZEKERHEID - ALLERLEI UTU-thesaurus: STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Straffen - Geldboete - Algemeen Vrije woorden: Fonds voor bestaandszekerheid - Fonds voor Rijn- en binnenscheepvaart - Taak Thesaurus CAS: SCHIP. SCHEEPVAART UTU-thesaurus: STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Straffen - Geldboete - Algemeen Vrije woorden: Fonds voor Rijn- en binnenscheepvaart - Taak Tekst van de beslissing Nr. P.09.1562.N FONDS VOOR RIJN- EN BINNENSCHEEPVAART, met zetel te 2000 Antwerpen, Arenbergstraat 24, burgerlijke partij, eiser, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, tegen
- T A D W, beklaagde,
- P D W, beklaagde,
- SEPRO SHIPPING sarl, met zetel te L5450 Stadtbredimus (Groothertogdom Luxemburg), Lauthegaas 3, beklaagde en civielrechtelijk aansprakelijke partij,
- PETROLEUM TRANSPORT REDERIJ bvba, met zetel te 2030 Antwerpen, Haven 77, Lichterweg 3, beklaagde en civielrechtelijk aansprakelijke partij,
- D W BUNKERING nv, beklaagde en civielrechtelijk aansprakelijke partij, verweerders, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 9051 Gent, Driekoningenstraat 3, waar de verweerders woonplaats kiezen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 24 september
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Koen Mestdagh heeft verslag uitgebracht. Eerste advocaat-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
- Het beroepen vonnis van de correctionele rechtbank te Antwerpen van 21 mei 2008 verklaart de burgerlijke rechtsvordering van de eiser tegen de verweerster 3 onontvankelijk. Het verklaart zich onbevoegd te oordelen over de burgerlijke rechtsvordering van de eiser tegen de verweersters 4 en 5 en het verklaart de burgerlijke rechtsvordering van de eiser tegen de verweerders 1 en 2, in hun hoedanigheid van voormalige vereffenaars van de verweerster 3, ongegrond.
- Uit de stukken van de rechtspleging blijkt dat de eiser geen hoger beroep heeft ingesteld tegen het voormelde vonnis van 21 mei
- Aldus bestond er in hoger beroep geen procesverhouding tussen de eiser en de verweersters 3, 4 en 5 en evenmin tussen de eiser en de verweerders 1 en 2 in hun hoedanigheid van voormalige vereffenaars van de verweerster
- In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de verweersters 3, 4 en 5 en tegen de verweerders 1 en 2 in hun hoedanigheid van voormalige vereffenaars van de verweerster 3, is het niet ontvankelijk. Eerste middel
- Het middel voert schending aan van de artikelen 2 en 782, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek: uit geen enkel stuk waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat het arrest vóór de uitspraak ondertekend werd door de rechters die het hebben gewezen; door de ondertekening van de vaststelling wie het arrest uitsprak, blijkt onmiskenbaar dat deze ondertekening plaatsvond na de uitspraak van het arrest.
- Artikel 782 Gerechtelijk Wetboek bepaalt: "Voor de uitspraak wordt het vonnis ondertekend door de rechters die het hebben gewezen en door de griffier. Het eerste lid is evenwel niet van toepassing indien de rechter of rechters oordelen dat het vonnis onmiddellijk na de debatten kan worden uitgesproken." Krachtens artikel 782bis, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek wordt het vonnis uitgesproken door de voorzitter van de kamer die het heeft gewezen, zelfs in afwezigheid van de andere rechters en, behalve voor straf- en in voorkomend geval voor tuchtzaken, van het openbaar ministerie.
- Artikel 782 Gerechtelijk Wetboek dat van toepassing is in strafzaken, is niet voorgeschreven op straffe van nietigheid. Het is evenmin substantieel.
- De voormelde artikelen werden ingevoerd bij de wet van 26 april 2007 tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek met het oog op het bestrijden van de gerechtelijke achterstand.
- De voorafgaande ondertekening moet toelaten dat het vonnis of arrest, ook in straf- en tuchtzaken, wordt uitgesproken door de voorzitter van de kamer die het heeft gewezen, in afwezigheid van de andere rechters. Het vonnis of arrest kan evenwel alleen worden uitgesproken wanneer vaststaat welke rechters het hebben gewezen. De voormelde bepalingen staan niet eraan in de weg dat de rechters alsnog samen het vonnis of het arrest uitspreken en het vervolgens ondertekenen of dat zij het vonnis of het arrest dat de voorzitter alleen heeft uitgesproken, slechts na de uitspraak ondertekenen, mits het respecteren van de regel dat het vonnis of het arrest moet worden gewezen door die rechters die alle rechtszittingen over de zaak en het beraad daarover hebben bijgewoond. Het middel faalt naar recht. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6.3.a EVRM, de artikelen 145, 182, 184 en 211 Wetboek van Strafvordering, artikel 4 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering en de artikelen 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek, evenals miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging: het arrest oordeelt niet wettig dat de strafvordering wat betreft de telastleggingen H en K, bij gebrek aan afdoende duidelijke omschrijving, onontvankelijk is.
