id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 06 december 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101206.2 Rolnummer: S.10.0073.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2010-12-22 Raadplegingen: 971 - laatst gezien 2026-07-02 07:38 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 De gezagsrelatie op grond waarvan tot een arbeidsovereenkomst kan worden besloten en elke andere overeenkomst moet worden uitgesloten, dient te worden beoordeeld aan de hand van de criteria die thans zijn opgenomen in titel XIII van de Programmawet (I) van 27 december 2006, Arbeidsrelatiewet genoemd, in artikel 333 van die wet, zijnde de vrijheid van organisatie van het werk, de mogelijkheid een hiërarchische controle op dat werk uit te oefenen, de al dan niet bestaande vrijheid van de organisatie van de werktijd. Omtrent de gegevens die aangevoerd worden om het bestaan van een gezagsrelatie te staven, is het de taak van de rechter om na te gaan of deze gegevens een toepassing of de mogelijkheid tot toepassing van gezag op de uitvoering van de arbeid zoals in een arbeidsovereenkomst aantonen, die onverenigbaar is met de loutere uitvoering van controle en het geven van instructies in het kader van een overeenkomst voor zelfstandige arbeid. Thesaurus CAS: ARBEIDSOVEREENKOMST - BEGRIP. BESTAANSVEREISTEN. VORM - Begrip en bestaansvereisten UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Begrip - bestaansvereisten - vorm Vrije woorden: Gezag - Beoordelingscriteria - Taak van de rechter Wettelijke bepalingen: Wet - 27-12-2006 - Art. 333 Fiche 2 Het door de appelrechters aangenomen feit dat de uitvoerder van het werk, bij gebrek aan beroepskennis, slechts kon functioneren wanneer de verweerder hem precieze instructies gaf aangaande de organisatie van het werk, impliceert dat de verweerder op de prestaties van de uitvoerder een controle kan uitoefenen die verder reikt dan een loutere controle van de kwaliteit van het geleverde werk en die bijgevolg onverenigbaar is met de loutere uitvoering van controle in het kader van een overeenkomst voor zelfstandige arbeid. Een gebrek aan beroepskennis in combinatie met het ontbreken van vrijheid in de organisatie van werk, is niet verzoenbaar met een zelfstandige samenwerking, zodat de appelrechters die niettegenstaande zij vaststellen dat de uitvoerder van het werk niet in staat was om zelfstandig, zonder instructies van de verweerder, zijn taak uit te voeren, oordelen dat er geen elementen zijn die de uitoefening van hiërarchisch gezag ondersteunen en dat slechts een controle wordt uitgeoefend op de kwaliteit van het werk, hun beslissing niet wettig verantwoorden. Thesaurus CAS: ARBEIDSOVEREENKOMST - BEGRIP. BESTAANSVEREISTEN. VORM - Begrip en bestaansvereisten UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Begrip - bestaansvereisten - vorm Vrije woorden: Gezag - Uitvoeren van controle - Aard Wettelijke bepalingen: Wet - 27-12-2006 - Art. 333 Tekst van de beslissing Nr. S.10.0073.N RIJSKDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, openbare instelling, met zetel te 1060 Brussel, Victor Hortaplein 11, eiser, vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, bus 14, waar de eiser woonplaats kiest, tegen S.P., verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 17 oktober 2008 gewezen door het arbeidshof te Antwerpen. Afdelingsvoorzitter Robert Boes heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wetsbepalingen - artikel 1134 van het Burgerlijk Wetboek; - de artikelen 2, 3, 17, 20 van de Arbeidsovereenkomstenwet van 3 juli 1978; - de artikelen 1, §1, eerste lid, 14, 22 en 23 van de Wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders; - de artikelen 1, 2, §1, eerste lid, 23, eerste lid, van de Wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers; - de artikelen 328, 331, 332, 333, 334 en 339 van de Programmawet (I) van 27 december 2006 (Arbeidsrelatiewet). Aangevochten