← België

ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101214.7

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 14 december 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101214.7 Rolnummer: P.10.0671.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige - Strafrecht Invoerdatum: 2010-12-20 Raadplegingen: 815 - laatst gezien 2026-07-02 06:57 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Behoudens in de gevallen waarin de rechter zich wettelijk moet onthouden, mag hij niet weigeren recht te spreken over de geschillen die hem worden voorgelegd en mag hij evenmin de normale loop van het geding op onrechtmatige wijze onderbreken. Thesaurus CAS: RECHTSWEIGERING UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BEVOEGDHEID - RECHTSPLEGING - RECHTSMIDDELEN STRAFGERECHTEN - Correctionele rechtbank - Gerechtskosten STRAFRECHT - BEVOEGDHEID - RECHTSPLEGING - RECHTSMIDDELEN STRAFGERECHTEN - Hoger beroep (strafrecht) - Bevoegde personen Vrije woorden: Verplichting recht te spreken Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 5 Fiches 2 - 3 Ongeacht de bepaling van artikel 1046 Gerechtelijk Wetboek, kan het openbaar ministerie hoger beroep instellen tegen elke beslissing die de uitoefening van de strafvordering belemmert

(1).
(1)Cass., 2 juni 1998, AR P.96.1587.N ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19980602.4, A.C., 1998, nr. 283. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Beslissingen en partijen UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BEVOEGDHEID - RECHTSPLEGING - RECHTSMIDDELEN STRAFGERECHTEN - Correctionele rechtbank - Gerechtskosten STRAFRECHT - BEVOEGDHEID - RECHTSPLEGING - RECHTSMIDDELEN STRAFGERECHTEN - Hoger beroep (strafrecht) - Bevoegde personen Vrije woorden: Beslissing die de uitoefening van de strafvordering belemmert - Hoger beroep van het openbaar ministerie - Ontvankelijkheid Thesaurus CAS: OPENBAAR MINISTERIE UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BEVOEGDHEID - RECHTSPLEGING - RECHTSMIDDELEN STRAFGERECHTEN - Correctionele rechtbank - Gerechtskosten STRAFRECHT - BEVOEGDHEID - RECHTSPLEGING - RECHTSMIDDELEN STRAFGERECHTEN - Hoger beroep (strafrecht) - Bevoegde personen Vrije woorden: Beslissing die de uitoefening van de strafvordering belemmert - Hoger beroep van het openbaar ministerie - Ontvankelijkheid Fiches 4 - 5 Wanneer de rechter een beklaagde vrijspreekt voor bepaalde telastleggingen en wegens andere feiten veroordeelt, beoordeelt hij op onaantastbare wijze de mate waarin de kosten van de vervolging zijn veroorzaakt door de in aanmerking genomen feiten
(1).
(1)Cass., 7 jan. 2004, AR P.03.1092.F ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040107.3, A.C., 2004, nr. 4. Thesaurus CAS: GERECHTSKOSTEN - STRAFZAKEN - Procedure voor de feitenrechter UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BEVOEGDHEID - RECHTSPLEGING - RECHTSMIDDELEN STRAFGERECHTEN - Correctionele rechtbank - Gerechtskosten STRAFRECHT - BEVOEGDHEID - RECHTSPLEGING - RECHTSMIDDELEN STRAFGERECHTEN - Hoger beroep (strafrecht) - Bevoegde personen Vrije woorden: Strafvordering - Beklaagde - Gedeeltelijke vrijspraak - Mate waarin de kosten zijn veroorzaakt door de bewezen verklaarde misdrijven - Onaantastbare beoordeling Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 162 en 176 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BEVOEGDHEID - RECHTSPLEGING - RECHTSMIDDELEN STRAFGERECHTEN - Correctionele rechtbank - Gerechtskosten STRAFRECHT - BEVOEGDHEID - RECHTSPLEGING - RECHTSMIDDELEN STRAFGERECHTEN - Hoger beroep (strafrecht) - Bevoegde personen Vrije woorden: Strafzaken - Gerechtskosten - Gedeeltelijke vrijspraak - Beoordeling van de mate waarin de kosten zijn veroorzaakt door de bewezen verklaarde misdrijven Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 162 en 176 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiche 6 De regel dat de beklaagde niet wordt veroordeeld tot de kosten van de telastlegging waarvoor hij wordt vrijgesproken, sluit niet uit dat hij tot alle kosten wordt veroordeeld mits de rechter vaststelt dat zij allen door het bewezen verklaarde misdrijf werden veroorzaakt
(1).
