id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 12 november 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101112.2 Rolnummer: F.09.0101.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Overige - Belastingrecht Invoerdatum: 2010-11-24 Raadplegingen: 595 - laatst gezien 2026-07-02 11:07 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 De rechtshandelingen door de curator verricht ter zake van de onbeheerde nalatenschap, verbinden de erfgerechtigden die nadien opduiken. Thesaurus CAS: ERFENISSEN UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BIJZONDERE RECHTSPLEGINGEN (BURGERLIJKE ZAKEN) - Onbeheerde nalatenschappen BURGERLIJK RECHT - ERFRECHT - Algemeen (erfrecht) FISCAAL RECHT - SUCCESSIERECHTEN FISCAAL RECHT - SUCCESSIERECHTEN - Basiswetgeving - Vlaamse Gewest - Betaling rechten en boeten FISCAAL RECHT - SUCCESSIERECHTEN - Basiswetgeving - Vlaamse Gewest - Waarborgen Staat - successierechten Vrije woorden: Onbeheerde nalatenschap - Curator - Rechtshandelingen - Verbindende kracht - Erfgenamen die nadien opduiken Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Artt. 811 en 813 Fiche 2 Overeenkomstig artikel 74 Wetboek Successierechten zijn allen die tot opdracht hebben of de last op zich genomen hebben de aangifte in te leveren, tegenover de Staat aansprakelijk voor de rechten van successie of van overgang bij overlijden, voor de interest en de boeten, voor zoveel het van hen heeft afgehangen in de nakoming van de wet te voorzien; deze bepaling neemt niet weg dat de erfgenamen, legatarissen en begiftigden tegenover de Staat verder aansprakelijk blijven voor de rechten van successie en voor de interest verschuldigd op hetgeen ieder van hen in de nalatenschap verkreeg. Thesaurus CAS: SUCCESSIERECHTEN UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BIJZONDERE RECHTSPLEGINGEN (BURGERLIJKE ZAKEN) - Onbeheerde nalatenschappen BURGERLIJK RECHT - ERFRECHT - Algemeen (erfrecht) FISCAAL RECHT - SUCCESSIERECHTEN FISCAAL RECHT - SUCCESSIERECHTEN - Basiswetgeving - Vlaamse Gewest - Betaling rechten en boeten FISCAAL RECHT - SUCCESSIERECHTEN - Basiswetgeving - Vlaamse Gewest - Waarborgen Staat - successierechten Vrije woorden: Vlaams Gewest - Betaling rechten, interest en boete - Aansprakelijkheid erfnamen Wettelijke bepalingen: Wetboek der successierechten - Artt. 70, eerste lid, en 74 Tekst van de beslissing Nr. F.09.0101.N BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de ontvanger van het registratiekantoor te Jette, met kantoor te 1000 Brussel, Regentschapsstraat 54, eiser, vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, bus 14, waar de eiser woonplaats kiest, tegen
- V.M.R.,
- V.M.H.,
- V.M.H.,
- V.M.F.,
- V.G.E.,
- V.G.H.,
- V.G.J.,
- V.G.C.,
- D.K.G.,
- V.G.P.,
- V.G.R.,
- F.M.,
- F.W.,
- F.W.,
- F.B.,
- S.P.,
- V.A.L.,
- V.A.L.,
- L.R.,
- S.C., verweerders, allen als wettige erfgenaam van G.V.G., die woonplaats hebben gekozen bij gerechtsdeurwaarder Annemie Van Boxstael, met kantoor te 1800 Vilvoorde, Etienne Blondieaustraat 27/0/
- I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 5 februari 2009 gewezen door het hof van beroep te Brussel. Raadsheer Eric Dirix heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wetsbepalingen - de artikelen 70 en 74 van het Wetboek van Successierechten, ingevoegd bij KB nr. 308 van 31 maart 1936, bekrachtigd bij wet van 4 mei 1936 (W.Succ.); - de artikelen 803, 811, 813, 1382, 1383, 1984, 1991, 1992 en 1998 van het Burgerlijk Wetboek; - de artikelen 1228, eerste lid, en 1230 van het Gerechtelijk Wetboek. Aangevochten beslissing Het bestreden arrest verklaart de vordering van verweerders, op incidenteel beroep, ontvankelijk en als volgt gegrond: "Beveelt (de eiser) om over te gaan tot een berekening van de sedert 3 januari 1996 tot 21 november 1996 gelopen