← België

ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101220.4

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 20 december 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2

in hoger beroep het arbeidshof, dient na te gaan of de beslissing tot weigering tot de tweedelijnsbijstand, binnen de bij de wet

het E.V.R.M. gestelde perken, de effectieve toegang tot de rechtbanken voor zaken met een redelijke kans op succes niet heeft geschonden; deze kansen dienen manifest niet voorhanden te zijn, waarbij het de arbeidsrechtbank

in hoger beroep het arbeidshof niet toekomt om bij de beoordeling van de tweedelijnsbijstand zelf ten gronde in de beoordeling van de aangevoerde middelen te treden. Thesaurus CAS: RECHTSBIJSTAND UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTERLIJKE ORGANISATIE - Inrichting

dienst hoven - Bureau rechtsbijstand Vrije woorden: Juridische tweedelijnsbijstand - Aanvraag tot gedeeltelijke of volledige kosteloosheid inzake de juridische tweedelijnsbijstand - Beoordeling van de aanvraag - Zaak met redelijke kans op succes - Beoordeling door de feitenrechter Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 508/14 in fine Thesaurus CAS: RECHTBANKEN - ALGEMEEN UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTERLIJKE ORGANISATIE - Inrichting

dienst hoven - Bureau rechtsbijstand Vrije woorden: Rechtsbijstand - Juridische tweedelijnsbijstand - Aanvraag tot gedeeltelijke of volledige kosteloosheid inzake de juridische tweedelijnsbijstand - Beoordeling van de aanvraag - Zaak met redelijke kans op succes - Beoordeling door de feitenrechter Tekst van de beslissing Nr. S.10.0040.N K.I., eiser, toegelaten tot het voordeel van de kosteloze rechtspleging bij beslissing van het bureau voor rechtsbijstand van het Hof van 2 april 2010, nr. G.10.0033.N, vertegenwoordigd door mr. Caroline De Baets, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 149, bus 20, waar de eiser woonplaats kiest, tegen ORDE VAN ADVOCATEN BIJ DE BALIE TE IEPER, BUREAU VOOR JURIDISCHE BIJSTAND, met zetel te 8900 Ieper, Korte Torhoutstraat 2, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 7 januari 2010 gewezen door het arbeidshof te Gent. Raadsheer Beatrijs Deconinck heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 6

13 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens

de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950

goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955 (hierna EVRM); - artikel 16 van het Verdrag betreffende de status van vluchteling, opgemaakt te Genève op 28 juli 1951

goedgekeurd bij wet van 26 juni 1953 (hierna Vluchtelingen-verdrag); - de artikelen 508/13

508/14 van het Gerechtelijk Wetboek; - de artikelen 51/3, §1, 4°,

§2

, 1°, 51/8, 51/10, lid 1, 52, §2, 2°,

63 van de Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging

de verwijdering van vreemdelingen (hierna Vreemdelingenwet) - artikel 1, 10° van het koninklijk besluit van 18 december 2003 tot vaststelling van de voorwaarden van de volledige of gedeeltelijke kosteloosheid van de juridische tweedelijnsbijstand

de rechtsbijstand (hierna K.B. van 18 december 2003). Aangevochten beslissing Het bestreden arrest verklaart het hoger beroep van eiser ongegrond

verwerpt diens verzoek tot kosteloze juridische tweedelijnsbijstand, aangevraagd met het oog op zijn verdediging in de asielprocedure voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen,

dit op grond van de volgende motieven: "5.1. Eerst

vooral wenst het arbeidshof op te merken dat de (eiser) nog altijd niet bewijst dat hij de genaamde I.K. zou zijn. Het stuk dat neerlegt hij zijn verzoekschrift tot heropening der debatten bewijst geenszins zijn identiteit. 5.2. Voor de toekenning van de kosteloosheid voor de juridische tweedelijnsbijstand zijn er krachtens de samenlezing van de artikelen 508/13

508/14, vijfde lid, van het Gerechtelijk Wetboek twee voorwaarden vereist. De eerste voorwaarde gaat over de inkomsten. Aan deze voorwaarde is door de (eiser) zeker voldaan. De tweede voorwaarde is dat de aanvraag niet kennelijk ongegrond mag zijn. 5.3. Wanneer een aanvraag kennelijk ongegrond is, wordt door de wet nergens geëxpliciteerd. Het Bureau voor juridische bijstand zal marginaal de aanvraag tot kosteloze juridische bijstand toetsen aan de aard