- De verweerders 1 en 2 zijn onder de telastleggingen H en K vervolgd wegens de overtreding van een algemeen verbindend verklaarde CAO die de werkgever de verplichting oplegt bijdragen te betalen aan het fonds voor bestaanszekerheid opgericht in de schoot van het paritair comité voor de binnenscheepvaart, strafbaar gesteld zowel krachtens artikel 16, 1°, van de wet van 7 januari 1958 betreffende de fondsen voor bestaanszekerheid (telastlegging H), (hierna: Wet Fondsen Bestaanszekerheid), als krachtens artikel 56, 1°, CAO-wet (telastlegging K).
- Krachtens artikel 19ter Wet Fondsen Bestaanszekerheid wordt de geldboete voor de bij artikel 16, 1°, bepaalde misdrijven, zoveel maal toegepast als er personen zijn voor wie geen bijdragen werden gestort, zonder dat het bedrag van de geldboete hoger mag zijn dan 50.000 euro. Krachtens artikel 57 CAO-wet wordt de geldboete voor de bij artikel 56, 1°, bepaalde inbreuken, zoveel maal opgelegd als er werknemers in strijd met de overeenkomst zijn tewerkgesteld, zonder dat het bedrag van de geldboete hoger mag zijn dan 50.000 euro.
- Uit die bepalingen volgt dat het aantal personen voor wie aan de eiser geen bijdragen zijn gestort, een bepalend element uitmaakt van de tegen de verweerders 1 en 2 onder de feiten H en K uitgebrachte beschuldiging. In zoverre het middel aanvoert dat de door artikel 6.3.a EVRM en artikel 182 Wetboek van Strafvordering vereiste voldoende duidelijke omschrijving van het voorwerp van de vervolging die de beklaagde toelaat zijn recht van verdediging uit te oefenen, niet vereist dat de verwijzingsbeschikking of de dagvaarding het aantal werknemers voor wie geen bijdragen zijn gestort, nader zou bepalen, faalt het naar recht.
- Voor het overige komt het middel op tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door de rechter of vraagt het een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is. In zoverre is het middel niet ontvankelijk. Derde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 3 RSZ-wet, artikel 4 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, de artikelen 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek en, voor zoveel als nodig, artikel 2, § 4, Algemene Beginselenwet Sociale Zekerheid: het arrest oordeelt niet wettig dat de strafvordering wat betreft de telastleggingen E en J ongegrond is en beslist bijgevolg niet wettig dat het geen rechtsmacht bezit uitspraak te doen over eisers burgerlijke rechtsvordering.
- De verweerders 1 en 2 zijn onder de telastleggingen E en J vervolgd wegens het niet-indienen bij de RSZ van Dimona-aangiften en kwartaalaangiften met verantwoording van de verschuldigde socialezekerheidsbijdragen.
- De eiser is een fonds voor bestaanszekerheid opgericht in de schoot van het paritair comité voor de binnenscheepvaart in toepassing van de CAO-wet en de Wet Fondsen Bestaanszekerheid. In toepassing van artikel 6 Wet Fondsen voor Bestaanszekerheid is de eiser belast met de inning en invordering van de bijdragen die de betrokken werkgevers op grond van algemeen verbindend verklaarde cao's verschuldigd zijn, onder meer ter financiering van sociale voordelen voor de werknemers. De eiser die geen hoedanigheid heeft om de krachtens de RSZ-wet verschuldigde socialezekerheidsbijdragen te innen en in te vorderen, kan aldus geen ontvankelijke burgerlijke rechtsvordering steunen op inbreuken op de RSZ-wet en het Dimona-aangiftebesluit. Het middel is bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. Bepaalt de kosten op 82,34 euro waarvan de eiser 52,34 euro verschuldigd is. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, en de raadsheren Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt en Koen Mestdagh, en op de openbare rechtszitting van 9 november 2010 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Marc De Swaef, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101109.3 Gerelateerde publicatie(s) zie ook recenter: ECLI:BE:HBANT:2009:ARR.20090924.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div