beslissing Het bestreden arrest bevestigt het vonnis van de eerste rechter dat de vordering van de eiser ongegrond verklaarde. Het bestreden arrest oordeelt dat een toetsing van de concrete samenwerking aan de vier criteria van artikel 333 Arbeidsrelatiewet, niet noopt tot een herkwalificatie van de arbeidsrelatie die op zelfstandige basis was aangegaan zodat het bestaan van een arbeidsovereenkomst niet door eiser was bewezen: "Er moet worden onderzocht of de elementen die de (eiser) aanreikt, elementen die hij terugvindt in de feitelijke uitoefening van de samenwerking, de aanwezigheid van dit werkgeversgezag dusdanig ondersteunen dat ze de kwalificatie die deze partijen aan hun samenwerking gaven (zelfstandige samenwerking) uitsluiten. Het feit dat W.V.A. exclusief werkte voor (de verweerder) (element 1 in het onderzoeksverslag), het ondersteunend karakter van de arbeid (element 3), de bepaling van het loon (element 5), de inhoud van de facturen (element 6), het feit dat de facturen op de computer van (de verweerder) werden gemaakt (element 7), het feit dat W.V.A. niet deelnam aan het bedrijfsrisico en geen inbreng had (element 8), de dwang om in een spuitmachine te investeren (element 9) en het feit dat de verplaatsingen van W.V.A. op een wel bepaalde manier geregeld waren (onderdeel van element 10) zijn elementen die niet dienstig zijn om de uitoefening van werkgeversgezag te beoordelen. Elementen van economische aard of elementen die wijzen op een economische afhankelijkheid zijn inderdaad niet dienstig. Blijven ter beoordeling over: het ontvangen van richtlijnen over het werk (element 2), de mogelijkheid van controle (element 4) en de uren van aanwezigheid (onderdeel van element 10). (...) Het ontvangen van richtlijnen over het werk W.V.A. verklaarde daarover: ‘Ik ontving richtlijnen over hoe ik mijn werk moet doen zoals wanneer cementeren, wanneer bijplakken en aanvullen. Kortom hij had de leiding. (De verweerder) heeft mij opgeleerd om het werk te doen omdat ik er voorheen niets van of kende. Ik ben namelijk lasser van beroep met wat ervaring in de bouw'. (De verweerder) verklaarde dat W.V.A. zijn werk op de werf niet mocht kiezen en dat hij aanduidde wat hij moest doen. Getoetst aan het derde criterium van artikel 333 ARW, namelijk de organisatie van het werk, leiden deze afgelegde verklaringen tot de conclusie dat de organisatie van het werk eerder in handen was van (de verweerder), wat de uitoefening van werkgeversgezag kan ondersteunen. De mogelijkheid van controle Er is een onderscheid tussen kwaliteitscontrole en hiërarchische controle. Hiërarchische controle verwijst naar de uitoefening van werkgeversgezag: het betreft een controle door de werkgever op de inzet van de arbeid van zijn werknemer. Het is een antwoord op vragen als: doet de werknemer wat ik hem heb opgedragen? Doet hij het werk volgens de juiste werkwijze? Komt hij werken op de afgesproken uren en zoniet, rechtvaardigt hij zijn afwezigheid? Is hij aanwezig op de werkplaats die hem is aangewezen? Kwaliteitscontrole hoort eerder thuis in een zelfstandige samenwerking: deze controle wordt uitgeoefend om na te gaan of de kwaliteit van de geleverde arbeid in orde is. Het is een controle op het product van de arbeid, niet op de inzet van de arbeid. W.V.A. vermeldde in zijn verklaring dat (de verweerder) bij hem naging of zijn werk goed verricht was. Dit is de uitoefening van een kwaliteitscontrole. In het dossier zijn er geen elementen aan te treffen die de uitoefening van hiërarchisch gezag ondersteunen. Toetsing van het element aan criterium vier van artikel 333 ARW noopt niet tot een herkwalificatie van de arbeidsrelatie. De uren van aanwezigheid W.V.A. verklaarde: ‘Van de te werken uren of van een uurrooster is nooit gesproken geweest. Dat hing of van de weersomstandigheden en van de hoeveelheid werk'. Als deze feitelijkheid wordt getoetst aan het tweede criterium van artikel 333 ARW dan kan