id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 10 december 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101210.1 Rolnummer: F.08.0102.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2010-12-22 Raadplegingen: 1073 - laatst gezien 2026-07-02 06:50 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20101210.1 Fiche 1 Een contractuele erfstelling in de zin van artikel 2 W. Succ. is een erfstelling die bij wijze van een overeenkomst tot stand komt; zij is een overeenkomst om niet, waarbij iemand ten voordele van een ander beschikt over de goederen die zijn nalatenschap zullen samenstellen; een contractuele erfstelling heeft enkel betrekking op de goederen van de nalatenschap van de beschikker
(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: SUCCESSIERECHTEN UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - SUCCESSIERECHTEN - Basiswetgeving - Vlaamse Gewest - Betaling rechten en boeten Vrije woorden: Rechten verschuldigd ingevolge contractuele erfstelling - Contractuele erfstelling Wettelijke bepalingen: Wetboek der successierechten - Art. 2 Fiche 2 De specifieke bepalingen van het Burgerlijk Wetboek over het huwelijksvermogensrecht verplichten niet tot een kwalificatie als een schenking of een contractuele erfstelling
(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: SUCCESSIERECHTEN UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - SUCCESSIERECHTEN - Basiswetgeving - Vlaamse Gewest - Betaling rechten en boeten Vrije woorden: Rechten verschuldigd ingevolge contractuele erfstelling - Kwalificatie van een verrichting - Bepalingen van het huwelijksvermogensrecht Wettelijke bepalingen: Wetboek der successierechten - Art. 2 Fiche 3 Het verblijvingsbeding in een huwelijkscontract, dat het volledig gemeenschappelijk vermogen bij ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel 'om eender welke reden' aan de mede-echtgenoot toebedeelt, is geen overeenkomst over goederen van de nalatenschap van die mede-echtgenoot, maar een overeenkomst over het gemeenschappelijke vermogen; bedoeld verblijvingsbeding, dat uitwerking heeft, welke ook de reden van ontbinding van het huwelijksstelsel is en dat gecombineerd wordt met de inbreng van eigen goederen in het gemeenschappelijke vermogen door de vooroverleden echtgenoot, en het in artikel 1464, tweede lid, B.W. bedoelde 'aandeel boven de helft' is geen contractuele erfstelling, zodat dat 'surplus' niet belastbaar is op grond van artikel 2 W. Succ.
(1). (Deels impliciet).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: SUCCESSIERECHTEN UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - SUCCESSIERECHTEN - Basiswetgeving - Vlaamse Gewest - Betaling rechten en boeten Vrije woorden: Rechten verschuldigd ingevolge contractuele erfstelling - Huwelijkscontract - Beding van ongelijke verdeling - Beding van verblijving van het gehele gemeenschappelijk vermogen - Niet gekoppeld aan een overlevingsvoorwaarde - Kwalificatie van de verrichting Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Art. 1464, tweede lid Wetboek der successierechten - Art. 2 Fiches 4 - 6 Conclusie van advocaat-generaal Thijs. Thesaurus CAS: SUCCESSIERECHTEN UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - SUCCESSIERECHTEN - Basiswetgeving - Vlaamse Gewest - Betaling rechten en boeten Vrije woorden: Rechten verschuldigd ingevolge contractuele erfstelling - Contractuele erfstelling Rechten verschuldigd ingevolge contractuele erfstelling - Kwalificatie van een verrichting - Bepalingen van het huwelijksvermogensrecht Rechten verschuldigd ingevolge contractuele erfstelling - Huwelijkscontract - Beding van ongelijke verdeling - Beding van verblijving van het gehele gemeenschappelijk vermogen - Niet gekoppeld aan een overlevingsvoorwaarde - Kwalificatie van de verrichting Annotaties Publicaties: T. Fam. - De sterfhuisclausule na het arrest van het Hof van Cassatie van 10 december 2010 - 2011, nr. 6, pp. 138-146 Tekst van de beslissing Nr. F.08.0102.N BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de gewestelijke directeur der registratie te Hasselt, met kantoor te 3500 Hasselt, Voorstraat 43, eiser, vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, bus 14, waar de eiser woonplaats kiest, tegen Y.V., verweerster, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 24 juni
- Afdelingsvoorzitter Edward Forrier heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd. II. FEITEN De feiten kunnen op grond van het bestreden arrest worden samengevat als volgt. J. V. is op 23 januari 2004 overleden te Lommel. Zijn echtgenote (de verweerster) en zijn twee kinderen zijn de erfgenamen. De echtgenoten waren gehuwd onder het wettelijk stelsel. Bij akte "wijziging van huwelijkscontract", verleden voor notaris Bruno Indekeu te Lommel op 1 juli 2003, bracht J.V. twee onroerende goederen in het gemeenschappelijke vermogen. Artikel 2 van de notariële akte bepaalt dat de huwelijksgemeenschap bij overlijden van J.V. in volle eigendom wordt toebedeeld aan de verweerster. De akte "wijziging van huwelijkscontract", verleden voor notaris Bruno Indekeu te Lommel op 20 oktober 2003, wijzigt voormeld artikel
- Die akte bepaalt dat het gemeenschappelijke vermogen wordt toebedeeld aan de verweerster bij de ontbinding van de huwelijksgemeenschap om eender welke reden. III. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. IV. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert vooreerst een tegenstrijdigheid aan in de motivering van het bestreden arrest. Het onderdeel voert aan dat de redenen van het bestreden arrest het Hof niet toelaten zijn wettigheidcontrole uit te oefenen in zoverre niet kan worden achterhaald wat de juridische aard is van het ‘surplus'. Het ontbreken van een juridische kwalificatie van het ‘surplus' heeft ook voor gevolg dat de beslissing niet naar recht verantwoord is.
