id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Advies van 11 maart 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2010:AVIS.20100311.9 Rolnummer: F.09.0069.N Kamer: REUN - Ch.Réunies/Verenigde Kamers Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2010-05-26 Raadplegingen: 552 - laatst gezien 2026-07-02 21:34 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100311.9 Fiche 1 Wanneer de overheid gebruik maakt van de mogelijkheid om in geval van laattijdige aangifte of onjuiste, onvolledige of onnauwkeurige aangifte de aanslag van ambtswege te vestigen, is zij gehouden de in artikel 6, tweede lid, van de wet van 24 december 1996 bepaalde procedure na te leven teneinde het recht van verdediging van de belastingplichtige te vrijwaren
(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: GEMEENTE-, PROVINCIE- EN PLAATSELIJKE BELASTINGEN - RECHTSPLEGING UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING - VESTIGING DOOR ANDERE OVERHEDEN Vrije woorden: Provinciale- of gemeentelijke belastingverordening - Aangifteverplichting - Laattijdige, onjuiste of onvolledige aangifte - Bevoegde overheid - Procedure van aanslag van ambtswege Wettelijke bepalingen: Wet - 24-12-1996 - Art. 6 Fiche 2 Wanneer de bevoegde overheid er zich toe beperkt de aanslag te vestigen overeenkomstig de laattijdig ingediende aangifte, is zij gerechtigd te beslissen dat er in dat geval geen redenen zijn om de aanslag ambtshalve te vestigen, nu het recht van verdediging van de belastingplichtige in dat geval wordt geëerbiedigd
(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: GEMEENTE-, PROVINCIE- EN PLAATSELIJKE BELASTINGEN - RECHTSPLEGING UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING - VESTIGING DOOR ANDERE OVERHEDEN Vrije woorden: Provinciale- of gemeentelijke belastingverordening - Aangifteverplichting - Laattijdige aangifte - Bevoegde overheid - Aanslag gevestigd overeenkomstig de aangifte - Mogelijkheid om de aanslag niet van ambtswege te vestigen Wettelijke bepalingen: Wet - 24-12-1996 - Art. 6 Fiches 3 - 4 Conclusie van advocaat-generaal THIJS. Thesaurus CAS: GEMEENTE-, PROVINCIE- EN PLAATSELIJKE BELASTINGEN - RECHTSPLEGING UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING - VESTIGING DOOR ANDERE OVERHEDEN Vrije woorden: Provinciale- of gemeentelijke belastingverordening - Aangifteverplichting - Laattijdige, onjuiste of onvolledige aangifte - Bevoegde overheid - Procedure van aanslag van ambtswege Provinciale- of gemeentelijke belastingverordening - Aangifteverplichting - Laattijdige aangifte - Bevoegde overheid - Aanslag gevestigd overeenkomstig de aangifte - Mogelijkheid om de aanslag niet van ambtswege te vestigen Tekst van de beslissing Nr. F.09.0069.N STAD ANTWERPEN, vertegenwoordigd door het College van Burgemeester en Schepenen, met kantoor te 2000 Antwerpen, Grote Markt 1, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Vilain XIIII-straat 17, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen V. A., verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 28 januari 2009 op verwijzing gewezen door het hof van beroep te Brussel, ingevolge het arrest van het Hof van 19 januari
- Raadsheer Geert Jocqué heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 4, 5 en 6 van de wet van 24 december 1996 betreffende de vestiging en de invordering van de provincie - en gemeentebelastingen. Aangevochten beslissingen Het bestreden arrest: "Verklaart het hoger beroep ontvankelijk, doch ongegrond; Veroordeelt (de eiseres) tot de beroepskosten, begroot op (...) 400 euro voor (de verweerder)" op grond van de motieven : "
- In zijn arrest van 19 januari 2007 besliste het Hof van Cassatie dat uit de samenhang van de bepalingen van artikel 6, eerste, tweede en derde lid, van voornoemde wet van 24 december 1996 noodzakelijk volgt dat de ter zake bevoegde overheid over de mogelijkheid beschikt te oordelen dat er motieven bestaan om, bij gebrek aan aangifte binnen de gestelde termijn, toch niet de belasting van ambtswege te vestigen, met name omdat het mogelijk is de aanslag alsnog te vestigen op grond van een laattijdige aangifte.
