id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 16 november 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2
Art. 26
, § 2, derde lid Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Gerechtelijk onderzoek - Procedure - Algemeen STRAFRECHT - UITLEVERING PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Algemeen (Grondwettelijk Hof) PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) STRAFRECHT - AANHOUDINGSBEVEL - EUROPEES Vrije woorden: Prejudicieel geschil - Verplichting tot het stellen van een prejudiciële vraag - Uitzondering - Artikel 26, §2, derde lid, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof - Afwezigheid van een klaarblijkelijke schending van de Grondwet - Beoordeling Wettelijke bepalingen:
Art. 26
, § 2, derde lid Fiche 7 De rechtspleging strekkende tot de uitvoerbaarverklaring van een bevel tot aanhouding met het oog op uitlevering is een procedure die spoedeisend is en een voorlopig karakter heeft in de zin van artikel 26, § 3, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof, zodat een rechtscollege er niet toe gehouden is een prejudiciële vraag te stellen betreffende de bestaanbaarheid van bepalingen van de Uitleveringswet 1874 met de Grondwet. Thesaurus CAS: UITLEVERING UTU-thesaurus: STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Gerechtelijk onderzoek - Procedure - Algemeen STRAFRECHT - UITLEVERING PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Algemeen (Grondwettelijk Hof) PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) STRAFRECHT - AANHOUDINGSBEVEL - EUROPEES Vrije woorden: Bevel tot aanhouding met het oog op uitlevering - Uitvoerbaarverklaring - Rechtspleging - Aard - Gevolg Wettelijke bepalingen:
Art. 26
, § 3 Fiche 8 De rechtspleging strekkende tot de uitvoerbaarverklaring van een bevel tot aanhouding met het oog op uitlevering is een procedure die spoedeisend is en een voorlopig karakter heeft in de zin van artikel 26, § 3, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof, zodat een rechtscollege er niet toe gehouden is een prejudiciële vraag te stellen betreffende de bestaanbaarheid van bepalingen van de Uitleveringswet 1874 met de Grondwet. Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL UTU-thesaurus: STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Gerechtelijk onderzoek - Procedure - Algemeen STRAFRECHT - UITLEVERING PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Algemeen (Grondwettelijk Hof) PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) STRAFRECHT - AANHOUDINGSBEVEL - EUROPEES Vrije woorden: Grondwettelijk Hof - Uitlevering - Bevel tot aanhouding met het oog op uitlevering - Uitvoerbaarverklaring - Rechtspleging - Aard - Gevolg Wettelijke bepalingen:
Art. 26
, § 3 Fiche 9 De rechtspleging strekkende tot de uitvoerbaarverklaring van een bevel tot aanhouding met het oog op uitlevering is een procedure die spoedeisend is en een voorlopig karakter heeft in de zin van artikel 26, § 3, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof, zodat een rechtscollege er niet toe gehouden is een prejudiciële vraag te stellen betreffende de bestaanbaarheid van bepalingen van de Uitleveringswet 1874 met de Grondwet. Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Gerechtelijk onderzoek - Procedure - Algemeen STRAFRECHT - UITLEVERING PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Algemeen (Grondwettelijk Hof) PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) STRAFRECHT - AANHOUDINGSBEVEL - EUROPEES Vrije woorden: Prejudicieel geschil - Uitlevering - Bevel tot aanhouding met het oog op uitlevering - Uitvoerbaarverklaring - Rechtspleging - Aard - Gevolg Wettelijke bepalingen:
Art. 26
, § 3 Fiches 10 - 11 Volgens artikel 1, § 2, Uitleveringswet 1874 en artikel 2.1 van het Europees verdrag betreffende uitlevering van 13 december 1957 dienen de feiten die tot uitlevering aanleiding kunnen geven zowel krachtens het Belgisch recht als krachtens de wetgeving van de verzoekende staat strafbaar te zijn; het onderzoeksgerecht moet dus zonder de schuld te onderzoeken, nagaan of de feiten ongeacht hun kwalificatie, in beide wetgevingen onder de strafwet vallen
(1).
(1)Cass., 11 april 2000, AR P.00.0407.N ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000411.9, A.C., 2000, nr.
