id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 26 november 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101126.5 Rolnummer: C.09.0584.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Intellectuele eigendom Invoerdatum: 2010-12-02 Raadplegingen: 714 - laatst gezien 2026-07-01 14:09 Versie(s): Vertaling FR Fiche De rechter vermag te oordelen dat het bewijs van een negatief feit niet met dezelfde striktheid behoeft te worden geleverd als het bewijs van een bevestigend feit, maar vermag niet de eisende partij van dit bewijs te ontslaan
(1); het volstaat derhalve niet dat een partij een door haar aangevoerd negatief feit louter aannemelijk maakt.
(1)Cass. , 16 dec. 2004, AR C.03.0407.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041216.19, A.C., 2004, nr.
- Thesaurus CAS: BEWIJS - BURGERLIJKE ZAKEN - Bewijslast. Beoordelingsvrijheid UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INTELLECTUELE RECHTEN - Domeinnaam Vrije woorden: Bewijs van een negatief feit - Beoordeling door de rechter Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 870 Tekst van de beslissing Nr. C.09.0584.N MAGIC MIRRORS, besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, met zetel te 2300 Turnhout, Gotenhoutlaan 9, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Ludovic De Gryse, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen SPIEGELTENTEN KLESSENS WILLY, besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, met zetel te 2310 Rijkevorsel, Bolksedijk 3, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest, op 27 mei 2009 gewezen door het hof van beroep te Antwerpen. Raadsheer Eric Dirix heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Het verzoekschrift is aan dit arrest gehecht. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
- Krachtens artikel 4, eerste lid, van de wet van 26 juni 2003 betreffende het wederrechtelijk registreren van domeinnamen, hierna: de Domeinnaamwet, stelt de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, of de voorzitter van de rechtbank van koophandel, het bestaan vast en beveelt de staking van elk wederrechtelijk registreren van een domeinnaam door een persoon met woonplaats of vestiging in België, en van elk wederrechtelijk registreren van een domeinnaam geregistreerd onder het ".be-domein". Krachtens artikel 4, tweede lid, Domeinnaamwet wordt als het wederrechtelijk registreren van een domeinnaam beschouwd, het zonder enig recht of legitiem belang jegens die domeinnaam, en met het doel een derde te schaden of er een ongerechtvaardigd voordeel uit te halen, laten registreren door een officieel erkende instantie gemachtigd voor registratie, al dan niet via een tussenpersoon, van een domeinnaam, die ofwel identiek is aan, of die zodanig overeenstemt dat hij verwarring kan scheppen met, onder meer, een merk, een geografische aanduiding of een benaming van oorsprong, een handelsnaam, een origineel werk, een naam van een vennootschap of van een vereniging, een geslachtsnaam of de naam van een geografische entiteit, die aan iemand anders toebehoort.
- Krachtens artikel 870 van het Gerechtelijk Wetboek moet iedere partij het bewijs leveren van de feiten die zij aanvoert. De rechter vermag daarbij te oordelen dat het bewijs van een negatief feit niet met dezelfde striktheid behoeft te worden geleverd als het bewijs van een bevestigend feit, maar vermag niet de eisende partij van dit bewijs te ontslaan. Het volstaat derhalve niet dat een partij een door haar aangevoerd negatief feit louter aannemelijk maakt.
- Uit deze twee bepalingen volgt dat diegene die een vordering tot vaststelling en staking van een wederrechtelijk registreren van een domeinnaam instelt, het bewijs dient te leveren dat: - de houder van de registratie geen enkel recht op, noch legitiem belang bij die domeinnaam heeft; - de registratie geschiedde met het doel om derden te schaden of een ongerechtvaardigd voordeel uit te halen; - een domeinnaam werd geregistreerd die identiek is aan of verwarring schept met een beschermd teken, zoals deze opgesomd in artikel 4, tweede lid, Domeinnaamwet.
- De appelrechters overwegen dat "(de eiseres) ... die beweert dat aan de .... toepassingsvoorwaarde voldaan is, ... het bewijs (dient) te leveren dat (de verweerster) geen recht of legitiem belang had bij de registratie en dat de registratie geschied is met het doel om derden te schaden, of een ongerechtvaardigd voordeel uit de registratie te halen".