men moeilijk tot de conclusie komen dat de werktijd werd georganiseerd en opgelegd door (de verweerder). De arbeidstijd laten afhangen van de hoeveelheid werk, waarmee wordt bedoeld van het aantal bestellingen en van de weeromstandigheden, druist in tegen het principe dat de werkgever verplicht is aan zijn werknemer werk te verschaffen. De toetsing aan het tweede algemeen criterium leidt niet tot herkwalificatie wel integendeel. Conclusie Van de drie relevante elementen die (eiser) aanreikt om het bestaan van gezag te beoordelen, wijst slechts een element in de richting van de uitoefening van dit gezag, namelijk de organisatie van het werk. Artikel 332 ARW vereist nochtans dat de uitoefening van de arbeidsrelatie voldoende elementen moet opleveren, die onverenigbaar zijn met de kwalificatie die de betrokken partijen aan die arbeidsrelatie gaven. Het (arbeids)hof is van oordeel dat het ene element van de organisatie van het werk niet volstaat om de kwalificatie van zelfstandige samenwerking tussen (de verweerder) en W.V.A. uit te sluiten. Mede ook omdat W.V.A. investeerde in de zaak door de aankoop van een spuitmachine en om dat het de bedoeling was van samen te werken zowel voor klanten van (de verweerder) als van W.V.A., , komt de kwalificatie van zelfstandige samenwerking als een sterke kwalificatie over. Ze is minder gemakkelijk onderuit te halen. Bij deze beoordeling komt het er niet op aan te onderzoeken of een samenwerking op zelfstandige basis mogelijk en haalbaar was in de gegeven omstandigheden. Wil (de eiser) in zijn vordering slagen dan moet hij het bewijs leveren dat de drie elementen van een arbeidsovereenkomst: arbeid, loon en gezag in de samenwerking tussen (de verweerder) en W.V.A. aanwezig waren. Dit bewijs levert (de eiser) in onvoldoende mate. Het hoger beroep is ongegrond". Grieven
- Zonder de openbare orde, de goede zeden en de dwingende wetten te kunnen overtreden, kiezen de partijen vrij de aard van hun arbeidsrelatie waarbij de effectieve uitvoering van de overeenkomst moet overeenkomen met de aard van de arbeidsrelatie. Er moet voorrang worden gegeven aan de kwalificatie die uit de feitelijke uitoefening blijkt indien deze de door de partijen gekozen juridische kwalificatie uitsluit (artikel 331 van de Arbeidsrelatiewet). Indien de uitoefening van de arbeidsrelatie voldoende elementen naar voor brengt die, beoordeeld overeenkomstig de bepalingen van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten, onverenigbaar zijn met de kwalificatie die door de partijen aan de arbeidsrelatie wordt gegeven, zal er een herkwalificatie van de arbeidsrelatie gebeuren en wordt er een overeenstemmend stelsel van sociale zekerheid toegepast (artikel 332 van de Arbeidsrelatiewet). De elementen die terug te vinden zijn in de feitelijke uitoefening van de samenwerking worden beoordeeld op basis van de algemene criteria, zoals gedefinieerd in artikel 333, die het mogelijk maken het bestaan of de afwezigheid van een gezagsband te beoordelen, met name: - de wil der partijen zoals die in hun overeenkomst werd uitgedrukt, voor zover deze laatste overeenkomstig de bepalingen van artikel 331 wordt uitgevoerd; - de vrijheid van organisatie van de werktijd; - de vrijheid van organisatie van het werk; - de mogelijkheid een hiërarchische controle uit te oefenen. De Koning kan ook een lijst opstellen met specifieke criteria van juridische- of socio-economische aard die eigen zijn aan een sector of aan een of meerdere beroepen (artikelen 332, laatste lid, en 334 van de Arbeidsrelatiewet), wat tot op heden niet is gebeurd voor de sector waarin de verweerder actief was.
- Voorgaande bepalingen van de Arbeidsrelatiewet zijn van toepassing zonder dat hierbij afbreuk wordt gedaan aan de soevereine macht van hoven en rechtbanken om de aard van een welbepaalde arbeidsrelatie te beoordelen, rekening houdende met voormelde algemene criteria en, desgevallend, specifieke criteria.
