← België

ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101214.6

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 14 december 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101214.6 Rolnummer: P.10.0622.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2010-12-20 Raadplegingen: 602 - laatst gezien 2026-07-02 09:02 Versie(s): Vertaling FR Fiche Het Wetboek van Strafvordering en de wetten betreffende de strafrechtspleging bepalen welke partijen een vordering kunnen instellen of tegen wie voor de strafrechter een vordering kan worden ingesteld; daaruit volgt dat de vrijwillige of gedwongen tussenkomst van een derde voor de strafrechter alleen ontvankelijk is op voorwaarde dat een bijzondere wet zulks uitdrukkelijk bepaalt of dat de wet de strafrechter uitzonderlijk bevoegd maakt om een veroordeling, sanctie of enige andere maatregel tegen een derde uit te spreken

(1).
(1)Cass., 10 mei 2006, AR P.06.0281.F ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060510.9, A.C., 2006, nr.
  1. Thesaurus CAS: TUSSENKOMST UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Begrippen - Vordering (eis) - Tussenkomst Vrije woorden: Vrijwillige of gedwongen tussenkomst - Strafzaken - Ontvankelijkheid Tekst van de beslissing Nr. P.10.0622.N G. V. D., met kantoor te 2018 Antwerpen, Karel Oomsstraat 22, in zijn hoedanigheid van curator van het faillissement van GEBA bvba, vrijwillig tussengekomen partij, eiser, in zake BAELS bvba, met zetel te 2310 Rijkevorsel, Prinsenpad 7, burgerlijke partij, tegen G. A. M. B. beklaagde. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 2 maart
  2. De eiser voert in een verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Luc Van hoogenbemt heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
  3. Is geen eindbeslissing de beslissing waarbij de appelrechters hun oordeel over de rechtsplegingvergoeding hebben aangehouden. Het cassatieberoep is in zoverre niet ontvankelijk. Middel
  4. Het middel voert schending aan van artikel 5ter Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering en van de artikelen 42, 3°, 43bis, 43quater en 505 Strafwetboek: G. B. is definitief veroordeeld wegens inbreuk op artikel 505 Strafwetboek; overeenkomstig artikel 5ter Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering kan elke belanghebbende tussenkomen in de procedure; de appelrechters verklaren ten onrechte eisers tussenkomst onontvankelijk.
  5. In zoverre het middel schending aanvoert van de artikelen 42, 3°, 43bis, 43quater en 505 Strafwetboek zonder nauwkeurig aan te geven hoe en waardoor de bestreden beslissing die bepalingen schendt, is het wegens onduidelijkheid niet ontvankelijk.
  6. Het Wetboek van Strafvordering en de wetten betreffende de strafrechtspleging bepalen welke partijen een vordering kunnen instellen of tegen wie voor de strafrechter een vordering kan worden ingesteld. Daaruit volgt dat de vrijwillige of gedwongen tussenkomst van een derde voor de strafrechter alleen ontvankelijk is op voorwaarde dat een bijzondere wet zulks uitdrukkelijk bepaalt of dat de wet de strafrechter uitzonderlijk bevoegd maakt om een veroordeling, sanctie of enige andere maatregel tegen een derde uit te spreken. Krachtens artikel 5ter Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering wordt elke belanghebbende derde die volgens de door de rechtspleging verschafte aanwijzingen krachtens zijn rechtmatig bezit rechten kan doen gelden op de vermogensvoordelen bedoeld in de artikelen 42, 3°, 43bis en 43quater Strafwetboek of die rechten kan doen gelden op de zaken bedoeld in artikel 42, 1°, of op de zaken bedoeld in artikel 505 Strafwetboek, op de hoogte gebracht van de rechtsdag voor het gerecht dat zal vonnissen over de grond van de zaak. Diegene die krachtens zijn wettig bezit beweert recht te hebben op zaken die in aanmerking komen om te worden verbeurd verklaard, kan vrijwillig voor het bodemgerecht tussenkomen om zijn rechten te doen gelden.
  7. Uit het bestreden arrest blijkt dat: - de vordering van de eiser in zijn hoedanigheid van burgerlijke partij tegen de beklaagde G. B. bij vonnis van de correctionele rechtbank van Antwerpen van 7 januari 2009 dat deze laatste op strafgebied veroordeelde, ontvankelijk en gegrond werd verklaard voor een voorschot van 1 euro; - de vordering van de burgerlijke partij bvba Baels tegen de beklaagde onontvankelijk werd verklaard; - tegen dit vonnis enkel door de burgerlijke partij bvba Baels hoger beroep werd ingesteld.
  8. Eisers tussenkomst in hoger beroep strekt ertoe op grond van artikel 4 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering en de artikelen 813 en 1034bis tot 1034sexies Gerechtelijk Wetboek het hoger beroep van de burgerlijke partij bvba Baels ongegrond te horen verklaren en deze laatste te horen veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van 100.000 euro aan de eiser.
  9. Op grond van de thans niet-bekritiseerde reden dat de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek betreffende de tussenkomst van derden waarop de eiser zich steunt, niet van toepassing zijn in strafzaken, verklaart het bestreden arrest eisers vrijwillige tussenkomst niet ontvankelijk. In zoverre is het middel dat niet tot cassatie kan leiden, niet ontvankelijk.
  10. Vermits eisers tussenkomst niet gesteund was op artikel 5ter Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering en niet erop gericht was rechten te doen gelden op zaken die in aanmerking komen om te worden verbeurd verklaard, hebben de appelrechters hierover geen uitspraak gedaan en aldus dit artikel niet geschonden. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. Bepaalt de kosten op 304,67 euro waarvan de eiser 33,53 euro verschuldigd is. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Etienne Goethals en de raadsheren Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt en Koen Mestdagh, en op de openbare rechtszitting van 14 december 2010 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky. PDF document ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101214.6 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2014:CONC.20141119.3 ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220622.2F.10 precedenten: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060510.9 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210216.2N.5 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220928.2F.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.