id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 09 november 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101109.5 Rolnummer: P.09.1915.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Burgerlijk recht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2010-11-24 Raadplegingen: 524 - laatst gezien 2026-07-02 03:46 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Het "op geldige wijze aanhangig zijn" van rechtsgedingen zoals bepaald in artikel 3 Gerechtelijk Wetboek betreft onder meer het voorbrengen van de zaak voor de bevoegde rechter, die aldus wettig zijn bevoegdheid vaststelt; de uitzonderingsbepaling met betrekking tot de rechtsgedingen die geldig vóór de inwerkingtreding van de nieuwe wet zijn aanhangig gemaakt, beoogt de bevoegdheid van de eerste rechter, eenmaal wettig vastgesteld, definitief vast te leggen ongeacht de daaropvolgende bevoegdheidswijziging; dit hoeft niet wanneer de eerste rechter zijn onbevoegdheid vaststelt of onwettig oordeelt bevoegd te zijn; in dit geval komt het de appelrechter toe met toepassing van de nieuwe wet zijn bevoegdheid vast te stellen
(1).
(1)Zie Cass., 24 dec. 1973, A.C., 1974, nr. 477; Cass., 14 maart 1980, A.C., 1979-1980, nr. 447; Cass., 16 okt. 1985, AR 4380, A.C., 1985-1986, nr. 100 en de noot
- Thesaurus CAS: BEVOEGDHEID EN AANLEG - STRAFZAKEN - Bevoegdheid UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BURGERLIJK RECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Wetten - Toepassing in tijd Vrije woorden: Wetten op de rechterlijke organisatie, de bevoegdheid en de rechtspleging - Werking in de tijd - Op geldige wijze aanhandig zijnde rechtsgedingen Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 3 Thesaurus CAS: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - WERKING IN DE TIJD EN IN DE RUIMTE UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BURGERLIJK RECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Wetten - Toepassing in tijd Vrije woorden: Wetten op de rechterlijke organisatie, de bevoegdheid en de rechtspleging - Werking in de tijd - Op geldige wijze aanhandig zijnde rechtsgedingen Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 3 Tekst van de beslissing Nr. P. 09.1915.N I I A M L, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Hans Van Bavel, advocaat bij de balie te Brussel. II P A U, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Marina Hermans, advocaat bij de balie te Mechelen. III E J V, beklaagde, eiseres. IV L I L, beklaagde, eiser, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, waar de eiser woonplaats kiest. V SITA RECYCLING SERVICES nv, met zetel te 2340 Beerse, Lilsedijk 19, beklaagde, eiseres, met als raadsman mr. Bob Martens, advocaat bij de balie te Brussel. VI J L A G, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Filiep Deruyck, advocaat bij de balie te Antwerpen. VII H J R M P, beklaagde, eiser, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, waar de eiser woonplaats kiest, allen tegen
- M V, burgerlijke partij,
- I D, burgerlijke partij,
- ECOWERF, opdrachthoudende vereniging met zetel te 3012 Wilsele, Aarschotsesteenweg 210, burgerlijke partij, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 18 november 2009, op verwijzing gewezen ingevolge arrest van het Hof van 6 januari
- De eisers I, IV, VI en VII voeren elk in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. De eiser V voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. De eiser II verwijst in een memorie naar de middelen zoals uiteengezet door eiser I en V. De eiseres III voert geen middel aan. De eiser I doet zonder berusting afstand van zijn cassatieberoep in zoverre dit gericht is tegen de heromschrijving door de appelrechters van het feit onder de tenlastelegging F.
- Afdelingsvoorzitter Etienne Goethals heeft verslag uitgebracht. Eerste advocaat-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd. II. FEITEN EN VOORAFGAANDE RECHTSPLEGING De eisers I tot VI werden voor de correctionele rechtbank te Leuven vervolgd onder meer wegens de telastlegging F.17, die betrekking had op het misdrijf gekwalificeerd in artikel 314 Strafwetboek, met name de belemmering van de vrijheid van opbod. Zij werden daarenboven samen met de eiser VII vervolgd wegens met de telastlegging F.17 samenhangende misdrijven. De eisers werden veroordeeld bij vonnis van de correctionele rechtbank van Leuven van 25 juni
- In hoger beroep heeft het hof van beroep te Brussel veroordelingen uitgesproken bij arrest van 30 juni
- Het Hof heeft dit arrest vernietigd bij arrest van 6 januari
- Het Hof heeft geoordeeld dat de telastlegging F.17, zoals omschreven, inhield dat een der frauduleuze middelen die gebruikt werd om de vrijheid van opbod of van inschrijving te belemmeren of te storen, eveneens een niet-gecorrectionaliseerde valsheid in geschriften en gebruik van valse stukken uitmaakte, zodat de appelrechters zich onterecht bevoegd hadden verklaard. De zaak werd verwezen naar het hof van beroep te Antwerpen. Het thans bestreden arrest van het hof van beroep te Antwerpen oordeelt dat de feiten van de telastlegging F.17 ook kunnen worden omschreven als valsheid in geschriften en gebruik van valse stukken. Na aanneming van verzachtende omstandigheden met toepassing van het nieuwe artikel 3, derde lid, Wet Verzachtende Omstandigheden, in werking getreden op 26 juni 2008, hebben de appelrechters geoordeeld dat zij bevoegd te zijn om over deze feiten te oordelen. Zij verklaren het arrest uitvoerbaar bij voorraad en bevelen de heropening van het debat teneinde de zaak ten gronde te behandelen. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Afstand van de eiser I
- Uit het bestreden arrest blijkt dat de bevoegdheidsbetwisting volgt uit de heromschrijving door de appelrechters van het feit van de telastlegging F.
