← België

ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101123.4

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 23 november 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101123.4 Rolnummer: P.10.1371.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2010-11-30 Raadplegingen: 710 - laatst gezien 2026-07-02 05:34 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 De omvang van de bescherming door het specialiteitsbeginsel wordt bepaald door de in het Europees aanhoudingsbevel vermelde feiten; een overleveringsverzoek is gebaseerd op die informatie die bekend was ingevolge de stand van het onderzoek op het ogenblik van het verzoek en de uitvaardiging van het Europees aanhoudingsbevel, maar de gegevens die later in het onderzoek worden verzameld, kunnen een precisering van de strafbare feiten die de uitvaardiging van het Europees aanhoudingsbevel aanvankelijk hebben gerechtvaardigd, tot gevolg hebben, in zoverre zij betrekking hebben op de in het Europees aanhoudingsbevel vermelde feiten. Thesaurus CAS: EUROPEES AANHOUDINGSBEVEL Vrije woorden: Specialiteitsbeginsel - Omvang Wettelijke bepalingen: Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 37, § 1 - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Vrije woorden: Specialiteitsbeginsel - In het aanhoudingsbevel vermelde strafbare feiten - Strafbare feiten gekend op het ogenblik van de uitvaardiging van het aanhoudingsbevel - Gegevens uit het verder onderzoek - Precisering van de strafbare feiten - Voorwaarde Wettelijke bepalingen: Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 37, § 1 - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Fiches 3 - 4 De schriftelijke vordering tot verbeurdverklaring, bedoeld in artikel 43bis, eerste lid, Strafwetboek, dient enkel voorafgaand aan het vonnis of arrest aan de rechtspleging te zijn toegevoegd, zodanig dat de beklaagde ervan kennis kan nemen en zich ertegen kan verdedigen; een mondelinge vordering waarvan de inhoud regelmatig wordt vastgesteld in het proces-verbaal van de rechtszitting, kan voldoende zijn opdat een beklaagde zijn recht van verdediging zou kunnen uitvoeren

(1).
(1)Zie Cass., 16 dec. 2008, AR P.08.1268.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081216.4, A.C., 2008, nr.
  1. Thesaurus CAS: STRAF - ANDERE STRAFFEN Vrije woorden: Verbeurdverklaring - Bijzondere verbeurdverklaring - Vermogensvoordelen - Artikelen 42, 3°, en 43bis, eerste lid, Strafwetboek - Schriftelijke vordering van het openbaar ministerie - Voeging aan de rechtspleging - Tijdstip Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Artt. 42, 3°, en 43, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Vrije woorden: Verbeurdverklaring - Bijzondere verbeurdverklaring - Vermogensvoordelen - Artikelen 42, 3°, en 43bis, eerste lid, Strafwetboek - Vereiste van schriftelijke vordering van het openbaar ministerie - Mondelinge vordering geakteerd in het proces-verbaal van de rechtszitting - Ontvankelijkheid Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Artt. 42, 3°, en 43, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Annotaties Publicaties: Nullum Crimen [N.C.] - VAN DOOREN, Eric; Noot 'Schriftelijke of mondelinge ontnemingsvordering?' - 2012, nr. 3, p. 220-
  2. Tekst van de beslissing Nr. P.10.1371.N I G. B., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Liliane Verjauw, advocaat bij de balie te Antwerpen. II F. J. S., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Bert Partoens, advocaat bij de balie te Tongeren. III R. K., beklaagde, eiser. IV
  3. T. N., beklaagde, met als raadsman mr. Luk Delbrouck, advocaat bij de balie te Hasselt,
  4. C. T., beklaagde, met als raadsman mr. Luk Delbrouck, advocaat bij de balie te Hasselt, eisers. V L. F. G., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Pol Vandemeulebroucke, advocaat bij de balie te Antwerpen. VI M'H. A., beklaagde, eiser. VII R. B., beklaagde, eiser. VIII F. P., beklaagde, eiser. IX
  5. R. W. W., beklaagde, vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie,
  6. AMCO bv, vennootschap naar Nederlands recht, met zetel te NL-1427 AT Amstelhoek (Nederland), Eerste Bedijking 1, beklaagde,
  7. M. P. R., beklaagde, vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie,
  8. G. A. V., beklaagde, eisers. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 17 juni
  9. De eiser I G. B. voert in een memorie een middel aan. De eiser II F. S. voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. De eiser IV.1 T. N. en de eiser IV.2 C. T. voeren elk in een gelijkluidende memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. De eiser V L. G. voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. De eiser IX.1 R. W. voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. De eiseres IX.3 M. R. voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. De overige eisers voeren geen middelen aan. Raadsheer Luc Van hoogenbemt heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen
  10. De eiser VII R. B. is voor de hem ten laste gelegde feiten H.I.a, H.I.b en H.I.c voor een bedrag van 25.000 euro (zaak B.III) vrijgesproken.
