id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 26 november 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101126.6 Rolnummer: C.10.0006.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2010-12-02 Raadplegingen: 457 - laatst gezien 2026-07-01 14:09 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 De pandhouder wordt krachtens artikel 2279,eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek beschermd wanneer hij erop mocht vertrouwen dat de verpande goederen werden verschaft door de eigenaar of door iemand die bevoegd was om de goederen te verpanden
(1); de regel is ook van toepassing op de uitgever van de warrant
(2)en op de warranthouder; de pandhouder is niet te goeder trouw wanneer hij wist of behoorde te weten dat de pandgever niet tot verpanden bevoegd was; behoudens bijzondere omstandigheden rust op de pandhouder ter zake geen onderzoeksplicht.
(1)Zie Cass., 21 maart 2003, AR C.01.0134.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030321.10, A.C., 2003, nr. 190.
(2)Cass., 12 feb. 2004, AR C.01.0121.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040212.21, A.C., 2004, nr.
- Thesaurus CAS: PAND UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - ZEKERHEDEN - Zakelijke zekerheid - Warrant Vrije woorden: Pandhouder - Bezit - Bescherming - Voorwaarden - Warrant - Uitgever - Warranthouder - Toepasselijkheid - Bezit te goeder trouw - Voorwaarden - Verplichting Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Art. 2279, eerste lid Thesaurus CAS: BEZIT UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - ZEKERHEDEN - Zakelijke zekerheid - Warrant Vrije woorden: Pandhouder - Bezit - Bescherming - Voorwaarden - Warrant - Uitgever - Warranthouder - Toepasselijkheid - Bezit te goeder trouw - Voorwaarden - Verplichting Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Art. 2279, eerste lid Tekst van de beslissing Nr. C.10.0006.N PROXXON WERKZEUG GmbH., vennootschap naar Duits recht, met zetel te D-54518 Niersbach, (Duitsland) Im Spanischen 18-24, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Vilain XIIII-straat 17, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen
- FORTIS BANK, naamloze vennootschap, met zetel te 1000 Brussel, Warandeberg 3,
- KBC BANK, naamloze vennootschap, met zetel te 1080 Brussel, Havenlaan 2,
- DEXIA BANK BELGIË, naamloze vennootschap, met zetel te 1000 Brussel, Pachecolaan 44,
- BANK J. VAN BREDA & C°, naamloze vennootschap, met zetel te 2000 Antwerpen, Ledeganckkaai 7, verweersters, vertegenwoordigd door mr. Pierre Van Ommeslaghe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 106, waar de verweerster woonplaats kiest. 5.a. D.J., 5.b. P.L., 5.c. N.A., de partijen sub 5a, 5b en 5c als curator van het faillissement van bvba Present Handel, met kantoor te 2200 Herentals, Toekomstlaan 6, verweerders, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de verweersters woonplaats kiezen,
- WARRANT, naamloze vennootschap, met zetel te 1180 Ukkel, Winston Churchillaan 147, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Pierre Van Ommeslaghe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 106, waar de verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 10 september 2009 gewezen door het hof van beroep te Antwerpen. Raadsheer Eric Dirix heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Door te oordelen dat "de beweerde ongeloofwaardigheid van de aldus gecreëerde buitenbezitstelling (...) onbewezen (blijft)" en dat "niet is aangetoond dat de overeenkomsten niet volgens afspraak werden nageleefd", leggen de appelrechters de bewijslast nopens het bestaan van die buitenbezitstelling niet ten laste van de eiseres. Het middel kan in zoverre niet worden aangenomen.
- De appelrechters gronden hun beslissing niet op deze beweerde miskenning van de bewijslast, maar op grond van de feitelijke vaststellingen die zij vermelden onder r.o. 5 tot en met 13 van het arrest, zoals onder meer dat de ruimte waarin de verpande goederen waren opgeslagen een afzonderlijk magazijn vormde, gescheiden van de overige bedrijfsruimten van de bvba Present Handel die slechts toegankelijk waren via deuren die vergrendeld waren door middel van hangsloten, dat door middel van platen op de buitenmuren zichtbaar melding werd gemaakt dat er onder warrant geplaatste goederen werden opgeslagen en bvba Present Handel geen vrije toegang had tot het magazijn, zelfs indien de toegangsdeuren niet gesloten waren. Het middel dat berust op een onjuiste lezing van het arrest, mist feitelijke grondslag. Tweede middel
- De pandhouder wordt krachtens artikel 2279, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, beschermd wanneer hij erop mocht vertrouwen dat de verpande goederen werden verschaft door de eigenaar of door iemand die bevoegd was om de goederen te verpanden. De regel is ook van toepassing op de uitgever van de warrant en op de warranthouder. De pandhouder is niet te goeder trouw wanneer hij wist of behoorde te weten dat de pandgever niet tot verpanden bevoegd was. Behoudens bijzondere omstandigheden rust op de pandhouder ter zake geen onderzoeksplicht.
- Het arrest stelt vast dat: - de goederen door de bvba Present Handel onder warrant werden geplaatst bij de zesde verweerster ten voordele van de banken (eerste tot en met vierde verweersters); - de bvba Present Handel ten overstaan van de banken heeft verklaard de goederen vrij van eender welke lasten te hebben afgegeven aan de (zesde verweerster), met het oog op het in pand geven ervan; - er geen aanwijzingen waren dat de bvba Present Handel niet over de goederen mocht beschikken; - de zesde verweerster geen kijk had op de gestage stroom van betalingen door de bvba Present Handel aan de eiseres.
- De appelrechters die op grond van deze vaststellingen oordelen dat op de banken en op de zesde verweerster geen onderzoeksplicht rustte naar het mogelijk bestaan van een eigendomsvoorbehoud op de onder warrant geplaatste goederen, verantwoorden hun beslissing naar recht. Het middel kan niet worden aangenomen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres in de kosten. Bepaalt de kosten op de som van 1343,40 euro jegens de eisende partij, op de som van 182,69 euro jegens de verwerende partijen sub 1 tot en met 4 en sub 6, en op de som van 171,24 euro jegens de verwerende partijen sub 5a, 5b en 5c. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, en de raadsheren Eric Dirix, Eric Stassijns, Beatrijs Deconinck en Alain Smetryns, en in openbare rechtszitting van 26 november 2010 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem, met bijstand van griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101126.6 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030321.10 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040212.21 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div