id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 17 december 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101217.2 Rolnummer: C.10.0074.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Overige Invoerdatum: 2011-01-04 Raadplegingen: 251 - laatst gezien 2026-07-01 14:22 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 De rechter die vaststelt dat een vordering tot schadevergoeding tegen de Belgische Staat op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid werd ingesteld bij dagvaarding meer dan vijf jaar na de eerste januari van het begrotingsjaar in de loop waarvan de schade is ontstaan, dat de eiser voor het verstrijken van die termijn kennis had van de identiteit van de aansprakelijke, en, op grond van deze vaststellingen en redenen oordeelt dat de vordering verjaard is, verantwoordt zijn beslissing naar recht
(1).
(1)Zie GwH 14 feb. 2008, nr. 17/2008, AGwH 2008, p.
- Thesaurus CAS: VERJARING - BURGERLIJKE ZAKEN - Termijnen (Aard. Duur. Aanvang. Einde) UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Uitgaven en kosten (gerechtelijk recht) - Rechtsplegingsvergoeding BURGERLIJK RECHT - VERJARING (BURGERLIJK RECHT) - Bijzondere verjaringen - Verjaring schuldvordering op de Staat Vrije woorden: Staat - Aansprakelijkheid buiten overeenkomst - Vordering tot schadevergoeding - Vijfjarige termijn - Aanvang Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 17-07-1991 - Art. 100, eerste lid, 1° Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - SCHADE - Allerlei UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Uitgaven en kosten (gerechtelijk recht) - Rechtsplegingsvergoeding BURGERLIJK RECHT - VERJARING (BURGERLIJK RECHT) - Bijzondere verjaringen - Verjaring schuldvordering op de Staat Vrije woorden: Staat - Vordering tot schadevergoeding - Verjaring - Termijnen - Vijfjarige termijn - Aanvang Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 17-07-1991 - Art. 100, eerste lid, 1° Fiche 3 Wanneer de Staat in de persoon van verschillende ministeriële departementen wordt gedagvaard om reden dat de eiser van oordeel is dat het geschil tot de bevoegdheid van die verschillende departementen behoort, dienen deze departementen, niettegenstaande de eenheid en ondeelbaarheid van de Staat, als te onderscheiden partijen te worden beschouwd in de zin van artikel 1017 van het Gerechtelijk Wetboek. Thesaurus CAS: GERECHTSKOSTEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Procedure voor de feitenrechter UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Uitgaven en kosten (gerechtelijk recht) - Rechtsplegingsvergoeding BURGERLIJK RECHT - VERJARING (BURGERLIJK RECHT) - Bijzondere verjaringen - Verjaring schuldvordering op de Staat Vrije woorden: Dagvaarding - Staat - Verschillende ministeriële departementen - Onderscheiden partijen Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1017 Tekst van de beslissing Nr. C.10.0074.N IMMO ANTVERPIA, naamloze vennootschap, met kantoor te 2970 's Gravenwezel (Schilde), Blijde Inkomst 29, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen
- BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie, met kantoor te 1000 Brussel, Waterloolaan 115,
- BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 2, verweerders, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de verweerders woonplaats kiezen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 15 september 2009 gewezen door het hof van beroep te Antwerpen. Raadsheer Eric Dirix heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd. II. CASSATATIEMIDDELEN De eiseres voert in haar verzoekschrift twee middelen aan. Het verzoekschrift is aan dit arrest gehecht. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
- Krachtens artikel 100, eerste lid, 1°, van de Wet Rijkscomptabiliteit verjaren de schuldvorderingen, waarvan de wettelijke of reglementaire wijze bepaalde overlegging niet is geschied binnen een termijn van vijf jaar te rekenen vanaf de eerste januari van het begrotingsjaar in de loop waarvan zij zijn ontstaan.
- Zoals door de appelrechters wordt vastgesteld, oordeelde het Grondwettelijk Hof in zijn arrest van 14 februari 2008 (nr. 17/2008) dat artikel 100, eerste lid, 1°, van de Wet Rijkscomptabiliteit, in zoverre het voorziet in een vijfjarige verjaringstermijn voor een vordering tot schadevergoeding op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid die een aanvang neemt op de eerste januari van het begrotingsjaar in de loop waarvan zij is ontstaan - en bijgevolg daadwerkelijk bijna steeds voordat de vordering is ontstaan - de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schendt en dat die berekeningswijze die een concrete verjaringstermijn oplevert van ten minste vier jaar na het ontstaan van de schuldvordering, dat wil zeggen vanaf het ogenblik dat alle constitutieve elementen aanwezig zijn, namelijk een fout, een schade en het oorzakelijke verband tussen beide, en voor zover de schade of de identiteit van de aansprakelijke vóór het verstrijken van de verjaringstermijn kunnen worden vastgesteld, geen onevenredige gevolgen heeft.