  11. De eiser VIII F. P. is voor de hem ten laste gelegde feiten A.III en B.XII.a (zaak C) vrijgesproken.
  12. De strafvordering voor het feit van de telastlegging H.III (zaak B.III) lastens de eiser IX.1 R. W. is niet ontvankelijk verklaard.
  13. De eiseres IX.4 G. V. is voor de haar ten laste gelegde feiten A.V, B.XVI, C.V.a.1, C.V.b en C.VII (zaak C) vrijgesproken. Tevens wordt haar geen beroepsverbod opgelegd. Hun cassatieberoep tegen die beslissingen is bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Ontvankelijkheid van de memorie
  14. De memorie van de eiser I G. B. is ondertekend met een onleesbare handtekening en zonder vermelding van de hoedanigheid, "loco Mr. Liliane Verjauw". Deze memorie is niet ontvankelijk. Middel van de eiser II
  15. Het middel voert schending aan van artikel 6.3.d EVRM, evenals miskenning van het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces: in beroepsconclusie verzocht de eiser het hof van beroep over te gaan tot het horen van een door hem gedaagde getuige; de appelrechters die de eiser niet de gelegenheid hebben geboden de gedaagde getuige te horen, oordelen niet dat het horen van deze getuige niet noodzakelijk is voor het achterhalen van de waarheid en beantwoorden evenmin eisers verzoek.
  16. Artikel 6.3.d EVRM erkent in het bijzonder aan de beklaagde het recht om getuigen à charge te ondervragen of te doen ondervragen en het oproepen en de ondervraging à décharge te doen geschieden in dezelfde voorwaarden als het geval is met de getuigen à charge. Zo de beklaagde evenwel geen onbeperkt recht heeft getuigen voor het gerecht op te roepen, moet de rechter antwoorden op zijn verzoek een getuige te horen en te oordelen of dit verhoor noodzakelijk is voor het achterhalen van de waarheid.
  17. De eiser heeft in beroepsconclusies de appelrechters verzocht de door hem gedaagde getuige te horen. De appelrechters oordelen niet dat het gedane verzoek de getuige te horen niet noodzakelijk is voor het achterhalen van de waarheid en beantwoorden zijn verzoek niet. Aldus miskennen zij eisers recht van verdediging en zijn recht op een eerlijk proces. Het middel is gegrond. Middel van de eisers IV.1 en IV.2
  18. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: de appelrechters beantwoorden eisers' verweer, vervat in hun beroepsconclusie, niet.
  19. Het middel preciseert niet op welk verweer, exceptie of conclusie het arrest niet antwoordt. Het middel is wegens onnauwkeurigheid niet ontvankelijk. Middel van de eiser V Eerste onderdeel
  20. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: de appelrechters beantwoorden niet eisers in uiterst ondergeschikte orde gevoerde verweer dat zijn aandeel in de telastleggingen A van de zaken B.II en B.III maximaal beperkt kon worden tot daden van nuttige hulp, zodat een herkwalificatie in medeplichtigheid zich opdringt.
  21. De eerste rechter oordeelde dat eisers hulp onontbeerlijk was, op grond dat: - de eiser op quasi alle besprekingen aanwezig was; - hij gelijktijdig negen laptops aankocht die aan de meeste medebeklaagden ter beschikking werden gesteld; - met deze laptops gecodeerde mailberichten werden verstuurd; - de eiser de anderen het programma moest aanleren; - hij de medebeklaagde D. B. aanbracht voor administratieve handelingen. De appelrechters hernemen deze redenen. Aldus oordelen zij dat de eiser schuldig is aan de feiten van de telastlegging A van de zaken B.II en B.III als mededader wegens het verstrekken van noodzakelijke hulp en beantwoorden zij eisers verweer. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
  22. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: de redenen van het arrest zijn tegenstrijdig.
  23. Het is niet tegenstrijdig, enerzijds, te oordelen dat de eiser laptops aankocht en de medebeklaagden het programma aanleerde zodat de groepsleden ongestoord in codetaal met elkaar konden communiceren, en, anderzijds, dat het niet duidelijk is wat de precieze taak is geweest van de eiser bij de organisatie van het vervoer van de partij heroïne. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Middel van de eiser IX.1
  24. Het middel voert schending aan van de artikelen 2 en 37 Wet Europees Aanhoudingsbevel: de afwezigheid in het Europees aanhoudingsbevel van 9 maart 2007 van de wettelijk vereiste preciseringen in zake tijdstip, plaats of de mate waarin de eiser deelgenomen heeft aan de misdrijven, laten de appelrechters niet toe aan te nemen dat de aan de eiser ten laste gelegde feiten binnen de grenzen van de bevoegdheid vallen van de Belgische rechterlijke autoriteiten, die de specialiteit aan eisers berechting te zijner bescherming in België stelt.
  25. Artikel 37, § 1, Wet Europees Aanhoudingsbevel bepaalt: "Een persoon overgeleverd op grond van een Europees aanhoudingsbevel uitgevaardigd door een Belgische rechterlijke autoriteit kan niet worden vervolgd, veroordeeld of van zijn vrijheid worden benomen wegens een ander, voor zijn overlevering gepleegd strafbaar feit dan dat waarop de overlevering betrekking heeft." Het Europees aanhoudingsbevel dient krachtens artikel 2, § 4, 5°, van voornoemde wet de omschrijving te bevatten van de omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd, daaronder begrepen tijdstip en plaats, alsook van de mate waarin de gezochte persoon aan het misdrijf heeft deelgenomen.