interest, overeenkomstig de regels W. Succ., alsook om het bedrag van de aldus berekende intresten, vermeerderd met de gerechtelijke intresten sedert de neerlegging van de besluiten van verweerders waarin het incidenteel beroep werd ingesteld (dit wil zeggen sedert 11 maart 2004) terug te betalen". Deze beslissing werd op de hiernavolgende motieven geschraagd: "Artikel 74 W.Succ. bepaalt dat de vertegenwoordiger der erfgenamen, de curators van onbeheerde nalatenschappen (...) tegenover de Staat aansprakelijk zijn voor de successierechten, interesten en boeten, voor zoveel het van hen heeft afgehangen in de nakoming van de wet te voorzien. In geval van een onbeheerde nalatenschap, waarvoor een voorlopig beheerder werd aangesteld door de rechtbank, begint voor deze voorlopige beheerder de termijn voor indiening van de aangifte pas te lopen vanaf zijn aanstelling. Daarentegen kan het onbeheerd verklaren van de nalatenschap niet worden gelijkgesteld met een verandering in de devolutie, zodat het zonder invloed blijft op de datum waarop de rechten wettelijk opeisbaar geworden zijn, nl. 7 maanden na het overlijden. In deze werd de aangifte van nalatenschap ingediend op 21 november 1996, daar waar het overlijden van wijlen Mevrouw V.G. dateerde van 20 september 1994 en de aanstelling van de curator van 2 augustus
- Dit betekent dat de rechten verschuldigd waren 7 maanden na 20 september 1994, d.w.z. vanaf 20 april
- Op dat ogenblik was de curator evenwel nog niet aangesteld. Deze aanstelling gebeurde pas op 2 augustus
- Bovendien moet de curator logischerwijze over de wettelijke termijn van 5 maanden beschikken voor het indienen van de aangifte (zie art. 40 W.Succ.), d.w.z. tot 2 januari
- De omstandigheid dat de erfgenamen geen volmacht hebben gegeven aan de curator, doet niets ter zake, nu de curator in rechte werd aangesteld. Nu de aangifte pas op 21 november 1996 werd ingediend, dient de curator krachtens artikel 74 W.Succ. tegenover de Staat aansprakelijk te worden geacht voor de sedert 3 januari 1996 tot 21 november 1996 gelopen interest. De boete daarentegen werd reeds na 5 maanden na het overlijden opgelopen, maar toen was de curator nog niet aangesteld. Derhalve dient dit onderdeel van het incidenteel beroep gedeeltelijk te worden ingewilligd en beveelt (eiser) om over te gaan tot een berekening van de sedert 3 januari 1996 tot 21 november 1996 gelopen interesten, overeenkomstig de regels van het W.Succ., alsook om het bedrag van de aldus berekende interest, vermeerderd met de gerechtelijke interest sedert de neerlegging van de besluiten van (verweerders) waarin het incidenteel beroep werd ingesteld (d.w.z. sedert 11 maart 2004) terug te betalen" (arrest, bl. 11 en 12, C.2.). Grieven
- Wanneer na het verstrijken van de termijnen van boedelbeschrijving en van beraad zich niemand aanmeldt om een nalatenschap op te vorderen, geen erfgenamen bekend [zijn] of de bekende erfgenamen de nalatenschap hebben verworpen, wordt deze nalatenschap, luidens artikel 811 BW, als onbeheerd beschouwd. In dat geval wijst de rechtbank van eerste aanleg, op verzoek van een der belanghebbenden of op vordering van de procureur des Konings, overeenkomstig artikel 1228, eerste lid, Ger.W., een curator aan.
- De curator beheert en vereffent de onbeheerde nalatenschap als wettelijke mandataris van de schuldeisers, legatarissen en van de eventueel later opduikende erfgenamen. De bepalingen van het Burgerlijk Wetboek betreffende de tegeldemaking van het actief en het passief door de onder voorrecht van boedelbeschrijving aanvaardende erfgenaam en de vormen die ten aanzien van die erfgenaam zijn voorgeschreven, zijn van toepassing op de wijze van beheer en op de rekening en verantwoording van de curator van een onbeheerde nalatenschap (de artikelen 803, 813 BW en 1230 Ger.W.).