- De aangevoerde tegenstrijdigheid is een louter juridische tegenstrijdigheid die vreemd is aan artikel 149 Grondwet.
- Voor het overige bevat het bestreden arrest de redenen waarom de appelrechters bepaalde wettelijke regels al dan niet toepassen op het ‘surplus' en waarom dit noch een huwelijksvoordeel noch een schenking noch een contractuele erfstelling is. De appelrechters hoefden dit ‘surplus' niet te kwalificeren om hun beslissing dat dit ‘surplus' niet belastbaar is, naar recht te verantwoorden. De redenen van het bestreden arrest laten het Hof toe zijn wettigheidcontrole uit te oefenen. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
- De betwisting tussen de partijen heeft betrekking op de vraag of de eiser successierechten kan heffen op grond van artikel 2 Wetboek Successierechten op de waarde van de helft van de onroerende goederen die J.V. in het gemeenschappelijke vermogen heeft gebracht. Het onderdeel voert aan dat de appelrechters het litigieuze beding hadden moeten kwalificeren als een contractuele erfstelling.
- Krachtens artikel 2 Wetboek Successierechten zijn de rechten verschuldigd op de erfgoederen ongeacht of zij overgemaakt worden ingevolge de wettelijke devolutie, een uiterste wilsbeschikking of contractuele erfstelling.
- Een contractuele erfstelling is een erfstelling die bij wijze van een overeenkomst tot stand komt. Zij is een overeenkomst om niet, waarbij iemand ten voordele van een ander beschikt over de goederen die zijn nalatenschap zullen samenstellen. Een contractuele erfstelling heeft enkel betrekking op de goederen van de nalatenschap van de beschikker.
- Het verblijvingsbeding in een huwelijkscontract, dat het volledig gemeenschappelijke vermogen bij ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel ‘om eender welke reden' aan de mede-echtgenoot toebedeelt, is geen overeenkomst over goederen van de nalatenschap van die mede-echtgenoot, maar een overeenkomst over het gemeenschappelijke vermogen.
- De specifieke bepalingen van het Burgerlijk Wetboek over het huwelijksvermogensrecht verplichten niet tot een kwalificatie als een schenking of een contractuele erfstelling.
- Krachtens artikel 1464, eerste lid, Burgerlijk Wetboek worden het beding van ongelijke verdeling en het verblijvingsbeding van het gehele gemeenschappelijke vermogen niet beschouwd als schenkingen, maar als huwelijksvoorwaarden. Krachtens artikel 1464, tweede lid, Burgerlijk Wetboek worden het beding van ongelijke verdeling en het beding van verblijving van het gehele gemeenschappelijke vermogen als schenkingen beschouwd voor het aandeel boven de helft dat aan de langstlevende echtgenoot wordt toegewezen in de waarde, op de dag van de verdeling, van de tegenwoordige of toekomstige goederen die de vooroverleden echtgenoten in het gemeenschappelijke vermogen heeft gebracht door een uitdrukkelijk beding in het huwelijkscontract. Deze wetsbepaling strekt in het bijzonder tot bescherming van alle rechthebbenden op een voorbehouden erfdeel en beschouwt ter bescherming van hun rechten de verblijvingsbedingen met betrekking tot de goederen die de vooroverleden echtgenoot in het gemeenschappelijke vermogen heeft ingebracht, als schenkingen voor het ‘surplus', dit is het aandeel boven de helft. De bescherming die artikel 1464, tweede lid, Burgerlijk Wetboek biedt aan de reservataire erfgenamen, is van overeenkomstige toepassing indien in het huwelijkscontract een verblijvingsbeding werd ingelast dat uitwerking heeft, welke ook de reden van ontbinding van het huwelijksstelsel is en dat gecombineerd werd met de inbreng van eigen goederen in het gemeenschappelijke vermogen door de vooroverleden echtgenoot. Die wetsbepaling leidt er niet toe dat het ‘surplus' een schenking is, maar heeft slechts tot gevolg dat dit voordeel bij het overlijden van de echtgenoot die eigen goederen heeft ingebracht in het gemeenschappelijke vermogen, aan inkorting kan worden onderworpen.
- Hieruit volgt dat het bestreden arrest wettig heeft geoordeeld dat het bedoelde verblijvingsbeding en het ‘surplus' geen contractuele erfstelling is en dat het ‘surplus' niet belastbaar is op grond van artikel 2 Wetboek Successierechten. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Derde onderdeel
- Het onderdeel voert aan dat bedingen van ongelijke verdeling en het verblijvingsbeding van het gehele gemeenschappelijke vermogen slechts als huwelijksvoorwaarden kunnen worden beschouwd wanneer zij afhankelijk zijn van een overlevingsvoorwaarde.
- Het onderdeel gaat eveneens uit van de foutieve veronderstelling dat door het litigieuze beding werd beschikt over de toekomstige goederen van de nalatenschap van J. V.. Uit het antwoord op het tweede onderdeel blijkt dat die stelling niet kan worden aangenomen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. Bepaalt de kosten op de som van 338,13 euro jegens de eisende partij en op de som van 251,11 euro jegens de verwerende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Eric Dirix, Eric Stassijns, Alain Smetryns en Geert Jocqué, en in openbare rechtszitting van 10 december 2010 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101210.1 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20101210.1 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2017:CONC.20170105.3 ECLI:BE:CASS:2017:CONC.20170324.4 ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190624.2 ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20201207.3N.11 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170105.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div