id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 12 november 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2
§ 3
, 7°, i., van de wet van 3 juli 1969 tot invoering van het Wetboek van de Belasting over de Toegevoegde Waarde (Btw-Wetboek, WBTW), artikel 18, zowel vóór als na zijn wijziging bij wet van 22 april 2003, artikel 21, zowel vóór als na zijn wijziging bij wet van 22 april 2003, doch vóór zijn wijziging bij wet van 5 december 2004; - de artikelen 1984, 1991 en 1998 van het Burgerlijk Wetboek. Aangevochten beslissingen Het bestreden arrest bevestigt het eindvonnis van de eerste rechter die de vordering van de verweerster gegrond heeft verklaard, het dwangbevel, ten laste van de verweerster uitgevaardigd door de rekenplichtige ontvanger van het eerste btw-ontvangkantoor te Antwerpen op 15 december 2003, onwettig heeft verklaard en de uitvoering ervan heeft verboden, waarbij de eiser werd veroordeeld tot teruggave van elke op dit dwangbevel ingehouden of rechtstreeks betaalde som, meer de moratoriumintresten. Het bestreden arrest oordeelt dat geen Belgische btw was verschuldigd op de verkoop door verweerster van de telefoonkaarten aan de Luxemburgse vennootschap in zoverre de dienst in Luxemburg moet worden gelokaliseerd. Het bestreden arrest schraagt deze beslissing op de volgende overwegingen: "2.
- Uit het debat is gebleken dat de litigieuze prepaid¬telefoonkaarten enkel konden dienen om mee te bellen. In casu is er derhalve duidelijk sprake van een telecommunicatiedienst (artikel 18, § 1, lid 2, 14° in fine, WBTW; btw-aanschrijving nr. 97/006 van 5 juni 1997, www.fisconet.fgov.be), waaromtrent partijen geen betwisting voeren (de (verweerster) gaat hiermee ook akkoord voor zover besloten wordt tot een ‘dienst' i.p.v. een levering, quod in casu, zie hoger). 2.
- (De verweerster) kan niet beschouwd worden als lasthebber van de eindgebruiker, vermits lastgeving een intuitu personae karakter heeft en men dus geen lasthebber kan zijn van een onbekende. (De verweerster) kan evenmin beschouwd worden als lasthebber van Proximus, vermits (de verweerster) facturen kreeg op eigen naam, deze betaalde (met Belgische btw) en dan in eigen naam doorfactureerde. (De verweerster) is dus wel degelijk in eigen naam opgetreden (de situatie zou anders zijn als Proximus rechtstreeks zou gefactureerd hebben aan de afnemer van (de verweerster), waarbij (de verweerster) namens Proximus optrad louter als tussenpersoon op commissie). (De verweerster) heeft daarentegen gehandeld als commissionair zoals bepaald in de artikelen 13, § 2, en 20, § 1, WBTW. Dit werd overigens uitdrukkelijk gesteld door de Administratieve Circulaire AOIF 41/2004 (E.T. 103.375) dd. 20 december 2004 onder randnr. 35: ‘In het nieuwe btw-stelsel dat van toepassing is vanaf 1 januari 2005 komen de groothandelaars, kleinhandelaars en andere tussenpersonen betrokken bij de verkoop van de voorafbetaalde telefoonkaarten tussen als ‘transparante' tussenpersonen en niet meer in de hoedanigheid van afnemer en verstrekker van telecommunicatiediensten of in de hoedanigheid van commissionair in de zin van de artikelen 13, §
20, § 1, van het Btw-wetboek'. Artikel 13, § 2, WBTW luidt als volgt: ‘Als commissionair wordt aangemerkt niet alleen hij die op eigen naam of onder firma voor rekening van een lastgever handelt, maar ook de tussenpersoon bij inkoop of de tussenpersoon bij verkoop, die in enigerlei hoedanigheid een op zijn naam gestelde factuur, debetnota of ander daarmee gelijkstaand stuk respectievelijk van de verkoper ontvangt of aan de koper uitreikt'. Artikel 20, § 1, WBTW luidt als volgt: ‘Onder voorbehoud van de toepassing van § 2 hierna (dit voorbehoud - voor reisbureaus en tussenpersonen in reizen - is in casu niet relevant) wordt een commissionair of een ander tussenpersoon als bedoeld in artikel 13, § 2, die tussenkomst verleent bij diensten, geacht die diensten zelf te hebben ontvangen en zelf te hebben verstrekt (...)' . Uit de voorgaande bepalingen blijkt dat (de verweerster) dient beschouwd te worden als ontvanger van de diensten van Proximus en van verstrekker van de diensten aan haar afnemer. 2.6. Artikel 21, § 3, 7°, WBTW (overeenkomstig artikel 9, lid 2,