- Thesaurus CAS: UITLEVERING UTU-thesaurus: STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Gerechtelijk onderzoek - Procedure - Algemeen STRAFRECHT - UITLEVERING PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Algemeen (Grondwettelijk Hof) PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) STRAFRECHT - AANHOUDINGSBEVEL - EUROPEES Vrije woorden: Dubbele strafbaarstelling - Beoordeling door de rechter van de aangezochte Staat Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Gerechtelijk onderzoek - Procedure - Algemeen STRAFRECHT - UITLEVERING PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Algemeen (Grondwettelijk Hof) PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) STRAFRECHT - AANHOUDINGSBEVEL - EUROPEES Vrije woorden: Uitlevering - Dubbele strafbaarstelling - Beoordeling door de rechter van de aangezochte Staat Tekst van de beslissing Nr. P.10.1673.N A. B. V. aangehouden met het oog op uitlevering, eiser, met als raadsman mr. Tom Decaigny, advocaat bij de balie te Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 18 oktober
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 7 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering en de artikelen 1, 2, 3, 5, 5bis en 10 Uitleveringswet 1874: het bestreden arrest miskent het begrip vreemdeling door er een te restrictieve interpretatie aan te geven; zij die vast verblijf houden in België, zijn geen vreemdelingen in de zin van de Uitleveringswet
- Volgens artikel 1, § 1, eerste lid, Uitleveringswet 1874 kan de regering ter uitvoering van verdragen die met vreemde Staten gesloten zijn op grondslag van wederkerigheid, de uitlevering toestaan van vreemdelingen die door buitenlandse rechterlijke autoriteiten worden vervolgd als dader, mededader of medeplichtige wegens overtreding van de strafwet. Vreemdeling in de zin van deze bepaling zijn al diegenen die niet de Belgische nationaliteit bezitten. De omstandigheid dat artikel 7, § 1, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering en de artikelen 6, 4°, en 8 Wet Europees Aanhoudingsbevel voor de toepassing van die bepalingen de niet-Belgen die hun hoofdverblijf hebben in het Rijk respectievelijk de niet-Belgen die in België verblijven met de Belgen gelijk stelt, laat niet toe het begrip vreemdeling in de zin van artikel 1, § 1, eerste lid, Uitleveringswet 1874 te beperken tot de buiten België verblijvende vreemdelingen. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 26, § 2, derde lid, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof: het bestreden arrest beperkt zich niet tot een prima facie onderzoek van de voorgestelde prejudiciële vraag, maar onderzoekt de vraag grondig en uitvoerig, op verschillende niveaus; het bestreden arrest eigent zich zo rechtsmacht toe die is voorbehouden aan het Grondwettelijk Hof.
- Indien voor een rechtscollege een prejudiciële vraag in de zin van artikel 26, § 1, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof wordt opgeworpen, moet dit rechtscollege overeenkomstig artikel 26, § 2, eerste lid, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof deze prejudiciële vraag stellen. Bij toepassing van artikel 26, § 2, derde lid, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof is een rechtscollege waarvan de beslissing vatbaar is voor een voorziening in cassatie, evenwel niet ertoe gehouden de prejudiciële vraag te stellen wanneer de wet, het decreet of de in artikel 134 Grondwet bedoelde regel een regel of een artikel van de Grondwet bedoeld in § 1 van dit artikel klaarblijkelijk niet schendt. De beoordeling van de afwezigheid van een klaarblijkelijke schending vereist noodzakelijk een prima facie onderzoek van de beweerde schending.
- De eiser heeft voor de appelrechters opgeworpen dat zij het Grondwettelijk Hof de volgende prejudiciële vraag dienden te stellen: "Schenden de artikelen 1, 2, 3, 5, 5bis en 10 Uitleveringswet 1874 de artikelen 10 en 11 Grondwet in de interpretatie dat het begrip vreemdeling niet-Belgen met hoofdverblijf in België uitsluit, aangezien de niet-Belgen met hoofdverblijf in België, zoals personen met de Belgische nationaliteit, specifiek beschermd worden door de artikelen 6, 4°, en 8 Wet Europees Aanhoudingsbevel?"