- Op grond van artikel 74 W.Succ. zijn de vertegenwoordiger der erfgenamen, legatarissen en begiftigden, de curators van onbeheerde nalatenschappen, de sequesters, de testamentuitvoerders en alle anderen die tot opdracht hebben of de last op zich hebben genomen de aangifte in te leveren, tegenover de Staat aansprakelijk voor de rechten van successie of van overgang bij overlijden, voor de interest en de boeten, voor zoveel het van hen heeft afgehangen in de nakoming van de wet te voorzien. Tegenover de Staat blijven de erfgenamen, legatarissen en begiftigden, op grond van artikel 70 W.Succ., evenwel steeds persoonlijk aansprakelijk voor de betaling van de rechten van successie of van overgang bij overlijden en voor de interest, ieder voor het door hem verkregene.
- Ingeval van een onbeheerde nalatenschap, zijn de erfgenamen die later opduiken, bijgevolg rechtstreeks op grond van artikel 70 W.Succ. gehouden tot betaling van de rechten van successie die op de nalatenschap zijn verschuldigd. Ook de interest die verschuldigd is als gevolg van een laattijdige betaling van de successierechten door de curator van de toen onbeheerde nalatenschap kunnen op de erfgenamen worden verhaald. De curator trad hierbij immers op als de wettelijke mandataris van die erfgenamen voor wiens rekening hij heeft gehandeld. Het loutere feit dat de curator ook op grond van artikel 74 W.Succ. aansprakelijk is voor de betaling van deze intrest, neemt niet weg dat de erfgenamen persoonlijk aansprakelijk blijven voor de betaling van deze intresten.
- De aangifte van de nalatenschap werd door de curator in deze zaak pas ingediend op 21 november 1996, terwijl de rechten verschuldigd waren op 20 april 1995, d.w.z. 7 maanden na het overlijden van Mevrouw G V.G.op 20 september
- Waar de curator pas op 2 augustus 1995 was aangesteld, oordeelde het bestreden arrest dat de curator de aangifte ten laatste op 2 januari 1996 had moeten indienen, zijnde binnen de 5 maanden na zijn aanstelling. De interest was volgens het bestreden arrest derhalve door de curator verschuldigd voor de periode van 3 januari 1996 tot 21 november
- Hieruit volgt dat het bestreden arrest, eerste onderdeel, eiser niet wettig, zonder schending van de artikelen 70 en 74 W.Succ., heeft kunnen veroordelen tot terugbetaling aan verweerders van de interest, verschuldigd wegens de laattijdige betaling van de successierechten, die liepen van 3 januari 1996 tot 21 november 1996, op grond dat de curator krachtens artikel 74 W.Succ. tegenover eiser aansprakelijk moet worden geacht voor deze interest (schending van de artikelen 70 en 74 W.Succ., 803, 811, 813, 1382, 1383, 1984, 1991, 1992 en 1998 BW, 1228, eerste lid, en 1230 Ger.W.).
- Waar de curator in zijn hoedanigheid van wettelijke mandataris geacht wordt de nalatenschap mede in naam en voor rekening van de later opgedoken erfgenamen te hebben beheerd en vereffend, is hij aansprakelijk ten overstaan van deze erfgenamen voor de nalatigheden in de uitvoering van zijn mandaat (de artikelen 1382, 1383, 1991 en 1992 BW). De eiser zelf blijft echter volledig vreemd aan deze verhouding tussen curator en erfgenamen en kan bijgevolg niet worden verweten dat hij de intresten, die verschuldigd zijn wegens de laattijdige betaling van de rechten als gevolg van de laattijdige indiening van de nalatenschap door de curator, niet heeft aangerekend aan de curator bij toepassing van artikel 74 W.Succ., maar rechtstreeks aan de erfgenamen op grond van artikel 70 W.Succ. Gelet op artikel 70 W.Succ., kunnen de erfgenamen zich tegenover eiser niet bevrijden van de betaling van die intresten door de fout in te roepen van hun mandataris waarvoor zij moeten instaan (de artikelen 811, 1998 BW en 1228 Ger.W.).