- e)Zesde Richtlijn) voorziet in een specifiek lokalisatiecriterium wat betreft de telecommunicatiediensten. Met name dient als plaats van de dienst te worden aangemerkt: ‘7° de plaats waar de ontvanger van de dienst de zetel van zijn economische activiteit of een vaste inrichting heeft gevestigd waarvoor de dienst is verricht of bij gebreke, zijn woonplaats of zijn gebruikelijke verblijfplaats, wanneer de dienst wordt verleend aan een ontvanger die buiten de Gemeenschap is gevestigd of aan een belastingplichtige die in de Gemeenschap doch buiten het land van de dienstverrichter is gevestigd en handelt voor de doeleinden van zijn economische activiteit, en voor zover de dienst tot voorwerp heeft: ‘(...) ‘
- i)telecommunicatiediensten; (...)' 2.7. (De verweerster) verrichte een telecommunicatiedienst waarbij de ontvanger van de dienst in Luxemburg is gevestigd. De plaats van de telecommunicatiedienst is de plaats waar de ontvanger van de dienst de zetel van zijn economische activiteit of een vaste inrichting heeft gevestigd. Dit is slechts zo op voorwaarde [dat] de ontvanger van de dienst in de Gemeenschap is gevestigd, doch buiten het land waar de dienstverrichter is gevestigd en de ontvanger van de dienst handelt voor doeleinden van zijn economische activiteit. Het wordt niet betwist dat de SA Tele Audio Gruppe handelde voor haar economische activiteit. Evenmin wordt betwist dat zij buiten het land van de dienstverrichter (de verweerster) is gevestigd doch binnen de Gemeenschap. Bij toepassing van artikel 21, § 3, 7°, WBTW moet de dienst bijgevolg in Luxemburg worden gelokaliseerd. Zodoende diende (de verweerster) geen Belgische btw aan te rekenen". (arrest, p. 9-12, 2.4 - 2.8). Grieven 1. Luidens artikel 18, § 1, tweede lid, 3°, WBTW, wordt voor de toepassing van de btw-reglementering onder meer als een dienst beschouwd de uitvoering van een contract dat tot voorwerp heeft de lastgeving. Lastgeving is een handeling waarbij een persoon aan een ander de macht geeft om iets voor de lastgever en in zijn naam te doen (artikel 1984 BW). De lasthebber is gehouden de lastgeving te volbrengen, zolang hij daarvan niet is ontheven (artikel 1991 BW), de lastgever is gehouden de verbintenissen na te komen, die de lasthebber overeenkomstig de hem verleende macht heeft aangegaan (artikel 1998 BW) 2. Luidens artikel 13, § 2, WBTW wordt als commissionair aangemerkt, niet alleen hij die op eigen naam of onder firma voor rekening van een lastgever handelt, maar ook de tussenpersoon bij inkoop of de tussenpersoon bij verkoop, die in enigerlei hoedanigheid een op zijn naam gestelde factuur, debetnota of ander daarmee gelijkstaand stuk respectievelijk van de verkoper ontvangt of aan de koper uitreikt. 3. De tussenkomst van de verweerster bij de verkoop van zogenaamde prepaid, herlaadbare (Pay&Go) telefoonkaarten bestaat erin dat zij in opdracht van de provider (Proximus) telefoonkaarten met een welbepaald belkrediet aan de man brengt. De uiteindelijke begunstigde van die telefoonkaarten is de koper, met Proximus-telefoonnummer, die als eindgebruiker optreedt en gebruik maakt van de telecommunicatiedienst door middel van het hem verstrekte belkrediet. Door de tussenkomst van de verweerster verbindt de provider, Proximus, zich aldus jegens de eindgebruiker om een telecommunicatiedienst te leveren. Waar de koper van de telefoonkaarten aldus de enige contractant is van de provider, Proximus, maakt de tussenkomst van de verweerster bij de verkoop van die telefoonkaarten een dienst van lastgeving uit, zoals bedoeld in artikel 18, § 1, tweede lid, 3°, WBTW., en komt de verweerster bijgevolg niet de hoedanigheid toe van commissionair in de zin van artikel 13, § 2, WBTW. Op grond van artikel 20, § 1, WBTW, luidend dat een commissionair of een andere tussenpersoon als bedoeld in artikel 13, § 2, die tussenkomst verleent bij diensten, geacht wordt die diensten zelf te hebben ontvangen en zelf te hebben verstrekt, kan verweerster bijgevolg niet worden beschouwd als verstrekker en ontvanger van de diensten van Proximus. 