de omvang van het juridisch probleem (

dus het voorwerp voor de tussenkomst van een advocaat) beoordelen of de tussenkomst van de advocaat nodig is (zie S. Gibens, Juridische bijstand, APR-reeks E. Story-Scientia, Mechelen, 2008, 150, nr. 208). Hierbij dient ook rekening te worden gehouden met het feit dat de juridische bijstand voor een deel wordt gefinancierd door de Staat, zijnde met middelen van de gemeenschap. 5.4. De (eiser) kan niet gevolgd worden in zijn grief dat het recht op rechtsbijstand absoluut zou zijn. Er kunnen grenzen worden gesteld aan dit recht, voor zover dit berust op objectieve criteria

deze redelijk zijn,

getoetst aan internationale geldende normen, zoals het recht op toegang tot een rechter. 5.5. Uit de gegevens van het dossier, zoals voorgelegd door de (verweerder), blijkt dat de (eiser) onder een valse naam, namelijk E.A., reeds verschillende malen asiel heeft aangevraagd in België. De (eiser) heeft daarbij niet alleen een valse identiteit doch tevens een vals paspoort

valse diploma's gebruikt. 5.6. Het is pas naar aanleiding van een vierde asielaanvraag dat de (eiser) plots op de proppen komt met de naam I.K. . Het arbeidshof beaamt volmondig het advies van het openbaar ministerie waarin wordt gesteld dat de (eiser) op geen

kele wijze er in slaagt aan te tonen dat hij in werkelijkheid de genaamde I.K. is. 5.7. Het is duidelijk dat de (eiser) op alle mogelijke manieren poogt asiel te bekomen doch daarbij er niet voor schuwt valse verklaringen, attesten

documenten voor te leggen. Dergelijke aanvragen tot asiel kunnen uiteraard nooit leiden tot een gunstige beslissing. 5.8. In de gegeven omstandigheden heeft de Orde van advocaten te Ieper, bureau voor juridische bijstand, op datum van 15 oktober 2007 terecht de aanvraag tot kosteloze tweedelijnsbijstand afgewezen als kennelijk ongegrond." Grieven Artikel 6 EVRM waarborgt het recht op toegang tot de rechter, terwijl artikel 13 EVRM bepaalt dat eenieder recht heeft op een daadwerkelijk rechtsmiddel bij schending van diens fundamentele rechten. Artikel 16 van het Vluchtelingenverdrag waarborgt voor elke vluchteling het genot van rechtsingang. Overeenkomstig artikel 63 van de Vreemdelingenwet staat beroep open tegen een beslissing tot weigering van asielaanvraag bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Tot waarborg van die rechten is voor de onvermogende rechtzoekende voorzien in een systeem van kosteloze juridische bijstand, waarvan de voorwaarden bepaald zijn in de artikelen 508/13 e.v. van het Gerechtelijk Wetboek

in het koninklijk besluit van 18 december 2003. Het systeem van de kosteloze juridische tweedelijnsbijstand staat evenzeer open voor de onvermogende asielaanvrager die bijstand van een advocaat wenst onder meer in het kader van zijn beroep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. De toegangsvoorwaarden tot de kosteloze juridische tweedelijnsbijstand mogen niet op zulke wijze worden uitgelegd

toegepast dat zij neerkomen op het uitschakelen van het recht op toegang tot de rechter

het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel. Als eerste voorwaarde voor kosteloze juridische tweedelijnsbijstand bepaalt artikel 508/13 van het Gerechtelijk Wetboek dat de aanvrager over onvoldoende inkomsten moet beschikken of een daarmee gelijkgestelde persoon moet zijn. Tot bewijs hiervan dient de aanvrager alle hiertoe nuttige stukken over te leggen. De

ige andere voorwaarde voor kosteloze juridische tweedelijnsbijstand is vervat in het laatste lid van artikel 508/14 van het Gerechtelijk Wetboek, dat bepaalt dat kennelijk ongegronde aanvragen geweigerd worden. Die voorwaarde heeft betrekking op de onderliggende vordering waarvoor de kosteloze rechtsbijstand wordt aangevraagd. Eerste onderdeel Een gelijkgestelde persoon zoals bedoeld in artikel 508/13 van het Gerechtelijk Wetboek is onder meer de asielaanvrager. Krachtens artikel 1, 10°, van het koninklijk besluit van 18 december 2003 geniet de asielaanvrager de volledige kosteloze tweedelijnsbijstand, op voorlegging van bewijsstukken. Hieronder worden bedoeld bewijsstukken over zijn asielaanvraag. Om de vluchtelingenstatus te kunnen krijgen, moet de asielaanvrager voldoen aan een aantal inhoudelijke