- M. Maus en A. Delafonteyne (‘De ambtshalve aanslag bij het miskennen van de aangifteverplichting in de lokale belastingsfeer. Het Hof van Cassatie versus het Grondwettelijk Hof', noot onder Cass. 19 januari 2007 en Grondwettelijk Hof 20 juni 2007, T.F.R. 2008, 32) stellen dat het hier gaat om een summier gemotiveerd arrest. De enige grond waarop het Hof van Cassatie zijn beslissing steunt, is de ‘samenhang van de bepalingen van artikel 6, eerste, tweede en derde lid, van de wet van 24 december 1996' waaruit de conclusie van het Hof ‘noodzakelijk volgt'. Het hof merkt evenwel op dat in de aangehaalde bepalingen met geen woord wordt gerept over de mogelijkheid om de aanslag alsnog op grond van de laattijdige aangifte te vestigen, of anders uitgedrukt - over het facultatieve karakter van de ambtshalve vestiging van de aanslag. Het artikel 6 in kwestie is immers exclusief gewijd aan de ambtshalve vestiging van de aanslag. Verder stelt het hof zich ook vragen bij de beslissing dat uit de samenhang van de bepalingen van artikel 6 ‘noodzakelijk volgt dat', als ware de zienswijze van het Hof van Cassatie de enige mogelijke interpretatie. Dit wordt trouwens ontkracht door het feit dat het Grondwettelijk Hof tot een andere interpretatie van dezelfde wetsbepaling is gekomen.
- Zo was het Grondwettelijk Hof in zijn arrest van 20 juni 2007 van oordeel dat de terzake bevoegde overheid in rechte niet over de mogelijkheid beschikt om te kiezen voor het al dan niet opleggen van een ambtshalve aanslag (volgens het Grondwettelijk Hof is zij daartoe verplicht), maar dat zij dit de facto wel kan doen door rekening te houden met de inhoud van de laattijdige aangifte bij het opleggen van de ambtshalve aanslag (zie: M. Maus en A. Delafonteyne o. c., 32).
- De interpretatie van het Grondwettelijk Hof valt volgens het hof te verkiezen. Zij is in overeenstemming met de tekst zelf van artikel 6, eerste lid, van voornoemde wet van 24 december 1996, waarin wordt bepaald dat, indien de belastingverordening voorziet in de verplichting van aangifte (hetgeen in deze onmiskenbaar het geval is), de belasting ambtshalve wordt ingekohierd, bij gebrek aan aangifte binnen de gestelde termijn of in geval van onjuiste, onvolledige of onnauwkeurige aangifte vanwege de belastingplichtige. Met reden verwees het Grondwettelijk Hof naar de andersluidende formulering van artikel 351, eerste lid, W.I.B. 1992 in verband met de ambtshalve aanslag inzake inkomstenbelasting. Dit artikel bepaalt dat de administratie de aanslag ambtshalve kan vestigen op het bedrag van de belastbare inkomsten die zij kan vermoeden op grond van de gegevens waarover zij beschikt, onder meer wanneer de belastingplichtige nagelaten heeft een aangifte te doen binnen de wettelijke termijnen. Inzake inkomstenbelasting is de vestiging van de ambtshalve aanslag bijgevolg facultatief. Het woord ‘kan' dat voorkomt in artikel 351, eerste lid, W.I.B. 1992 laat daarover niet de minste twijfel bestaan. Een dergelijke formulering komt niet voor in artikel 6 van voornoemde wet van 24 december 1996, waarin staat te lezen dat de belasting ambtshalve ‘wordt' ingekohierd. In tegenstelling tot artikel 351 W.I.B. 1992 voorziet de tekst van dit artikel 6 niet in de mogelijkheid van het opleggen van een aanslag van ambtswege (zie M. Maus en A. Delafonteyne, o. c., 33). Stellen dat in dit laatste geval de ter zake bevoegde overheid wel over een keuzemogelijkheid zou beschikken, wordt door de auteurs (met name M. Maus en A. Delafonteyne, o.c., ibid.) beschouwd als een interpretatie die haaks staat op het openbare orde-karakter van de wet van 24 december 1996 en op het algemeen rechtsbeginsel, zoals geconsacreerd door het Hof van Cassatie (zie: Cass. 10 november 1997, Arr. Cass. 1997, 1106; F.J.F. 1997, 623; J.D.F. 1998, 110), volgens hetwelk de belastingwetten strikt moeten worden uitgelegd. Met reden merkte advocaat-generaal Thijs in zijn conclusie bij het arrest van het Hof van Cassatie van 19 januari 2007 op dat voormelde door het Hof van Cassatie aangenomen interpretatie een aantal gevaren in zich draagt. Niet alleen brengt het miskennen van de in artikel 6 van voornoemde wet van 24 december 1996 voorgeschreven procedure in geval van ambtshalve vestiging van de aanslag de rechten van verdediging van de belastingplichtige in het gedrang. Maar bovendien bestaat het gevaar voor proceduremisbruik, met