- Wanneer de partijen hun verhouding kwalificeren als de uitvoering van zelfstandige arbeid door de ene in opdracht van de andere, terwijl de eiser deze kwalificatie betwist en socialezekerheidsbijdragen voor werknemers opvordert, moet hij het bestaan van een arbeidsovereenkomst bewijzen, wat inhoudt dat hij, mede aan de hand van voormelde algemene en, desgevallend, specifieke criteria, het bewijs zal dienen te leveren dat de arbeid uitgevoerd werd onder het gezag van de opdrachtgever-werkgever. De gezagsrelatie op grond waarvan tot een arbeidsovereenkomst kan worden besloten en elke andere overeenkomst moet worden uitgesloten, dient derhalve te worden beoordeeld aan de hand van de al dan niet bestaande vrijheid van de organisatie van de werktijd, de vrijheid van organisatie van het werk en de mogelijkheid een hiërarchische controle op dat werk uit te oefenen. Het is de taak van de rechter na te gaan of de door eiser aangevoerde gegevens een toepassing of de mogelijkheid tot toepassing van gezag op de uitvoering van de arbeid zoals in een arbeidsovereenkomst aantonen, die onverenigbaar is met de loutere uitvoering van controle en het geven van instructies in het kader van een overeenkomst voor zelfstandige arbeid.
- Het bestreden arrest oordeelt dat van de elementen die eiser aanreikt om het bestaan van gezag te beoordelen, slechts een element in de richting van de uitoefening van dit gezag wijst, namelijk de vrijheid van organisatie van het werk. Het bestreden arrest verwijst in dat verband naar de verklaring van W.V.A. , die ondermeer stelde dat hij richtlijnen ontving van verweerder over hoe hij zijn werk diende te doen, dat verweerder de leiding over de werken had en dat hij door verweerder was "opgeleerd" om het werk te doen, omdat hij er voorheen niets van of kende, hij was namelijk lasser van beroep. De appelrechters verwijzen tevens naar de verklaring van verweerder, die stelde dat W.V.A. zijn werk op de werf niet mocht kiezen en dat hij steeds aanduidde wat W.V.A. concreet moest doen (zie arrest, p.7, "Het ontvangen van richtlijnen over het werk").
- Het feit dat W.V.A. voorheen niets van het werk afkende, bestaande uit cementeren en plakken, had tot gevolg dat hij enkel het werk kon uitvoeren wanneer hem precieze richtlijnen werden verstrekt over wat er moet gebeuren en hoe dit moet gebeuren, hetgeen op zijn beurt impliceert dat het toezicht en de controle door de verweerder op de uitvoering van de prestaties van W.V.A. verder reikt dan een loutere controle van de kwaliteit van het geleverde werk. Gelet op het gebrek aan de vereiste beroepservaring in hoofde van W.V.A. kon deze laatste niet zelfstandig, zonder bijstand van verweerder, werken zodat de samenwerking tussen beide partijen slechts werkbaar was indien W.V.A. aan een hiërarchische controle op de inzet van zijn arbeid werd onderworpen, zijnde een controle die kenmerkend is voor een gezagsrelatie. De beslissing van de appelrechters dat de toetsing van de feiten aan het vierde criterium van artikel 333 Arbeidsrelatiewet (de mogelijkheid een hiërarchische controle uit te oefenen), niet noopt tot een -herkwalificatie van de arbeidsrelatie, is derhalve niet verzoenbaar met de vaststelling in het arrest dat W.V.A. moest worden opgeleerd door de verweerder die de leiding had, instructies gaf en bepaalde wat hij moest doen en hoe.