- Die heromschrijving is aldus een onderdeel van deze bevoegdheidsbetwisting. Krachtens artikel 416, tweede lid, Wetboek van Strafvordering is het cassatieberoep vóór de eindbeslissing ontvankelijk, ook wat deze heromschrijving betreft, en is er geen aanleiding akte te verlenen van de afstand. Ontvankelijkheid van het cassatieberoep van de eiseres III
- Het bestreden arrest is ten aanzien van de eiseres bij verstek gewezen. Het cassatieberoep dat is ingesteld vóór het verstrijken van de gewone termijn van verzet, is voorbarig, mitsdien niet ontvankelijk. Ontvankelijkheid van de memorie van de eiser II
- De memorie die geen grieven aanvoert tegen het arrest en enkel verwijst naar de middelen die door de medebeklaagden zijn aangevoerd tegen hun veroordeling door het bestreden arrest, zonder aan te geven in welk opzicht de door die andere beklaagden aangevoerde onwettigheden de bestreden beslissing aantasten, is niet ontvankelijk. Middel van de eiser I
- Het middel voert schending aan van artikel 3 Gerechtelijk Wetboek: de appelrechters oordelen onterecht dat zij bevoegd zijn krachtens het nieuwe artikel 3, derde lid, Wet Verzachtende Omstandigheden dat hen toelaat zelf een niet voordien gecorrectionaliseerde misdaad te correctionaliseren; nochtans had de eerste rechter een beslissing genomen waarbij de bevoegdheid werd vastgesteld; de appelrechters dienden derhalve hun bevoegdheid te beoordelen overeenkomstig de wetgeving van toepassing op het ogenblik van de beoordeling ervan door de eerste rechter; met hun oordeel dat de uitzondering op de onmiddellijke toepassing van de nieuwe bevoegdheidsregels op het hangende geschil ("correctiemechanisme") alleen geldt wanneer de eerste rechter zijn bevoegdheid "terecht" heeft vastgesteld, voegen de appelrechters aan artikel 3, in fine, Gerechtelijk Wetboek een voorwaarde toe die deze bepaling niet inhoudt.
- Artikel 3 Gerechtelijk Wetboek bepaalt: "De wetten op de rechterlijke organisatie, de bevoegdheid en de rechtspleging zijn van onmiddellijke toepassing op de hangende rechtsgedingen, zonder dat die worden onttrokken aan de instantie van het gerecht waarvoor zij op geldige wijze aanhangig zijn, en behoudens de uitzonderingen bij de wet bepaald."
- Het "op geldige wijze aanhangig zijn" betreft onder meer het voorbrengen van de zaak voor de bevoegde rechter, die aldus wettig zijn bevoegdheid vaststelt. De uitzonderingsbepaling met betrekking tot de rechtsgedingen die geldig vóór de inwerkingtreding van de nieuwe wet zijn aanhangig gemaakt, beoogt de bevoegdheid van de eerste rechter, eenmaal wettig vastgesteld, definitief vast te leggen ongeacht de daaropvolgende bevoegdheidswijziging. Dit hoeft niet wanneer de eerste rechter zijn onbevoegdheid vaststelt of onwettig oordeelt bevoegd te zijn. In dit geval komt het de appelrechter toe met toepassing van de nieuwe wet zijn bevoegdheid vast te stellen. Het middel faalt naar recht. Middel van de eisers IV en VII
- De middelen voeren schending aan van artikel 3 Gerechtelijk Wetboek en artikel 2 Strafwetboek: de appelrechters oordelen onterecht dat zij bevoegd zijn krachtens het nieuwe artikel 3, derde lid, Wet Verzachtende Omstandigheden dat hen toelaat zelf een niet voordien gecorrectionaliseerde misdaad te correctionaliseren; nochtans wordt de onmiddellijke toepassingskracht van de wetten op de bevoegdheid beperkt door het "correctiemechanisme", vervat in artikel 3 Gerechtelijk Wetboek en op grond waarvan de onmiddellijke toepasselijkheid slechts geldt in de mate dat er nog geen beslissing ten gronde is genomen waardoor de bevoegdheid werd vastgelegd; het begrip "hangend rechtsgeding" in artikel 3 Gerechtelijk Wetboek dient te worden gedefinieerd als een rechtsgeding dat nog moet worden beslecht op het ogenblik van de inwerkingtreding van de nieuwe bepalingen betreffende de bevoegdheid; nergens bepaalt artikel 3 Gerechtelijk Wetboek of artikel 2 Strafwetboek of enige andere wettelijke bepaling dat deze beslissing over de grond, waarbij impliciet of expliciet over de bevoegdheid uitspraak wordt gedaan, definitief zou moeten zijn en in kracht van gewijsde zou moeten zijn gegaan; uit artikel 3 Gerechtelijk Wetboek volgt inderdaad dat het begrip "hangend rechtsgeding" niet wijst op een definitieve en in kracht van gewijsde gegane beslissing over de bevoegdheid maar wel dient te worden beschouwd als een uitspraak door de rechter in een in die aanleg gewezen beslissing; het "hangend rechtsgeding" wordt gelijkgesteld met een aanleg; waar de eerste rechter reeds uitspraak had gedaan over de bevoegdheid vóór de verruiming van de bevoegdheid ingevolge het nieuwe derde lid van artikel 3 Wet Verzachtende Omstandigheden, vermochten de appelrechters niet wettig hun bevoegdheid overeenkomstig deze nieuwe wet te bepalen.