4. Krachtens artikel 21, § 1, WBTW, vindt een dienst plaats in België als de overeenkomstig de §§ 2 tot 4 aangemerkte plaats zich in België bevindt. Als algemene regel stelt artikel 21, § 2, dat als plaats van een dienst moet worden aangemerkt de plaats waar de dienstverrichter de zetel van zijn economische activiteit of een vaste inrichting heeft gevestigd van waaruit hij de dienst verricht of bij gebrek aan een dergelijke zetel of vaste inrichting, zijn woonplaats of zijn gebruikelijke verblijfplaats. 5. In afwijking op deze regel voorziet artikel 21, § 3, 7°, i., WBTW, in een specifiek lokalisatiecriterium wat betreft de telecommunicatiediensten, waarbij als plaats van de dienst wordt aangemerkt: "de plaats waar de ontvanger van de dienst de zetel van zijn economische activiteit of een vaste inrichting heeft gevestigd waarvoor de dienst is verricht, of bij gebreke, zijn woonplaats of zijn gebruikelijke verblijfplaats, wanneer de dienst wordt verleend aan een ontvanger die buiten de Gemeenschap is gevestigd of aan een belastingplichtige die in de Gemeenschap doch buiten het land van de dienstverrichter is gevestigd en handelt voor de doeleinden van zijn economische activiteit". Waar de Luxemburgse vennootschap de telefoonkaarten zelf doorverkoopt, "veelal met Luxemburgse btw' (vb. verkopen aan particulieren in Luxemburg)" (arrest, p.4, laatste alinea), kan deze vennootschap desbetreffend niet zelf beschouwd worden als de ontvanger van deze diensten. Op het ogenblik dat verweerster de telefoonkaarten verkoopt aan de Luxemburgse vennootschap is de uiteindelijke ontvanger/eindgebruiker/contractant van de dienst dus nog niet gekend. Voormelde afwijkingsbepaling voor telecommunicatiediensten kan derhalve geen toepassing vinden aangezien bij de verkoop van de telefoonkaarten door verweerster aan de Luxemburgse vennootschap de plaats waar de ontvanger/eindgebruiker/contractant de zetel van zijn economische activiteit, of bij gebreke, zijn woonplaats of zijn gebruikelijke verblijfplaats, heeft, niet kan worden gelokaliseerd en niet kan worden uitgesloten dat de ontvanger/eindgebruiker/contractant binnen het land van de dienstverrichter is gevestigd. De algemene regel inzake plaatsbepaling van de levering van een dienst is derhalve van toepassing zodat de verkoop van de prepaid, herlaadbare (Pay&Go) telefoonkaarten plaats vindt in België, waar de dienstverrichter-provider (Proximus) de zetel van zijn economische activiteit of vaste inrichting heeft gevestigd van waaruit hij de telecommunicatiediensten verricht. 6. Hieruit volgt dat het bestreden arrest niet wettig heeft kunnen oordelen dat de verweerster voor de verkoop van de telefoonkaarten niet kan worden beschouwd als lasthebber van Proximus, maar de hoedanigheid heeft van commissionair in de zin van artikel 13, § 2, WBTW, die overeenkomstig artikel 20, § 1, WBTW. een telecommunicatiedienst verricht waarbij de ontvanger van de dienst in Luxemburg is gevestigd, met als gevolg dat de plaats van die dienst op grond van artikel 21, § 3, 7°, i., WBTW in Luxemburg moet worden gelokaliseerd zodat verweerster niet gehouden was om btw aan te rekenen (schending van de artikelen 13, § 2, 18, § 1, tweede lid, 3°, 20, § 1, 21, § 1, §
§ 3, 7°, i., WBTW, en de artikelen 1984, 1991 en 1998 BW).