formele voorwaarden. De formele voorwaarden omvatten niet de verplichting tot voorlegging van identiteitsdocumenten. Precies omdat het bezit van identiteitsdocumenten voor een asielzoeker geen evidentie is, bepaalt artikel 51/3, §1, 4°, van de Vreemdelingenwet dat wanneer de identiteit van de asielzoeker onzeker is, hij aan het nemen van vingerafdrukken kan worden onderworpen. Artikel 51/3, §2, 1°, bepaalt uitdrukkelijk dat de vingerafdrukken slechts mogen gebruikt worden in de mate ze nodig zijn om de identiteit van de vreemdeling vast te stellen. Nog om de identiteit van de asielzoeker te kunnen bepalen, voorziet artikel 51/10, lid 1, dat de bevoegde overheid een verklaring van de betrokken asielzoeker afneemt onder meer met betrekking tot diens identiteit. Uit het voorgaande volgt dat de asielzoeker, om voor de vluchtelingenstatus in aanmerking te kunnen komen, niet verplicht is een document voor te leggen dat zijn identiteit onomstotelijk bewijst. Hieruit vloeit a fortiori voort dat de asielaanvrager die met het oog op zijn beroep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de kosteloze juridische tweedelijnsbijstand aanvraagt, evenmin een identiteitsbewijs moet voorleggen. Na de heropening der debatten te hebben geweigerd omdat het ingediende document afkomstig van het consulaat van Oekraine niet het bewijs zou inhouden dat eiser wel degelijk de in dat document vermelde I.K. zou zijn, vangt het bestreden arrest de beoordeling van de gegrondheid van het verzoek tot rechtsbijstand aan met de vaststelling dat eiser "nog altijd niet bewijst dat hij de genaamde I.K. zou zijn"

dat "het stuk dat hij neerlegt bij zijn verzoekschrift tot heropening der debatten geenszins zijn identiteit bewijst". In zoverre het bestreden arrest het bewijs van identiteit door voorlegging van een daartoe geëigend document vereist als voorwaarde voor het toekennen van kosteloze juridische tweedelijnsbijstand aan eiser als asielaanvrager, legt het bestreden arrest een niet door de wet voorziene toelaatbaarheidsvoorwaarde op (schending van de artikelen 508/13

508/14 van het Gerechtelijk Wetboek, van artikel 1, 10°, van het koninklijk besluit van 18 december 2003,

van de artikelen 51/3, §1, 4°,

§2

, 1°,

51/10, lid 1, van de Vreemdelingenwet), waardoor het ook op onwettige wijze het recht van eiser op toegang tot de rechter

op een daadwerkelijk rechtsmiddel bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen beperkt (schending van de artikelen 6

13 EVRM, van artikel 16 van het Vluchtelingenverdrag,

van artikel 63 van de Vreemdelingenwet). Tweede onderdeel Krachtens artikel 508/14, laatste lid, van het Gerechtelijk Wetboek worden kennelijk ongegronde aanvragen verworpen. Kennelijk ongegronde aanvragen zijn aanvragen waarvan de onderliggende vordering manifest niet kan slagen. Zo voormelde bepaling het Bureau voor rechtsbijstand toelaat kennis te nemen van de grond van de onderliggende vordering waarvoor de kosteloze juridische tweedelijnsbijstand wordt aangevraagd, kan het Bureau zich niet in de plaats stellen van de instantie die het onderliggende geschil moet beslechten. Aldus behoort het aan de bevoegde overheden

de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen om de identiteit van de asielaanvrager na te gaan (artikel 51/3, §1, 4°,

§2

, 1°,

51/10, lid 1, Vreemdelingenwet)

om na te gaan of zijn aanvraag bedrieglijk is (artikel 52, §2, 2°, a, Vreemdelingenwet). Bovendien verbiedt geen

kele bepaling dat de asielaanvrager een nieuwe aanvraag indient wanneer een eerdere asielaanvraag wegens bedrog werd verworpen (artikel 51/8 Vreemdelingenwet). Tenzij het Bureau voor rechtsbijstand manifeste tekenen van valsheid van de nieuwe documenten

verklaringen vaststelt, behoort het bijgevolg niet tot de bevoegdheid van het Bureau om over te gaan tot een onderzoek ten gronde van de oprechtheid van de aanvrager om diens slaagkansen voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen te beoordelen. Na het nieuwe document afkomstig van het Consulaat van Oekraine te hebben verworpen als bewijs van de identiteit van eiser, beoordeelt het bestreden arrest de slaagkansen van de eiser voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, waarna het de beslissing van kennelijke ongegrondheid van de vordering van het Bureau voor rechtsbijstand bevestigt. Bij de beoordeling van de slaagkansen van de onderliggende vordering, stelt het bestreden arrest eerst vast dat de eiser reeds verschillende malen asiel vroeg onder een valse naam met gebruik van valse documenten, om vervolgens te overwegen dat "het pas naar aanleiding van een vierde asielaanvraag is dat de (eiser) plots op de proppen komt met de naam I.K. "

dat "het arbeidshof volmondig het advies van het openbaar ministerie beaamt waarin wordt gesteld dat de (eiser) op geen