- Zoals blijkt uit het antwoord op het middel van de eiser I, beoogt de uitzonderingsbepaling met betrekking tot de zaken die geldig vóór de inwerkingtreding van de nieuwe wet zijn aanhangig gemaakt, de bevoegdheid van de eerste rechter, eenmaal wettig vastgesteld, definitief vast te leggen ongeacht de daaropvolgende bevoegdheidswijziging. Dit hoeft alleen wanneer de eerste rechter krachtens de toen toepasselijke regeling wettig zijn bevoegdheid vaststelde, zonder dat nochtans vereist is dat zijn beslissing kracht van gewijsde heeft.
- In zoverre het middel ervan uitgaat dat de appelrechters met een "wettige" bevoegdheidsbeslissing van de eerste rechter bedoelen dat deze beslissing volgens hen ook kracht van gewijsde moet hebben, berust het op een verkeerde lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
- In zoverre het middel ervan uitgaat dat de wettelijke bevoegheidsregeling voor de eerste rechter blijft gelden voor de appelrechters, met uitsluiting van de intussen in werking getreden nieuwe bevoegdheidsregeling, zodra de eerste rechter, zelfs onwettig, over zijn bevoegdheid heeft beslist, faalt het naar recht. Middel van de eiser VI
- Het middel van de eiser heeft dezelfde strekking als het middel van de eisers IV en VII en faalt om dezelfde redenen naar recht. Tweede middel van de eiser V
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 3 Gerechtelijk Wetboek en artikel 3, derde lid, Wet Verzachtende Omstandigheden: het vernietigingsarrest van het Hof van 6 januari 2009 deed geen uitspraak over de onbevoegdheid van de eerste rechter; het principe van de onmiddellijke werking van de nieuwe wet, vervat in artikel 3 Gerechtelijk Wetboek, heeft niet tot gevolg dat een procedure dewelke vóór de inwerkingtreding van deze nieuwe wet op rechtsgeldige wijze werd aanhangig gemaakt voor een rechter die op voornoemd ogenblik bevoegd was om van de zaak kennis te nemen, na de inwerkingtreding van deze nieuwe wet die hem zijn bevoegdheid ontneemt, aan deze rechter wordt onttrokken; bijgevolg vermochten de appelrechters niet op grond van een beweerde onbevoegdheid van de eerste rechter hun eigen bevoegdheid te bepalen overeenkomstig de nieuwe wet; het bestreden arrest beantwoordt niet eisers op rechtspraak gestoelde conclusie.
- In zoverre het middel dezelfde strekking heeft als het middel van de eiser I, faalt het om dezelfde redenen naar recht.
- Voor het overige vermelden de appelrechters met de redenen die zij aanhalen en die het middel onvolledig aanhaalt, op welke gronden zij hun bevoegdheid op de nieuwe wet laten steunen, en beantwoorden zij bijgevolg eisers conclusie. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. Eerste middel van de eiser V
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 407, tweede lid, Wetboek van Strafvordering: de appelrechters bevestigen de uitvoerbaarheid van het arrest zonder deze beslissing speciaal te motiveren.
- Met verwijzing naar de bepaling van artikel 6 EVRM, inzonderheid het tijdstip van de feiten en de vereiste van de eerbiediging van de redelijke termijn, motiveren de appelrechters hun beslissing speciaal. Het middel mist feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers in de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op 383,64 euro waarvan de eisers I, II, III en IV elk 54,81 euro verschuldigd zijn en de eisers V, VI en VII elk 54,80 euro verschuldigd zijn. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, en de raadsheren Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt en Koen Mestdagh, en op de openbare rechtszitting van 9 november 2010 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Marc De Swaef, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101109.5 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2013:CONC.20130503.1 zie ook recenter: ECLI:BE:HBANT:2009:ARR.20091118.15 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div