name indien de verjaring nakende is en de ter zake bevoegde overheid alleen nog tijdig een aanslag kan vestigen door de procedure voorafgaand aan de ambtshalve aanslag over te slaan. De door advocaat-generaal Thijs gesignaleerde gevaren kunnen zich niet voordoen in de interpretatie die het Grondwettelijk Hof aan artikel 6 van de wet van 24 december 1996 geeft. Deze interpretatie was, zoals hiervoor gezegd, dat de terzake bevoegde overheid in rechte niet over de mogelijkheid beschikt om te kiezen voor het al dan niet opleggen van een ambtshalve aanslag (volgens het Grondwettelijk Hof is zij daartoe verplicht), maar dat zij dit de facto wel kan doen door rekening te houden met de inhoud van de laattijdige aangifte bij het opleggen van de ambtshalve aanslag. In deze interpretatie is de terzake bevoegde overheid er immers toe verplicht de in de leden 2 en 3 van artikel 6 uitgewerkte procedure voorafgaand aan de ambtshalve aanslag na te leven, zelfs indien zij de aanslag vestigt volgens de laattijdig overgelegde aangifte. Ten overvloede wijst het hof er nog op dat inmiddels in het Vlaamse Gewest het Decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen (B.S. 4 juli 2008) werd goedgekeurd, waarin in artikel 7, §1, uitdrukkelijk is bepaald dat de ambtshalve aanslag inzake lokale belastingen, naar het voorbeeld van de inkomstenbelasting, een facultatief karakter krijgt.
- De door (de eiseres) voor het Hof van Cassatie ingeroepen grieven, in de zaak die aanleiding heeft gegeven tot het cassatiearrest van 19 januari 2007, overtuigen niet. Uiteraard maakt het laattijdig indienen van de aangifte deze niet absoluut onbestaande. Maar de wet van 24 december 1996 stelt in dat geval de procedure van ambtshalve aanslag (met de daaraan gekoppelde formaliteiten ter bescherming van de belastingplichtige) in werking. De wet voorziet niet in de mogelijkheid voor het terzake bevoegde bestuur om de laattijdige aangifte regelmatig te aanzien voor wat de bepaling van de belastbare grondslag betreft. Hier maakt de eiseres in cassatie een onderscheid tussen de termijn (terzake waarvan de aangifte onregelmatig zou zijn) en de belastbare grondslag (terzake waarvan de aangifte regelmatig zou zijn), onderscheid dat de wet niet maakt.
- Derhalve komt het hof tot het besluit dat de eerste rechter terecht heeft geoordeeld dat (de eiseres), ingevolge het niet-naleven van de in het tweede lid van artikel 6 van de wet van 24 december 1996 bepaalde betekening, (de verweerder) niet de mogelijkheid heeft geboden om zijn opmerkingen schriftelijk voor te dragen conform het derde lid van hetzelfde artikel
- Nu de betekening in kwestie een substantiële regel van de procedure van ambtshalve inkohiering uitmaakt, besliste de eerste rechter terecht dat de niet-naleving ervan de absolute nietigheid van de bestreden aanslag met zich meebracht. Derhalve dient het hoger beroep van appellante te worden afgewezen". Grieven
- Artikel 4 van de wet van 24 december 1996 betreffende de vestiging en de invordering van de provincie- en gemeentebelastingen bepaalt dat voor de bij wege van kohieren ingevorderde belastingen "De kohieren worden vastgesteld en uitvoerbaar verklaard ten laatste op 30 juni van het jaar dat volgt op het dienstjaar door - het college van burgemeester en schepenen voor de gemeentebelastingen". Artikel 6, eerste lid, van voormelde wet bepaalt dat "Indien de belastingverordening voorziet in de verplichting van aangifte, (...) bij gebrek aan aangifte binnen de in de verordening gestelde termijn, of in geval van onjuiste, onvolledige of onnauwkeurige aangifte vanwege de belastingplichtige, de belasting ambtshalve ingekohierd (wordt)". Artikel 6, tweede lid, van voormelde wet schrijft voor dat "Vooraleer wordt overgegaan tot de ambtshalve vaststelling van de belastingaanslag, (...) de overheid die krachtens artikel 4 bevoegd is om het kohier vast te stellen, aan de belastingplichtige, per aangetekend schrijven, de motieven (betekent) om gebruik te maken van deze procedure, de elementen waarop de aanslag is gebaseerd evenals de wijze van bepaling van deze elementen en het bedrag van de belasting". Artikel 6, derde lid, van voormelde wet voegt daar aan toe dat "De belastingplichtige (...) over een termijn (beschikt) van dertig dagen volgend op de datum van verzending van de betekening om zijn opmerkingen schriftelijk voor te dragen".