7. Zelfs indien de verweerster als commissionair kan worden beschouwd in de zin van artikel 13, § 2, WBTW, ook dan kon het bestreden arrest niet wettig oordelen dat de plaats van de telecommunicatiedienst op grond van artikel 21, § 3, WBTW in Luxemburg moet worden gelokaliseerd. Waar de Luxemburgse vennootschap, zoals hoger gesteld, de telefoonkaarten doorverkoopt, is deze vennootschap niet zelf de ontvanger van deze diensten, maar is het de koper, met Proximus-telefoonnummer, die als eindgebruiker optreedt en gebruik maakt van de telecommunicatiedienst door middel van het hem verstrekte belkrediet, die als ontvanger in de zin van artikel 21, § 3, 7°, i., WBTW, moet worden beschouwd. Waar deze op het ogenblik dat de verweerster de telefoonkaarten verkoopt aan de Luxemburgse vennootschap nog niet is gekend en pas kan worden gelokaliseerd op het ogenblik van de activering van het belkrediet op de telefoonkaart heeft het bestreden arrest niet wettig met toepassing van artikel 21, § 3, 7°, I, WBTW, de plaats van de telecommunicatiedienst in Luxemburg gelokaliseerd (schending van de artikelen 18, § 1, tweede lid, 3°, 20, § 1, 21, § 1, §
§ 3, 7°, I, WBTW).
Tweede middel Geschonden wetsbepalingen - de artikelen 149 van de Grondwet; - artikel 89 van de wet van 3 juli 1969 tot invoering van het wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde (WBTW); - de artikelen 569, eerste lid, 32°, 1017, 1018, in het bijzonder 2°, 1385decies van het Gerechtelijk Wetboek; - de artikelen 1382, 1383 van het Burgerlijk Wetboek. Aangevochten beslissing Het bestreden arrest bevestigt het (eind)vonnis van de eerste rechter in zoverre het de eiser tot de kosten veroordeelde, in hoofde van de verweerster vereffend op (250,17 euro +189,28 euro =) 439,45 euro explootkosten verzet. Grieven
- De rechter is overeenkomstig artikel 149 van de Grondwet verplicht te antwoorden op alle regelmatig aangevoerde, relevante grieven, excepties en middelen van verweer.
- In zijn verzoekschrift tot hoger beroep (p.7, B.), alsook in zijn syntheseberoepsbesluiten (p.8, B.), had eiser, in ondergeschikte orde, aangevoerd dat, waar de normale wijze van rechtsingang inzake fiscale geschillen, geschiedt bij verzoekschrift op tegenspraak, de rechter in eerste aanleg had moeten vaststellen dat de kosten voor de dagvaarding daardoor ten laste waren van de verweerster en niet verhaald kunnen worden op de eiser: De uitdrukking ‘vordering in rechte', ingevoegd in het artikel 89 van het Btw-wetboek in de plaats van de uitdrukking ‘verzet tegen dwangbevel' (artikel 59 van de wet van 15 maart 1999 - BS 27 maart 1999 - 9889), dient te worden verstaan als zijnde de vordering in rechte ingesteld bij verzoekschrift op tegenspraak zoals geregeld door het artikel 1385decies van het Gerechtelijk wetboek. Is de normale wijze van rechtsingang tegen de belastingadministratie, voor belastingen, interesten en fiscale geldboeten waarvan de oorzaak van eisbaarheid zich heeft voorgedaan ten vroegste op 1 januari 1999, dus het verzoekschrift op tegenspraak, dan verzette verzoeker zich niet tegen het feit dat de administratie gedagvaard werd. De rechter in eerste aanleg diende vast te stellen dat de kosten voor de dagvaarding daardoor ten laste waren van gedaagde en niet verhaald kunnen worden op verzoeker.
- Het bestreden arrest antwoordt niet op voormeld regelmatig in beroepsbesluiten voorgedragen verweer.
- Hieruit volgt dat het bestreden arrest zijn beslissing niet regelmatig met redenen heeft omkleed waar het de beslissing van de eerste rechter zonder meer bevestigde op het vlak van de veroordeling van de eiser tot de kosten, vereffent aan de zijde van de verweerster in eerste aanleg, zonder hierbij te antwoorden op voormelde beroepsbesluiten van de eiser (schending van artikel 149 GW).
- Wanneer een rechtspleging wordt ingeleid bij dagvaarding, ofschoon dit bij verzoekschrift op tegenspraak moet geschieden, zoals het geval is bij geschillen betreffende de toepassing van een belastingwet (de artikelen 569, eerste lid, 32°, en 1385decies Ger. W.), kunnen de kosten van deze dagvaarding niet op grond van artikel 1017 Ger. W. ten laste worden gelegd van de in het ongelijk gestelde, gedaagde partij, in zoverre die kosten werden veroorzaakt door de schuld van de dagende partij. Het inleiden bij dagvaarding van een geschil betreffende de toepassing van een belastingwet is in dat geval als foutief procesgedrag te beschouwen (de artikelen 1382 en 1383 BW).