- De appelrechters stellen vast dat: - de schade ontstond in februari-maart 1998; - de eiseres tenminste op 6 of 7 februari 2001 kennis had van de identiteit van de aansprakelijke; - de eiseres de verweerders heeft gedagvaard op 3 februari
- Door op grond van deze vaststellingen en deze redenen te oordelen dat de vordering van de eiseres ingesteld bij dagvaarding van 3 februari 2006 verjaard is, verantwoorden de appelrechters hun beslissing naar recht en verwerpen en beantwoorden zij het bedoelde verweer. Het onderdeel kan in zoverre niet worden aangenomen.
- De appelrechters weigeren de in het onderdeel aangewezen prejudiciële vraag te stellen omdat "het Grondwettelijk Hof ook reeds (werd) ondervraagd over de bestaanbaarheid van artikel 100, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Rijkscomptabiliteit met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet" en omdat "het Grondwettelijk Hof de prejudiciële vraag ontkennend (beantwoordde) in zijn arrest nr. 97/2008 van 3 juli 2008", zodat "het dan ook overbodig (is) deze vraag nogmaals te stellen op verzoek van (de eiseres)".
- In zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat het bestreden arrest artikel 149 van de Grondwet en artikel 29, §2, van de Bijzondere Wet van 6 januari 1989 schendt omdat het de voorgestelde prejudiciële vraag niet stelt zonder enige motivering van deze weigering, mist het feitelijke grondslag.
- In het voornoemd arrest van 14 februari 2008 heeft het Grondwettelijk Hof geoordeeld dat de maatregel die er in bestaat dat de verjaringstermijn van de schuldvorderingen tegen de Staat reeds een aanvang neemt op de eerste januari van het begrotingsjaar in de loop waarvan zij zijn ontstaan, geen onevenredige gevolgen heeft voor zover de schade of de identiteit van de aansprakelijke vóór het verstrijken van de verjaringstermijn kunnen worden vastgesteld. Aldus heeft het Grondwettelijk Hof reeds geoordeeld dat de door de eiseres voorgehouden discriminatie niet bestaat, zodat het Hof overeenkomstig artikel 26, §2, 2°, van de Bijzondere Wet van 6 januari 1989 ter zake geen prejudiciële vraag meer dient te stellen. Tweede onderdeel
- De appelrechters verwerpen en beantwoorden het in het onderdeel bedoelde verweer met de redenen in de randnummers 2.1.4 en 2.1.7 van het bestreden arrest. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede middel
- Artikel 705 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de Staat wordt gedagvaard aan het kabinet van de minister tot wiens bevoegdheid het onderwerp van het geschil behoort of aan het kantoor van de door hem aangewezen ambtenaar.
- Krachtens artikel 1017, eerste lid, van dit wetboek, verwijst ieder eindvonnis de in het ongelijk gestelde partij in de kosten.
- Wanneer de Staat in de persoon van verschillende ministeriële departementen wordt gedagvaard om reden dat de eiser van oordeel is dat het geschil tot de bevoegdheid van die verschillende departementen behoort, dienen deze departementen, niettegenstaande de eenheid en de ondeelbaarheid van de Staat, als te onderscheiden partijen te worden beschouwd in de zin van artikel 1017 van het Gerechtelijk Wetboek.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan blijkt dat de eiseres de Staat heeft gedagvaard in de persoon van twee verschillende ministeriële departementen, de veroordeling heeft gevorderd van de gedaagde partijen solidair, in solidum of de ene bij gebreke van de andere en dat elk departement afzonderlijk werd vertegenwoordigd door een advocaat.
- Door te oordelen dat de verweerders elk aanspraak konden maken op rechtsplegingvergoeding, schendt het arrest geen der in het middel als geschonden aangewezen wettelijke bepalingen. Het middel kan niet worden aangenomen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep Veroordeelt de eiseres in de kosten Bepaalt de kosten op de som van 668,22 euro jegens de eisende partij en op de som van 248,77 euro jegens de verwerende partijen. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit eerste voorzitter Ghislain Londers, als voorzitter, en de raadsheren Eric Dirix, Albert Fettweis, Beatrijs Deconinck en Geert Jocqué, en in openbare rechtszitting van 17 december 2010 uitgesproken door eerste voorzitter Ghislain Londers, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101217.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div