kele wijze erin slaagt aan te tonen dat hij in werkelijkheid de genaamde I.K. is". Opnieuw verwijzend naar zijn eerdere asielaanvragen, overweegt het bestreden arrest dat "het duidelijk is dat de (eiser) op alle mogelijke manieren poogt asiel te bekomen doch daarbij er niet voor schuwt valse verklaringen, attesten

documenten voor te leggen" om te besluiten dat "dergelijke aanvragen tot asiel uiteraard nooit kunnen leiden tot een gunstige beslissing". Uit de hoger vermelde overwegingen blijkt dat de appelrechters, om tot de kennelijke ongegrondheid van de onderliggende vordering van de eiser te besluiten, zijn overgegaan tot een beoordeling van de bewijswaarde van het nieuwe door de eiser neergelegde document

van de geloofwaardigheid van de verklaringen van de eiser, op het vlak van zijn identiteit, waarbij de documenten

verklaringen die de eiser bij zijn nieuwe aanvraag aanwendt werden getoetst aan de houding van de eiser in vorige asiel-aanvragen. Dergelijke toetsing gaat veel verder dan het vaststellen van manifeste redenen van ongegrondheid

impliceert een daadwerkelijke beoordeling van de geloofwaardigheid van de eiser

van de door hem neergelegde documenten,

dus een beoordeling van de grond van de zaak waarvoor

kel de bevoegde overheden

de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen bevoegd zijn. In zoverre het bestreden arrest het verzoek tot kosteloze juridische tweedelijnsbijstand verwerpt op grond van een daadwerkelijke beoordeling ten gronde van de geloofwaardigheid van de door de eiser aangevoerde documenten

verklaringen, gaat het verder dan de toegelaten toetsing van de kennelijke ongegrondheid van de aanvraag (schending van artikel 508/14, laatste lid, van het Gerechtelijk Wetboek

van de artikelen 51/3, §1, 4°,

§2

, 1°, 51/8, 51/10, lid 1,

52, §2, 2°, van de Vreemdelingenwet), waardoor het ook op onwettige wijze het recht van eiser op toegang tot de rechter

op een daadwerkelijk rechtsmiddel bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen beperkt (schending van de artikelen 6

13 EVRM, van artikel 16 van het Vluchtelingenverdrag,

van artikel 63 van de Vreemdelingenwet). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Tweede onderdeel 1. Krachtens artikel 508/14, in fine, van het Gerechtelijk Wetboek, worden de kennelijk ongegronde aanvragen tot gedeeltelijke of volledige kosteloosheid inzake de juridische tweedelijnsbijstand geweigerd. De arbeidsrechtbank die het beroep tegen de weigeringsbeslissing van het bureau voor juridische bijstand beoordeelt

in hoger beroep het arbeidshof, dient na te gaan of de beslissing tot weigering tot de tweedelijnsbijstand, binnen de bij de wet

het EVRM gestelde perken, de effectieve toegang tot de rechtbanken voor zaken met een redelijke kans op succes niet heeft geschonden. Deze kansen dienen manifest niet voorhanden te zijn, waarbij het de voormelde instanties niet toekomt om bij de beoordeling van de tweedelijnsbijstand zelf ten gronde in de beoordeling van de aangevoerde middelen te treden. 2. Het bestreden arrest neemt het "kennelijk ongegrond" karakter van de vordering aan, op de volgende gronden: - de eiser bewijst nog steeds niet dat hij de genaamde I.K. zou zijn; het stuk dat hij neerlegt bij zijn verzoek tot heropening van het debat bewijst geenszins zijn identiteit; - uit de gegevens van het dossier, zoals voorgelegd door de verweerder, blijkt dat de eiser onder een valse naam reeds verschillende malen asiel heeft aangevraagd in België; hij heeft daarbij niet alleen een valse identiteit, doch tevens een vals paspoort

valse diploma's gebruikt; - het is pas naar aanleiding van een vierde asielaanvraag dat de eiser plots op de proppen komt met de naam I. K., terwijl de eiser op geen

kele wijze er in slaagt aan te tonen dat hij in werkelijkheid deze laatste is; - het is duidelijk dat de eiser op alle mogelijke manieren poogt asiel te bekomen doch daarbij er niet voor schuwt valse verklaringen, attesten

documenten voor te leggen. Op de vermelde gronden vermochten de appelrechters niet tot de kennelijke ongegrondheid van de aanvraag te beslissen

verantwoorden zij hun beslissing niet naar recht. Het onderdeel is in zoverre gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigd arrest. Houdt de kosten aan

laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de zaak naar het arbeidshof te Antwerpen. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter,

de raadsheren Beatrijs Deconinck, Alain Smetryns, Koen Mestdagh

Geert Jocqué,

in openbare terechtzitting van 20 december 2010 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101220.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.