  26. De omvang van de bescherming door het specialiteitsbeginsel wordt bepaald door de in het Europees aanhoudingsbevel vermelde feiten. Een overleveringsverzoek is gebaseerd op die informatie die bekend was ingevolge de stand van het onderzoek op het ogenblik van het verzoek en de uitvaardiging van het Europees aanhoudingsbevel. De gegevens die later in het onderzoek worden verzameld, kunnen een precisering van de strafbare feiten die de uitvaardiging van het Europees aanhoudingsbevel aanvankelijk hebben gerechtvaardigd, tot gevolg hebben in zoverre zij betrekking hebben op de in het Europees aanhoudingsbevel vermelde feiten. De rechter stelt onaantastbaar vast of de feiten waarvoor een beklaagde wordt vervolgd, de feiten zijn waarvoor de overlevering werd toegestaan. Het Hof toetst slechts of de feiten die de rechter onaantastbaar vaststelt, zijn juridische gevolgtrekking kunnen verantwoorden.
  27. De appelrechters oordelen met eigen redenen en met overname van de redenen van de eerste rechter dat " overlevering geschiedde voor de illegale handel in hasj ingevolge het aantreffen van meerdere containers waarin een grote hoeveelheid hasj zat verborgen met impliciete verwijzing naar voorbereidende handelingen die zich noodzakelijk uitstrekken in de tijd zoals gebleken uit het voorafgaand onderzoek en telefoontaps waarnaar contacten zijn gebleken tussen M.r en [de eiser] en waarnaar uitdrukkelijk werd verwezen in dit [Europees aanhoudingsbevel]". Aldus trekken de appelrechters met hun oordeel dat de incriminatieperiode voor de telastleggingen A en C van de zaak B.III niet dient beperkt te worden tot 26 februari 2007, uit de door hen gedane vastgestelde feiten geen gevolgen die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord. Het middel kan niet worden aangenomen. Middel van de eiseres IX.3
  28. Het middel voert schending aan van de artikelen 42 en 43bis Strafwetboek: de opgelegde verbeurdverklaring werd niet schriftelijk, maar enkel mondeling gevorderd.
  29. Artikel 43bis, eerste lid, Strafwetboek bepaalt: "Bijzondere verbeurdverklaring toepasselijk op de zaken bedoeld in artikel 42, 3°, kan door de rechter in elk geval worden uitgesproken, maar slechts voorzover zij door de procureur des Konings schriftelijk wordt gevorderd." De schriftelijke vordering tot verbeurdverklaring dient enkel voorafgaand aan het vonnis of arrest aan de rechtspleging te zijn toegevoegd, zodanig dat de beklaagde ervan kennis kan nemen en zich ertegen kan verdedigen. Een mondelinge vordering waarvan de inhoud regelmatig wordt vastgesteld in het proces-verbaal van de rechtszitting, kan voldoende zijn opdat een beklaagde zijn recht van verdediging zou kunnen uitvoeren.
  30. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat het openbaar ministerie op de rechtszitting van het hof van beroep van Antwerpen van 20 mei 2010 in aanwezigheid van de eiser en zijn raadsman de verbeurdverklaring van het onroerend goed in Frankrijk heeft gevorderd "op basis van artikel 42.3° van het Strafwetboek", vordering die geakteerd werd in het proces-verbaal van voormelde rechtszitting (kaft 46/46, onderkaft 2010/co/246, stuk 46) en de eiser geen uitstel heeft gevraagd om op deze vordering te antwoorden. Aldus konden de appelrechters wettig beslissen het onroerend goed verbeurd te verklaren op grond van artikel 42, 3°, Strafwetboek. Het middel kan niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek van de overige beslissingen op de strafvordering
  31. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het de eiser II schuldig verklaart aan de hem ten laste gelegde feiten en hem veroordeelt tot straf en tot betaling van een bijdrage aan het bijzonder fonds voor de hulp aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en tot de kosten. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige. Laat de kosten van het cassatieberoep van de eiser II ten laste van de Staat. Veroordeelt de overige eisers in de kosten van hun cassatieberoep. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Brussel. Bepaalt de kosten in het geheel op 936,41 euro, waarvan op het cassatieberoep van de eiser II 315,98 euro verschuldigd is, waarvan de eisers I, III en IV elk 77,56 euro verschuldigd zijn en de eisers V tot en met IX elk 77,55 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, en de raadsheren Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt en Filip Van Volsem, en op de openbare rechtszitting van 23 november 2010 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101123.4 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CAMON:2018:ARR.20180322.9 ECLI:BE:CASS:2013:CONC.20130911.3 ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230207.2N.1 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241105.2N.14 precedenten: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081216.4 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150609.1 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160405.1 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180912.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.