- De vestiging van een aanslag inzake directe belastingen raakt de openbare orde, zodat het bevoegd bestuur van deze verplichting niet kan afzien en verplicht is de aanslag in te kohieren. Deze verplicht gestelde handeling geschiedt steeds door het bevoegde bestuur uit hoofde van de macht daartoe aan haar ambt zelf verleend. Elke aanslag wordt dan ook ambtshalve ingekohierd, in de zin dat hij het werk is van het bevoegd bestuur. Van zodra voor het vestigen van de aanslag beroep wordt gedaan op de medewerking van de belastingplichtige, door hem o.m. een aangifteverplichting op te leggen, blijft het bestuur onverminderd verplicht de aanslag in te kohieren ondanks het feit dat de belastingplichtige verzuimd heeft correct aan de aan hem opgelegde verplichtingen gevolg te verlenen. Het bestuur moet immers in uitvoering van haar verplichting ook tot een juiste belastingheffing kunnen overgaan, wanneer de belastingplichtige helemaal geen of onvoldoende medewerking verleent bij het bepalen van de belastbare grondslag. In de mate artikel 6, eerste lid, van voormelde wet stelt dat "Indien de belasting-verordening voorziet in de verplichting van aangifte, (...) bij gebrek aan aangifte binnen de in de verordening gestelde termijn, of in geval van onjuiste, onvolledige of onnauwkeurige aangifte vanwege de belastingplichtige, de belasting ambtshalve (wordt) ingekohierd", wordt daarmee ten opzichte van de belastingplichtige op affirmatieve wijze er enkel aan herinnerd dat de aanslag ondanks zijn verzuim toch wordt ingekohierd, zodat hij er niet moet op rekenen dat zijn verzuim het bestuur in de onmogelijkheid plaatst de juiste belastbare grondslag te bepalen. Wanneer de belastbare grondslag, wegens het verzuim van de belastingplichtige niet kan vastgesteld worden op de door hem verstrekte gegevens, zal het bestuur in deze leemte voorzien en zelf die grondslag vaststellen door hem op te sporen en te waarderen. Het is deze verrichting die in artikel 6, tweede lid, van voormelde wet wordt omschreven als het "overgegaan tot de ambtshalve vaststelling van de belastingaanslag" door het bevoegde bestuur. Aldus verschijnt de "ambtshalve inkohiering", die bestaat uit de "vaststelling van de belastingaanslag", als een andere wijze waarop de belasting door het bevoegde bestuur wordt bepaald, teneinde over het verzuim van de belastingplichtige heen te kunnen stappen. Het enkel feit dat een aangifte laattijdig werd ingediend heeft verder niet tot gevolg dat deze enkele onregelmatigheid die aangifte absoluut onbestaande maakt, zodat het bevoegde bestuur op grond daarvan de belastingaanslag kan vestigen. Zo verhindert niets het bevoegde bestuur de belasting te vestigen op grond van de gegevens verstrekt door de belastingplichtige zelf in zijn aangifte, welke enkel onregelmatig is qua termijn. M.a.w. niets sluit uit dat het bestuur een laattijdige aangifte als regelmatig aanziet voor wat betreft de bepaling van de belastbare grondslag op de door de belastingplichtige verstrekte gegevens. In dat geval heeft de bescherming van de belastingplichtige voorzien in artikel 6, tweede en derde lid, van voormelde wet, die bepalen dat de belastingplichtige zijn opmerkingen schriftelijk kan voordragen binnen dertig dagen na de betekening door het bevoegde bestuur van de door haar ambtshalve vastgestelde belastbare grondslag, geen reden van bestaan, gezien in dat geval die grondslag bepaald werd op een wijze die niet afwijkt van de aangifte.
- Uit de samenhang van voormelde aangehaalde bepalingen volgt noodzakelijk dat de ter zake bevoegde overheid over de mogelijkheid beschikt te oordelen dat er motieven bestaan om bij gebrek aan aangifte binnen de gestelde termijn toch niet de belasting van ambtswege te vestigen, met name omdat het mogelijk is de aanslag alsnog te vestigen op grond van een laattijdige aangifte.