- Ook de toetsing aan het tweede criterium (de vrijheid van organisatie van de werktijd) kon volgens het bestreden arrest niet leiden tot een herkwalificatie van de arbeidsrelatie vermits men moeilijk tot de conclusie kan komen dat de werktijd werd georganiseerd en opgelegd door de verweerder. Het bestreden arrest overwoog hierbij dat het feit dat de arbeidstijd afhing van de hoeveelheid werk, waarmee wordt bedoeld het aantal bestellingen en de weersomstandigheden, indruist "tegen het principe dat de werkgever verplicht is aan zijn werknemer werk te verschaffen" (p. 8, "De uren van afwezigheid"). Hoewel krachtens de artikelen 20,1°, en 17,1°, van de Arbeidsovereenkomstenwet, enerzijds, de werkgever verplicht is de werknemer te doen arbeiden op de wijze, tijd en plaats zoals is overeengekomen, anderzijds, de werknemer verplicht is zijn werk te verrichten, op tijd, plaats en wijze zoals is overeengekomen, houden deze bepalingen voor de werkgever niet de verplichting in om doorlopend werk te verschaffen. Het loutere gegeven dat de werktijd afhangt van een aantal externe factoren, waardoor de werkgever niet steeds doorlopend werk kan verschaffen, kan derhalve niet verhinderen dat er sprake is van een arbeidsovereenkomst. Het feit dat de arbeidstijd afhangt van de hoeveelheid werk en de weersomstandigheden sluit in ieder geval uit dat W.V.A. zelf vrij zijn werktijd kon organiseren. Het bestreden arrest kon derhalve niet wettig oordelen dat de toetsing aan het criterium inzake de vrijheid van de organisatie van de werktijd niet kan leiden tot herkwalificatie van de arbeidsrelatie, op grond dat de arbeidstijd afhing van de hoeveelheid werk en de weersomstandigheden, hetgeen volgens de appelrechters indruist tegen het principe dat de werkgever verplicht is aan zijn werknemer werk te verschaffen.
- Hoewel elementen van economische aard of elementen die wijzen op een economische afhankelijkheid niet determinerend zijn bij de beoordeling van de aard van een arbeidsrelatie, kunnen deze elementen niettemin in deze beoordeling worden betrokken. Het bestreden arrest kon derhalve niet zonder meer beslissen dat de navolgende economische elementen, waaruit kan worden afgeleid dat W.V.A. economisch afhankelijk is van de verweerder, "niet dienstig" zijn: - het feit dat W.V.A. exclusief werkte voor de verweerder; - het ondersteunend karakter van zijn arbeid; - het feit dat W.V.A. geen inspraak had in het bepalen van het uurloon; - het feit dat de verweerder bepaalde wat W.V.A. aan hem mocht factureren; - het feit dat de facturen op de computer van de verweerder werden gemaakt; - het feit dat W.V.A. niet deelnam aan het bedrijfsrisico en geen inbreng had; - de dwang die verweerder uitoefende op W.V.A. om te investeren in een spuitmachine; - het feit dat de verplaatsingen van W.V.A. op een bepaalde manier waren geregeld door de verweerder. Ook omtrent deze gegevens is het de taak van de rechter na te gaan of de door de eiser aangevoerde gegevens een toepassing of de mogelijkheid tot toepassing van gezag op de uitvoering van de arbeid zoals in een arbeidsovereenkomst aantonen, die onverenigbaar is met de loutere uitvoering van controle en het geven van instructies in het kader van een overeenkomst voor zelfstandige arbeid.