(1)Cass. 5 juni 2001, AR P.99.1474.N ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010605.2, A.C., 2001, nr.
  1. Thesaurus CAS: GERECHTSKOSTEN - STRAFZAKEN - Procedure voor de feitenrechter UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BEVOEGDHEID - RECHTSPLEGING - RECHTSMIDDELEN STRAFGERECHTEN - Correctionele rechtbank - Gerechtskosten STRAFRECHT - BEVOEGDHEID - RECHTSPLEGING - RECHTSMIDDELEN STRAFGERECHTEN - Hoger beroep (strafrecht) - Bevoegde personen Vrije woorden: Strafvordering - Vrijspraak voor bepaalde telastleggingen - Veroordeling voor andere misdrijven - Veroordeling tot alle kosten van de strafvordering Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 162 en 176 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr. P.10.0671.N I P. C. A. R. beklaagde, eiser, tegen
  2. P. B., met kantoor te 2110 Wijnegem, Marktplein 7, in zijn hoedanigheid van curator van het faillissement van BOWO bvba, met zetel te 2600 Berchem, Rode Kruislaan 6/2B, burgerlijke partij,
  3. R. V. G., met kantoor te 2360 Oud-Turnhout, Dorp 8, in zijn hoedanigheid van curator van het faillissement van PETRO bvba, met zetel te 2310 Rijkevorsel, Oostmalsesteenweg 185, burgerlijke partij,
  4. J. D. C. D. C., met kantoor te 2300 Turnhout, de Merodelei 37, in zijn hoedanigheid van curator van het faillissement van PETER ROMBOUTS, DAKWERKEN ROM-TOM, burgerlijke partij,
  5. J. B. burgerlijke partij, verweerders. II J. R. C. beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Bart Coopman, advocaat bij de balie te Brussel, tegen J. B., reeds vermeld burgerlijke partij, verweerster. III D. G. beklaagde, eiseres, tegen
  6. P. B., reeds vermeld, burgerlijke partij,
  7. R. V. G., reeds vermeld, burgerlijke partij,
  8. J. B., reeds vermeld, burgerlijke partij, verweerders. IV G. S. F. D. L. beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Katrien Van Daele, advocaat bij de balie te Turnhout, tegen
  9. P. B., reeds vermeld, burgerlijke partij,
  10. R. V. G., reeds vermeld, burgerlijke partij,
  11. J. B., reeds vermeld, burgerlijke partij, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 3 maart
  12. De eisers P. R. en D. G. voeren geen middelen aan. De eiser J. C. voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. De eiser G. d. L. voert in een verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Luc Van hoogenbemt heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen
  13. De cassatieberoepen zijn bij gebrek aan belang niet ontvankelijk in zoverre ze opkomen tegen de beslissing die: - P. R. vrijspreekt voor de telastleggingen A2, A3 met betrekking tot de twee terreinwagens Nissan Patrol en de motorboot Sea Ray, A6, A7, A8, A9, B6, B7, C6, C7 en D1; - J. C. vrijspreekt voor de telastleggingen Dl, F2 en F3; - zich onbevoegd verklaart om kennis te nemen van de burgerlijke rechtsvorde¬ring van de verweerder P. B., gericht tegen de eiser P. R., gesteund op de telastleggingen C6 en C7, tegen de eiseres D. G., gesteund op de telastleggingen Cl, C2, C3 en C4, en tegen de eiser G. d. L., gesteund op de telastleggingen C2, C3 en C4; - zich onbevoegd verklaart om kennis te nemen van de burgerlijke rechtsvorde¬ring van de verweerder R. V. G., gericht tegen de eiser P. R., gesteund op de telastleggingen B6 en B7 en tegen de eiser G. d. L., gesteund op de telastleggingen B1, B2, B3 en B4; - zich onbevoegd verklaart om kennis te nemen van de burgerlijke rechtsvordering van de verweerder J. D. C. d. C., gericht tegen de eiser P. R., gesteund op de telastleggingen A2, A3 met betrekking tot de twee terreinwagens Nissan Patrol en de motorboot Sea Ray, A6, A7, A8, A9, en tegen de eiseres D. G. en tegen de eiser G. d. L., gesteund op de telastleggingen Al, A2, A3, A4, A5 en A6; - zich onbevoegd verklaart om kennis te nemen van de burgerlijke rechtsvorde¬ring van de verweerster J. B.. Eerste middel van de eiser J. C.