- Hieruit volgt dat het bestreden arrest onwettig beslist dat "Nu de betekening in kwestie (nl. de voorafgaandelijke kennisgeving van aanslag van ambtswege voorzien in het aangehaald artikel 6, tweede lid) een substantiële regel van de procedure van ambtshalve inkohiering uitmaakt, besliste de eerste rechter terecht dat de niet-naleving ervan de absolute nietigheid van de bestreden aanslag met zich meebracht", omdat "(...) de terzake bevoegde overheid er immers toe verplicht is de (...) procedure voorafgaand aan de ambtshalve aanslag na te leven, zelfs indien zij de aanslag vestigt volgens de laattijdig overgelegde aangifte", terwijl de eiseres niet altijd verplicht is die procedure voorzien in artikel 6, tweede en derde lid, van de aangehaalde wet van 24 december 1996 toe te passen, maar van de ambtshalve vaststelling van de belastingaanslag vermag af te zien door het bestaan van de laattijdige aangifte aan te nemen en de belasting te vestigen op een wijze die niet afwijkt van die aldus als bestaand aanzien zijnde aangifte, hetgeen het verzenden bij aangetekende brief van een kennisgeving van aanslag van ambtswege overbodig maakt (schending van de aangehaalde artikelen 4, 5 en 6 van de wet van 24 december 1996 betreffende de vestiging en de invordering van de provincie- en gemeentebelastingen). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
- De beslissing waartegen het middel is gericht is niet verenigbaar met het verwijzingsarrest van 19 januari
- Dit middel heeft dezelfde draagwijdte als het in dat arrest beoordeelde middel. De zaak moet bijgevolg worden onderzocht door de verenigde kamers van het Hof.
- Artikel 6, eerste, tweede en derde lid, van de wet van 24 december 1996 betreffende de vestiging en de invordering van de provincie- en gemeente-belastingen bepaalt: "Indien de belastingverordening voorziet in de verplichting van aangifte, wordt, bij gebrek aan aangifte binnen de gestelde termijn, of in geval van onjuiste, onvolledige of onnauwkeurige aangifte vanwege de belastingplichtige, de belasting ambtshalve ingekohierd. Vooraleer wordt overgegaan tot de ambtshalve vaststelling van de belastingaanslag, betekent de overheid die krachtens artikel 4 bevoegd is om het kohier vast te stellen, aan de belastingplichtige, per aangetekend schrijven, de motieven om gebruik te maken van deze procedure, de elementen waarop de aanslag is gebaseerd evenals de wijze van bepaling van deze elementen en het bedrag van de belasting. De belastingplichtige beschikt over een termijn van dertig dagen volgend op de datum van verzending van de betekening om zijn opmerkingen schriftelijk voor te dragen."
- Uit voormelde bepalingen volgt dat wanneer de belastingplichtige zijn aangifteplicht niet nakomt omdat de aangifte niet tijdig wordt ingediend, dan wel onjuist, onvolledig of onnauwkeurig is, de overheid de mogelijkheid heeft om vooralsnog tot inning van de belasting over te gaan door middel van een aanslag van ambtswege. Wanneer de overheid hiertoe overgaat, is zij gehouden de in voormeld artikel 6, tweede lid, bepaalde procedure na te leven teneinde het recht van verdediging van de belastingplichtige te vrijwaren. Dit recht van verdediging wordt geëerbiedigd wanneer de bevoegde overheid er zich toe beperkt de aanslag te vestigen overeenkomstig de aangifte die niet tijdig werd ingediend.
- Hieruit volgt dat die overheid gerechtigd is te beslissen dat er in dat geval geen redenen zijn om de aanslag ambtshalve te vestigen.
- De appelrechter die oordeelt dat de eiseres, gelet op de laattijdigheid van de aangifte, niet vermocht vooralsnog de aanslag te vestigen op basis van de door de verweerder verstrekte gegevens maar gehouden was de belasting ambtshalve in te kohieren, schendt de in het middel aangewezen wetsbepalingen. Het middel is gegrond. Dictum Het Hof, verenigde kamers, Vernietigt het bestreden arrest. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de uitspraak daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Gent. Zegt dat, krachtens artikel 1120 van het Gerechtelijk Wetboek, genoemd rechtscollege zich moet voegen naar de beslissing betreffende het door het Hof beslechte rechtspunt. PDF document ECLI:BE:CASS:2010:AVIS.20100311.9 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100311.9 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20101021.8 ECLI:BE:CASS:2011:CONC.20110127.12 ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231109.1N.1 ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260130.1F.4 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101015.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div