← België

ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100114.3

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 14 januari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100114.3 Rolnummer: F.08.0090.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht - Insolventierecht Invoerdatum: 2010-02-02 Raadplegingen: 171 - laatst gezien 2026-07-02 21:14 Versie(s): Vertaling FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100114.3 Fiches 1 - 2 De verschoonbaarverklaring treft enkel de eigen schulden van de gefailleerde; het gedeelte van de aanslag dat betrekking heeft op het belastbaar inkomen van de belastingplichtige echtgenoot van de gefailleerde is geen eigen schuld van de gefailleerde, ook al kan deze schuld krachtens artikel 394, § 1, W.I.B.

(1992), worden verhaald op zowel het gemeenschappelijk vermogen als op de eigen goederen van de beide echtgenoten, zodat de verschoonbaarverklaring van de gefailleerde niet tot gevolg heeft dat voor deze schuld geen verhaal meer mogelijk is op de eigen goederen van de belastingplichtige echtgenoot
(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - RECHTEN, TENUITVOERLEGGING EN VOORRECHTEN VAN DE SCHATKIST UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE - Faillissement - Gevolgen - Verbintenissen FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING -VESTIGING EN INVORDERING - Invordering belasting - Algemeen Vrije woorden: Belasting verhaald op het eigen vermogen van de andere echtgenoot - Faillissement - Verschoonbaarverklaring Wettelijke bepalingen: Wetboek van Inkomstenbelastingen - 12-06-1992 - Art. 394, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1992003455 Wet - 08-08-1997 - Art. 82, eerste lid Thesaurus CAS: FAILLISSEMENT, FAILLISSEMENTSAKKOORD EN GERECHTELIJK AKKOORD - ALLERLEI UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE - Faillissement - Gevolgen - Verbintenissen FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING -VESTIGING EN INVORDERING - Invordering belasting - Algemeen Vrije woorden: Verschoonbaarverklaring Wettelijke bepalingen: Wetboek van Inkomstenbelastingen - 12-06-1992 - Art. 394, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1992003455 Wet - 08-08-1997 - Art. 82, eerste lid Fiches 3 - 4 Conclusie van advocaat-generaal THIJS. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - RECHTEN, TENUITVOERLEGGING EN VOORRECHTEN VAN DE SCHATKIST UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE - Faillissement - Gevolgen - Verbintenissen FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING -VESTIGING EN INVORDERING - Invordering belasting - Algemeen Vrije woorden: Belasting verhaald op het eigen vermogen van de andere echtgenoot - Faillissement - Verschoonbaarverklaring Thesaurus CAS: FAILLISSEMENT, FAILLISSEMENTSAKKOORD EN GERECHTELIJK AKKOORD - ALLERLEI UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE - Faillissement - Gevolgen - Verbintenissen FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING -VESTIGING EN INVORDERING - Invordering belasting - Algemeen Vrije woorden: Verschoonbaarverklaring Tekst van de conclusie PARKET VAN HET HOF VAN CASSATIE _____ F.08.0090.N Conclusie van advocaat-generaal Dirk THIJS: I. De feiten en procedurevoorgaanden. Bij vonnis van 26 november 2003 van de Rechtbank van Koophandel te Dendermonde werd de echtgenoot van verweerster failliet verklaard. Bij vonnis van 28 juni 2004 van diezelfde rechtbank werd hij verschoonbaar verklaard. Op 2 maart 2005 legde eiser uitvoerend beslag op de roerende goederen van de verweerster die feitelijk gescheiden leefde van haar echtgenoot. De fiscale schuld waarvoor beslag werd gelegd had betrekking op een aanslag in de personenbelasting voor het aanslagjaar 2003 (inkomsten 2002), gevestigd op naam van beide echtgenoten, doch beperkt tot het aandeel van de verweerster in de personenbelasting, te weten een bedrag van 3.050,51 euro , zijnde de belastingen gevestigd op haar eigen beroepsinkomsten. Op 21 maart 2005 tekende verweerster verzet aan tegen het uitvoerend beslag argumenterend dat de verschoonbaarheid van de gefailleerde ook zijn echtgenoot bevrijdt zodat de verschuldigde personenbelasting, die een gemeenschappelijke schuld uitmaakt waarvan aangifte was gedaan in het faillissement, door de