- Hieruit volgt dat het bestreden arrest, tweede onderdeel, eiser niet wettig heeft kunnen veroordelen tot terugbetaling aan verweerders van de intresten, voor de periode van 3 januari 1996 tot 21 november 1996, die verschuldigd waren door de nalatigheid van de curator, op grond dat verweerders niet aansprakelijk kunnen worden gesteld voor deze nalatigheid van hun wettelijke mandataris (schending van de artikelen 70 en 74 W.Succ., 803, 811, 813, 1382, 1383, 1984, 1991, 1992 en 1998 BW, 1228, eerste lid, en artikel 1230 Ger.W.). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
- Luidens artikel 811 Burgerlijk Wetboek wordt wanneer, na het verstrijken van de termijnen van boedelbeschrijving en van beraad, zich niemand aanmeldt om een nalatenschap op te vorderen, geen erfgenaam bekend is of de bekende erfgenamen de nalatenschap hebben verworpen, deze als onbeheerd beschouwd. Artikel 813 van hetzelfde wetboek bepaalt dat de door de rechtbank van eerste aanleg aangewezen curator is gehouden de staat van nalatenschap door een boedelbeschrijving te doen vaststellen en de nalatenschap te beheren. De bepalingen van het Burgerlijk Wetboek betreffende de tegeldemaking van het actief en de betaling van het passief door de onder voorrecht van boedelbeschrijving aanvaardende erfgenaam, zijn hierop van toepassing.
- De rechtshandelingen door de curator verricht ter zake van de onbeheerde nalatenschap, verbinden de erfgerechtigden die nadien opduiken.
- Krachtens artikel 70, eerste lid, Wetboek Successierechten zijn de erfgenamen, legatarissen en begiftigden tegenover de Staat aansprakelijk voor de rechten van successie of van overgang bij overlijden en voor de interest, ieder voor het door hem verkregene.
- Luidens artikel 74 Wetboek Successierechten zijn de vertegenwoordigers der erfgenamen, legatarissen en begiftigden, de curators van onbeheerde nalatenschappen, de sekwesters, de testamentuitvoerders en alle anderen die tot opdracht hebben of de last op zich genomen hebben de aangifte in te leveren, tegenover de Staat aansprakelijk voor de rechten van successie of van overgang bij overlijden, voor de interest en de boeten, voor zoveel het van hen heeft afgehangen in de nakoming van de wet te voorzien. Deze bepaling neemt niet weg dat de erfgenamen, legatarissen en begiftigden tegenover de Staat verder aansprakelijk blijven voor de rechten van successie en voor de interest verschuldigd op hetgeen ieder van hen in de nalatenschap verkreeg.
- De appelrechters stellen vast dat: - G V.G.overleden is op 20 september 1994; - op 2 augustus 1995 mr. Van Damme - Valvekens als curator werd aangesteld van de onbeheerde nalatenschap van G V.G.; - op 21 november 1996 de curator een aangifte van nalatenschap voor een netto-actief van 29.283.920 frank indiende waarop een bedrag van 21.752.136 frank als successierechten werden geheven; - deze aangifte laattijdig was aangezien zij diende te gebeuren vóór 20 april 1995; - na genealogisch onderzoek, de wettelijke erfgenamen, de verweerders, werden opgespoord waarop de curator op 29 januari en 11 mei 1999 bijvoeglijke aangiften heeft gedaan alsmede op 3 juni 1999 een aanvraag tot teruggave heeft ingediend; - op 31 januari 2000 een bedrag van 9.733.706 frank aan successierechten en interest werd terugbetaald; - de verweerders onder meer aanspraak maken op de terugbetaling van de interest wegens de laattijdige betaling van de successierechten.
- De appelrechters oordelen dat aangezien de aangifte laattijdig werd ingediend, de curator tegenover de Staat aansprakelijk is voor de sedert 3 januari 1996 tot 21 november 1996 verschuldigde interest en de verweerders gerechtigd zijn hiervan de terugbetaling te vorderen van de eiser.
- Door aldus te oordelen verantwoorden zij hun beslissing niet naar recht. Het onderdeel is gegrond. Overige grieven
- De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het uitspraak doet over de van 3 januari 1996 tot 21 november 1996 verschuldigde interest. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Gent. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Eric Dirix, Eric Stassijns, Alain Smetryns en Geert Jocqué, en in openbare rechtszitting van 12 november 2010 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101112.2 Gerelateerde publicatie(s) zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150217.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div