- Hieruit volgt dat het bestreden arrest, door bevestiging van de beslissing van de eerste rechter, eiser niet wettig heeft kunnen veroordelen tot het betalen van de dagvaardingskosten (explootkosten verzet) van verweerster in voorliggend fiscaal geschil (schending van de artikelen 569, eerste lid, 32°, 1017, 1018, in het bijzonder 2°, 1385decies Ger. W., en de artikelen 1382 en 1383 BW). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Krachtens artikel 13, § 2, Btw-wetboek worden als commissionair aangemerkt niet alleen hij die op eigen naam of onder firma voor rekening van een lastgever handelt, maar ook de tussenpersoon bij inkoop of de tussenperoon bij verkoop, die in enigerlei hoedanigheid een op zijn naam gestelde factuur, debetnota of ander daarmee gelijkstaand stuk respectievelijk van de verkoper ontvangt of aan de koper uitreikt. Krachtens artikel 20, § 1, Btw-wetboek wordt, onder voorbehoud van het ten deze niet toepasselijke § 2, een commissionair of een ander tussenpersoon bedoeld bij voormeld artikel 13, § 2, van hetzelfde wetboek, die tussenkomst verleent bij diensten, geacht die diensten zelf te hebben ontvangen en zelf te hebben verstrekt. Krachtens het toepasselijke artikel 21, § 3, 7°, Btw-wetboek wordt ten aanzien van telecommunicatiediensten als plaats van zijn dienst aangemerkt de plaats waar de ontvanger van de dienst de zetel van zijn economische activiteit of vaste inrichting heeft gevestigd waarvoor de dienst verricht is of, bij gebreke, zijn woonplaats of zijn gebruikelijke verblijfplaats, wanneer de dienst wordt verleend aan een ontvanger die buiten de Gemeenschap is gevestigd of aan een belastingplichtige die in de Gemeenschap doch buiten het land van de dienstverrichter is gevestigd en handelt voor de doeleinden van zijn economische activiteit.
- De appelrechters stellen vast dat de activiteiten van de verweerster onder meer bestonden in de aan- en verkoop van Proximus-producten, met name prepaidkaarten of "Pay&Go-kaarten", die de verweerster in eigen naam kocht van Proximus en in eigen naam verkocht aan de Luxemburgse vennootschap sa Tele Audio Gruppe. Zij oordelen dat de verweerster niet kan beschouwd worden als lasthebber van de eindgebruiker aangezien die onbekend is, noch van Proximus daar zij "facturen kreeg op eigen naam, deze betaalde (met Belgische btw) en dan in eigen naam doorfactureerde".
- Op grond van deze vaststellingen hebben de appelrechters wettig kunnen beslissen dat de verweerster niet heeft gehandeld als lasthebber maar wel als commissionair zoals bedoeld in de artikelen 13, § 2, en 20, § 1, Btw-wetboek. Het middel kan in zoverre niet worden aangenomen.
- Anders dan waarvan het middel uitgaat, staat het feit dat de eindgebruiker van de "Pay&Go-kaarten" onbekend was op het ogenblik van de verkoop van de kaarten door de verweerster aan de SA Tele Audio Gruppe niet eraan in de weg dat deze laatste dient beschouwd te worden als ontvanger van diensten zoals bedoeld in artikel 21, § 3, 7°, i, Btw-wetboek.
- De appelrechters stellen vast dat de SA Tele Audio Gruppe gevestigd is in Luxemburg en heeft gehandeld voor haar economische activiteit. Zij hebben aldus wettig kunnen oordelen dat de dienst die de verweerster heeft verleend, in Luxemburg moet worden gelokaliseerd. Het middel kan in zoverre niet worden aangenomen. Tweede middel
- De eiser heeft voor het hof van beroep het verweer gevoerd dat in het middel is weergegeven.
- Het arrest beantwoordt dit verweer niet. Het middel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het uitspraak doet over de kosten van de dagvaarding op verzet. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Brussel. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Eric Dirix, Eric Stassijns, Alain Smetryns en Geert Jocqué, en in openbare rechtszitting van 12 november 2010 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101112.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div