- In acht genomen het feit dat W.V.A. geen vrijheid had in de organisatie van zijn werk (punt 4), dat zijn gebrek aan beroepservaring de uitoefening van een hiërarchische controle ondersteunde (punt 5), dat het niet onverenigbaar is met een arbeidsovereenkomst dat de arbeidstijd afhangt van externe factoren, waardoor noch de werkgever, noch de werknemer, de werktijd vrij kunnen organiseren (punt 6), en dat de hoger aangehaalde "economische" elementen er duidelijk op wijzen dat W.V.A. economische afhankelijk was van de verweerder (punt 7), heeft het bestreden arrest derhalve niet wettig kunnen oordelen dat de eiser geen voldoende elementen heeft aangereikt die onverenigbaar zijn met de kwalificatie van zelfstandige samenwerking tussen de eiser en W.V.A. In hun samenhang beschouwd wijzen al deze elementen immers op een toepassing of de mogelijkheid tot toepassing van gezag op de uitvoering van de arbeid, zoals in een arbeidsovereenkomst, op een wijze die onverenigbaar is met de loutere uitvoering van controle en het geven van instructies in het kader van een overeenkomst voor zelfstandige arbeid, in die mate dat het beweerde zelfstandig samenwerkingsverband tussen de heer V.A. en de verweerder terzijde dient te worden geschoven. Hieruit volgt dat het bestreden arrest niet wettig de vordering van de eiser heeft afgewezen op grond dat de elementen die eiser heeft aangereikt de aanwezigheid van een gezagsrelatie niet dusdanig ondersteunen dat ze de kwalificatie uitsluiten die partijen aan hun samenwerking hebben gegeven (schending van de artikelen 1134 B.W., 2, 3, 17, 20 van de Arbeidsovereenkomstenwet, 1, §1, eerste lid, 14, 22 en 23 van de RSZ-wet, 1, 2, §1, eerste lid, 23, eerste lid van de Algemene beginselenwet sociale zekerheid, 328, 331, 332, 333, 334 en 339 van de Arbeidsrelatiewet). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
- De gezagsrelatie op grond waarvan tot een arbeidsovereenkomst kan worden besloten en elke andere overeenkomst moet worden uitgesloten, dient te worden beoordeeld aan de hand van de criteria die thans zijn opgenomen in titel XIII van de Programmawet (I) van 27 december 2006, Arbeidsrelatiewet genoemd, in artikel 333 van die wet, zijnde de vrijheid van organisatie van het werk, de mogelijkheid een hiërarchische controle op dat werk uit te oefenen, de al dan niet bestaande vrijheid van de organisatie van de werktijd.
- Omtrent de gegevens die aangevoerd worden om het bestaan van een gezagsrelatie te staven, is het de taak van de rechter om na te gaan of deze gegevens een toepassing of de mogelijkheid tot toepassing van gezag op de uitvoering van de arbeid zoals in een arbeidsovereenkomst aantonen, die onverenigbaar is met de loutere uitvoering van controle en het geven van instructies in het kader van een overeenkomst voor zelfstandige arbeid.
- Het arrest oordeelt dat van de drie relevante elementen die de eiser aanreikt om het bestaan van gezag te beoordelen, slechts één element wijst in de richting van de uitoefening van dit gezag, namelijk de organisatie van het werk. Het arrest verwijst in dat verband naar de verklaring van W.V.A. die stelde dat hij richtlijnen ontving van de verweerder over hoe hij zijn werk diende te doen, dat de verweerder de leiding had en dat hij door de verweerder was "opgeleerd" om het werk te doen, omdat hij er voorheen niets van af kende. Volgens de verklaring van de verweerder mocht W.V.A. zijn werk op de werf niet kiezen en duidde hij steeds aan wat W.V.A. moest doen.
- Het feit dat W.V.A. , bij gebrek aan beroepskennis, slechts kon functioneren wanneer de verweerder hem precieze instructies gaf aangaande de organisatie van het werk, impliceert dat de verweerder op de prestaties van W.V.A. een controle kan uitoefenen die verder reikt dan een loutere controle van de kwaliteit van het geleverde werk en die bijgevolg onverenigbaar is met de loutere uitvoering van controle in het kader van een overeenkomst voor zelfstandige arbeid. Een gebrek aan beroepskennis in combinatie met het ontbreken van vrijheid in de organisatie van werk, is niet verzoenbaar met een zelfstandige samenwerking. Niettegenstaande het vaststelt dat W.V.A. niet in staat was om zelfstandig, zonder instructies van de verweerder, zijn taak uit te voeren, oordeelt het arrest dat er geen elementen zijn die de uitoefening van hiërarchisch gezag ondersteunen en dat slechts een controle wordt uitgeoefend op de kwaliteit van het werk. Die beslissing is niet wettig verantwoord. Het middel is in zoverre gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de zaak naar het arbeidshof te Brussel. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, en de raadsheren Eric Stassijns, Beatrijs Deconinck, Alain Smetryns en Koen Mestdagh, en in openbare terechtzitting van 6 december 2010 uitgesproken door afdelings-voorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101206.2 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20211026.2N.5 ECLI:BE:CTBRL:2011:ARR.20110325.1 ECLI:BE:CTBRL:2012:ARR.20120330.1 ECLI:BE:CTBRL:2013:ARR.20130104.1 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130326.4 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220913.2N.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div