  14. Het middel voert schending aan van de artikelen 5, 1046 en 1050 Gerechtelijk Wetboek en artikel 215 Wetboek van Strafvordering:
(1)door in zijn arrest van 5 mei 2009 (lees: 3 maart 2010) te oordelen dat het beroepen vonnis van 18 november 2008 dat de heropening van het debat beveelt, rechtsweigering uitmaakt, schendt het hof van beroep artikel 5 Gerechtelijk Wetboek;
(2)door in hetzelfde arrest te oordelen dat het vonnis van 18 november 2008 vatbaar was voor hoger beroep, schendt het hof van beroep de artikelen 1046 en 1050 Gerechtelijk Wetboek;
(3)door ten slotte in hetzelfde arrest het beroepen vonnis te vernietigen, de zaak tot zich te trekken en er zelf uitspraak over te doen, schendt het hof van beroep artikel 215 Wetboek van Strafvordering.
  1. Artikel 5 Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat er rechtsweigering bestaat wanneer de rechter weigert recht te spreken onder enig voorwendsel, zelfs van het stilzwijgen, de duisterheid of de onvolledigheid van de wet. Behoudens in de gevallen waarin de rechter zich wettelijk moet onthouden, mag de rechter niet weigeren recht te spreken over de geschillen die hem worden voorgelegd. Hij mag evenmin de normale loop van het geding op onrechtmatige wijze onderbreken.
  2. Het bestreden arrest stelt vast dat: - de zaak voor de eerste rechter gepleit werd op de rechtszitting van 14 oktober 2008, nadat zij al het voorwerp had uitgemaakt van een debat op eerdere rechtszittingen en van een tussenvonnis van 13 maart 2007 waarbij een bijkomend deskundigenonderzoek was bevolen; - de zaak op 14 oktober 2008 hernomen werd in de staat waarin zij zich bevond, gelet op de gewijzigde zetelsamenstelling; - de eerste rechter in het beroepen vonnis de heropening van het debat heeft bevolen "teneinde de magistraat, die kennis genomen heeft van het dossier op de zitting voorafgaandelijk aan het tussenvonnis de dato 13 maart 2007, toe te laten verder tot de beoordeling van dit dossier over te gaan", omdat een medebeklaagde van de eiser had ingeroepen dat er zich een onregelmatigheid had voorgedaan op rechtszittingen die dateren van vóór dat tussenvonnis en dat deze onregelmatigheid samenhangt met diens verzoek om de zaak toe te bedelen aan een kamer met drie rechters.
  3. Het bestreden arrest oordeelt dat de rechter, aan wie de zaak te dezen regelmatig was toebedeeld en voor wie de zaak in zijn geheel werd behandeld, de verplichting had om uitspraak te doen over de gevorderde zaken, met inbegrip van de procedurebetwistingen die voor hem werden opgeworpen en die hetzij voorkwamen op procedurestukken waarop hij diende acht te slaan, hetzij het voorwerp uitmaakten van mondelinge discussies die voor hem werden gevoerd, en dat het niet vereist was dat hij kennis zou hebben van de mondelinge gezegden die op vorige rechtszittingen zouden geuit zijn. Aldus verantwoordt het bestreden arrest zijn beslissing naar recht dat de eerste rechter geweigerd heeft recht te spreken. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
  4. Krachtens artikel 1046 Gerechtelijk Wetboek zijn beslissingen of maatregelen van inwendige aard, zoals bepaling van de rechtsdag, uitstel, weglating van de rol en doorhaling, alsmede vonnissen waarbij wordt bevolen dat partijen in persoon moeten verschijnen, niet vatbaar voor verzet of hoger beroep. Krachtens artikel 1050, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek kan in alle zaken hoger beroep worden ingesteld zodra het vonnis is uitgesproken, zelfs al is dit een beslissing alvorens recht te doen of een verstekvonnis. Ongeacht de bepaling van artikel 1046 Gerechtelijk Wetboek, kan het openbaar ministerie hoger beroep instellen tegen elke beslissing die de uitoefening van de strafvordering belemmert.