- De appelrechters, die vervolgens, na onderzoek van de door partijen overgelegde overtuigingsstukken, oordelen dat "al deze elementen samen in ogenschouw genomen, ... voldoende duidelijk (maken) dat de registratie niet te kwader trouw is gebeurd ... (en dat) niet (kan) gesteld worden dat (de verweerster) de registratie zonder enig recht of legitiem belang heeft doorgevoerd en evenmin dat het haar bedoeling was om (de eiseres) daarmee te schaden of er een ongerechtvaardigd voordeel uit te halen", verantwoordden hun beslissing naar recht. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
- Door de in het onderdeel weergegeven feitelijke gegevens te vermelden waarop zij hun beslissing laten steunen, verwerpen de appelrechters de daarmee strijdige en andere bij conclusie aangevoerde feitelijke gegevens en beantwoorden zij met opgave van redenen de voormelde appelconclusie van de eiseres waarin zij aanvoerde waarom uit de overeenkomst van 14 augustus 1997 geenszins een overdracht van eiseres' handelsnaam of merk kon afgeleid worden. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.
- De overeenkomst van 14 augustus 1997, waarop het Hof vermag acht te slaan, vermeldt: "...afgifte aan (de verweerster) (van het) recht op andere eventuele rechten en of licenties en octrooien".
- De appelrechters, die overwegen dat "in het kader van die... overeenkomst een verwijzing (werd) opgenomen naar een overdracht van al haar ‘eventuele rechten en of licenties of octrooien' aan de verweerster", leggen de bewoordingen van de bedoelde overeenkomst geenszins uit op een wijze die daar onverenigbaar mee is. Het onderdeel mist in zoverre feitelijke grondslag.
- In zoverre het onderdeel aanvoert dat het arrest uit de overeenkomst van 14 augustus 1997 afleidde dat de eiseres haar handelsnaam en merk Magic Mirrors aan de verweerster had afgestaan, mist het feitelijke grondslag, vermits het arrest dergelijk oordeel niet bevat.
- Door te oordelen dat het depot door de verweerster van het merk Nostalgie Magic lang voor de inwerkingtreding van de Domeinnaamwet geschiedde en nooit op verzet vanwege de eiseres is gestuit en mede daarop hun beslissing te steunen dat het voldoende duidelijk is dat de registratie niet te kwader trouw is geschied, verwerpen en beantwoorden de appelrechters het in het onderdeel aangehaalde verweer dat de afwezigheid van verzet tegen het depot irrelevant was. Het onderdeel mist in zoverre feitelijke grondslag
- De appelrechters, die oordelen dat de "eiseres ... ter terechtzitting ... niet ernstig tegen(sprak) dat de benaming ‘magic mirror(s)' in het Engels, en daarmee zowat in het ganse buitenland in de betrokken sector als een loutere soortnaam voor het woord ‘spiegeltent(en)' begrepen wordt", en vervolgens beslissen, mede op grond van dit element, dat het voldoende duidelijk is dat de registratie niet te kwader trouw is geschied, verwerpen en beantwoorden het in het onderdeel bedoelde verweer dat aanvoerde dat de handelwijze van de verweerster moet aangezien worden als een vorm van oneerlijke concurrentie onder meer omdat de registratie enkel werd ingevoerd om bezoekers af te leiden naar de website van de verweerster. Het onderdeel mist in zoverre feitelijke grondslag.
- In zoverre het onderdeel tevens de schending aanvoert van de artikelen 4 en 5 Domeinnaamwet, is het afgeleid uit de vergeefs aangevoerde schending van de overige in het onderdeel aangewezen wetsbepalingen. Het onderdeel is in zoverre niet ontvankelijk. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres in de kosten. Bepaalt de kosten op de som van 686,38 euro jegens de eisende partij en op de som van 107,42 jegens de verwerende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, en de raadsheren Eric Dirix, Eric Stassijns, Beatrijs Deconinck en Alain Smetryns, en in openbare rechtszitting van 26 november 2010 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem, met bijstand van griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101126.5 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190111.2 ECLI:BE:CTLIE:2024:ARR.20241218.1 ECLI:BE:CTLIE:2025:ARR.20250115.1 precedenten: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041216.19 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div