- Het bestreden arrest beslist met de redenen die het vermeldt (ro 3.2.3.1.-3.2.3.4), deze prejudiciële vraag niet te stellen. Op deze gronden vermocht het bestreden arrest, zonder zich enige bevoegdheid van het Grondwettelijk Hof toe te eigenen, te oordelen dat de vermelde bepalingen klaarblijkelijk de ingeroepen grondwetsbepalingen niet schenden en is de beslissing de voorgestelde prejudiciële vraag niet te stellen naar recht verantwoord. Het middel kan niet worden aangenomen.
- De eiser verzoekt het Hof de aan de appelrechters voorgestelde prejudiciële vraag zelf te stellen.
- Volgens artikel 26, § 3, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof is een rechtscollege niet ertoe gehouden een prejudiciële vraag te stellen in het geval de vordering spoedeisend is en de uitspraak over de vordering slechts een voorlopig karakter heeft, behalve wanneer er ernstige twijfel bestaat over de verenigbaarheid van een wet, een decreet of een in artikel 134 Grondwet bedoelde regel met een van de in artikel 26, § 1, bedoelde regels of artikelen van de Grondwet en geen vraag of beroep met hetzelfde onderwerp bij het Grondwettelijk Hof aanhangig is.
- De rechtspleging strekkende tot de uitvoerbaarverklaring van een bevel tot aanhouding met het oog op uitlevering is een procedure die spoedeisend is en een voorlopig karakter heeft in de zin van artikel 26, § 3, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof. De prejudiciële vraag wordt niet gesteld. Derde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 375 Strafwetboek, de artikelen 1, § 2, en 3 Uitleveringswet 1874 en artikel 2 van het Europees verdrag betreffende uitlevering van 13 december 1957: het bestreden arrest beantwoordt eisers verweer met betrekking tot de afwezigheid van het constitutieve bestanddeel van het gebrek aan toestemming bij het misdrijf verkrachting niet; een loutere verwijzing naar mogelijke dwang laat niet toe te besluiten dat het constitutieve bestanddeel gebrek aan toestemming concreet aanwezig is.
- Volgens artikel 1, § 2, Uitleveringswet 1874 en artikel 2.1 van het Europees verdrag betreffende uitlevering van 13 december 1957 dienen de feiten die tot uitlevering aanleiding kunnen geven zowel krachtens het Belgisch recht als krachtens de wetgeving van de verzoekende staat strafbaar te zijn. Het onderzoeksgerecht moet dus zonder de schuld van de eiser te onderzoeken, nagaan of de feiten ongeacht hun kwalificatie, in beide wetgevingen onder de strafwet vallen.
- Met de redenen die het vermeldt (ro 3.4.1-3.4.5), oordeelt het bestreden arrest dat aan het vereiste van de dubbele strafbaarstelling is voldaan. Het bestreden arrest vermocht bij dit onderzoek uit het mogelijk gebruik van dwang door een persoon die gezag over het slachtoffer heeft, een afwezigheid van toestemming in hoofde van het slachtoffer af te leiden. Het middel kan niet worden aangenomen. Vierde middel Het middel voert schending aan van de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek: het bestreden arrest (ro 3.4.4) miskent de bewijskracht van het bevel tot aanhouding door uit de vermelding dat het slachtoffer bepaalde handelingen weigerde, af te leiden dat hij werd blootgesteld aan een zekere dwang waaraan hij nu eens wel en op andere ogenblikken dan weer niet heeft kunnen weerstaan.
- Met de bekritiseerde reden verwijst het bestreden arrest niet naar het bevel tot aanhouding, maar naar het uitleveringsverzoek. Het kan bijgevolg de bewijskracht van het bevel tot aanhouding niet miskennen. Het middel mist feitelijke grondslag. Ambtshalve beslissing op de strafvordering
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. Bepaalt de kosten op 82,20 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Luc Van hoogenbemt, Koen Mestdagh, Geert Jocqué en Filip Van Volsem, en op de openbare rechtszitting van 16 november 2010 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky. PDF document ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101116.4 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190515.4 ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210324.2F.4 precedenten: ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000411.9 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040622.22 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div