  5. Het bestreden arrest oordeelt dat het openbaar ministerie met het oog op een goede rechtsbedeling te dezen belang heeft hoger beroep in te stellen tegen het beroepen vonnis waarbij geweigerd werd uitspraak te doen over de gevorderde zaak vermits de feiten die aan de strafvordering ten grondslag liggen, dateren van de periode tussen 31 december 1996 en 15 februari 2000, zodat de verjaring van de strafvordering dreigt en de redelijke termijn voor de berechting in het gedrang komt. Aldus oordelen de appelrechters dat de uitoefening van de strafvordering in gevaar wordt gebracht en dat het beroepen vonnis niet louter een maatregel van inwendige aard inhield en verantwoorden zij naar recht hun beslissing dat het hoger beroep van het openbaar ministerie ontvankelijk is. In zoverre kan het middel evenmin worden aangenomen.
  6. In zoverre het middel schending aanvoert van artikel 215 Wetboek van Strafvordering, is het volledig afgeleid uit de beweerde en hierboven verworpen schending van de artikelen 5, 1046 en 1050 Gerechtelijk Wetboek. In zoverre is het middel dat niet tot cassatie kan leiden, niet ontvankelijk. Tweede middel aan de eiser J. C.
  7. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM: bij de beoordeling van de redelijke termijn houden de appelrechters ten onrechte geen rekening met een termijn van twee jaar die nodig was om de door de eiser aangewende rechtsmiddelen te behandelen omdat deze rechtsmiddelen werden afgewezen zonder dat werd afgeweken van de vigerende rechtspraak.
  8. De rechter oordeelt onaantastbaar of de redelijke termijn voor de berechting van de zaak, waarop elke beklaagde recht heeft, al dan niet is overschreden. Het Hof gaat enkel na of de rechter uit de feiten en omstandigheden die hij vaststelt, wettig heeft kunnen afleiden dat die redelijke termijn al dan niet is overschreden.
  9. De appelrechters oordelen dat de redelijke termijn is overschreden en houden hiermee rekening bij de straftoemeting. Zij oordelen evenwel dat onder meer met een termijn van twee jaar geen rekening moet worden gehouden, omdat "de beklaagden zelf een wettelijke bepaling hebben verwaarloosd voor de raadkamer (in casu art. 91, derde lid, Ger. W.)", zodat hun procedureslag om zulks te corrigeren voor de feitenrechter niet kan worden toegerekend aan de gerechtelijke instanties, bevoegd om over die rechtsmiddelen te oordelen. Met die redenen verantwoorden de appelrechters hun beslissing naar recht. Het middel kan niet worden aangenomen. Middel van de eiser G. d. L.
  10. Het middel voert schending aan van artikel 50 Strafwetboek en artikel 162 Wetboek van Strafvordering: de eiser wordt veroordeeld tot één vijfde van de gerechtskosten daar waar hij slechts voor één telastlegging wordt veroordeeld en voor dertien telastleggingen wordt vrijgesproken in verhouding tot een totale hoeveelheid van vierendertig telastleggingen voor alle beklaagden samen; aldus werd geen verdeling van de kosten gemaakt op grond van de bewezen verklaarde misdrijven maar op grond van het aantal beklaagden en de Staat.
  11. Wanneer de rechter een beklaagde vrijspreekt voor bepaalde telastleggingen en wegens andere feiten veroordeelt, beoordeelt hij op onaantastbare wijze de mate waarin de kosten van de vervolging zijn veroorzaakt door de in aanmerking genomen feiten. De regel dat de beklaagde niet wordt veroordeeld tot de kosten van de telastlegging waarvoor hij wordt vrijgesproken, sluit niet uit dat hij tot alle kosten wordt veroordeeld mits de rechter vaststelt dat zij allen door het bewezen verklaarde misdrijf werden veroorzaakt. In zoverre faalt het middel naar recht.
  12. De appelrechters verklaren de eiser schuldig aan het feit van de telastlegging Cl. Zij veroordelen vervolgens vier beklaagden, waaronder de eiser, ieder tot één vijfde van de kosten van de strafvordering, met de vaststelling "dat deze kosten ondeelbaar veroorzaakt werden door de thans nog aangehouden feiten". Aldus verantwoorden zij hun beslissing over de gerechtskosten naar recht. Het middel kan niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek van de beslissingen op de strafvordering
  13. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers in de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op 353,64 euro waarvan de eisers elk 88,41 euro verschuldigd zijn. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Etienne Goethals en de raadsheren Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt en Koen Mestdagh, en op de openbare rechtszitting van 14 december 2010 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky. PDF document ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101214.7 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19980602.4 ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010605.2 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040107.3 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110906.6 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131105.10 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210615.2N.2 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210928.2N.11 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.