verschoonbaarheid volledig teniet was gegaan. Bij beschikking van 17 oktober 2006 van de Beslagrechter bij de Rechtbank van Eerste Aanleg te Dendermonde werd dit verzet ongegrond verklaard. Volgens de beslagrechter heeft de verschoonbaarheid van verweersters echtgenoot niet de kwijtschelding tot gevolg van het aandeel van de verweerster in de personenbelasting m.b.t. haar eigen inkomsten. Op 29 november 2006 tekende verweerster bij verzoekschrift hoger beroep aan tegen deze beschikking. Bij het bestreden arrest van 30 oktober 2007 deed het Hof van Beroep te Gent de beschikking teniet en oordeelde dat de gevolgen van de verschoonbaarheid zich eveneens uitstrekken tot de gemeenschappelijke schulden in hun totaliteit, waaronder de fiscale schuld in kwestie, zodat ook verweerster hiervan was bevrijd en haar verzet tegen het uitvoerend beslag op roerend goed ontvankelijk en gegrond is. II. De voorziening in cassatie. 1. In het enig middel tot cassatie voert eiser onder meer aan dat de appelrechters de artikelen 82 van de Faillissementswet en 394 W.I.B.
(1992)hebben geschonden door te oordelen dat verweerster, ingevolge de verschoonbaarheid van haar gefailleerde echtgenoot, bevrijd was van de betaling van haar aandeel in de nog verschuldigde en door het faillissement niet vereffende personenbelasting voor het aj.
  1. Deze zaak betreft de gevolgen van de verschoonbaarheid van de gefailleerde voor de verhaalsmogelijkheid van de fiscus betreffende het eigen aandeel van de echtgenoot van de gefailleerde in de nog verschuldigde en door het faillissement niet vereffende personenbelasting. De verhaalsmogelijkheid van de fiscus ingeval van een gemeenschappelijk aanslag gevestigd op naam van beide echtgenoten wordt geregeld door artikel 394 WIB92 en niet door de artikelen 1414 en 1439 tot 1441 van het Burgerlijk Wetboek (Cass., 8 juni 2006, A.R. nrs. F.04.0035.N en F.05.0074.N, www.cass.be). Krachtens artikel 394, § 1, W.I.B.
(1992), zoals in casu van toepassing, mogen de belasting of het gedeelte van de belasting in verband met het belastbare inkomen van een van de echtgenoten en de op zijn naam ingekohierde voorheffing, ongeacht het aangenomen huwelijksvermogensstelsel of ongeacht de notariële overeenkomst waarin de wettelijke samenwoning wordt geregeld, op al de eigen en de gemeenschappelijke goederen van beide echtgenoten worden verhaald. Zulks impliceert dat een gemeenschappelijke aanslag in de personenbelasting steeds opgesplitst wordt in een gedeelte voor de man en in een gedeelte voor de vrouw in functie van hun onderscheiden inkomsten (definitief passief). In beginsel zijn beide belastingen verhaalbaar op alle eigen en gemeenschappelijke goederen van de beide echtgenoten (voorlopig passief). Enkel de eigen goederen waarvan de echtgenoot kan aantonen dat ze van onverdachte oorsprong zijn, kunnen worden onttrokken aan de invordering van de belasting die is vastgesteld in verband met de eigen inkomsten van de andere echtgenoot (zie artikel 394, §1, lid 2, W.I.B.
(1992)).
  1. Krachtens het ten deze toepasselijk artikel 82, eerste lid, van de Faillissementswet, kan de gefailleerde die verschoonbaar wordt verklaard, niet meer vervolgd worden door zijn schuldeisers. De echtgenoot van de gefailleerde die persoonlijk aansprakelijk is voor de schuld van deze laatste, wordt ingevolge de verschoonbaarheid bevrijd van die verplichting overeenkomstig het tweede lid van dat artikel.
  2. Het Grondwettelijk Hof oordeelde dat artikel 82 van de Faillissementswet, zoals van toepassing sinds de wijziging ervan bij de wet van 4 september 2002, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt doordat de echtgenoot van de verschoonbaar verklaarde gefailleerde krachtens voormelde fiscale bepaling verplicht blijft de belastingschuld van de gefailleerde inzake de personenbelasting en de aanvullende gemeentebelasting te betalen (Grondwettelijk Hof, nr. 78/2004, 12 mei 2004; nr. 6/2005, 12 januari 2005). Deze discriminatie werd verholpen door de wet van 2 februari 2005 waardoor ook de echtgenoot van de gefailleerde die persoonlijk aansprakelijk is voor de schuld van deze laatste, ingevolge de verschoonbaarheid van de gefailleerde, bevrijd wordt van die verplichting.
  3. De regeling van de verschoonbaarheid ex artikel 82 van de Faillissementswet slaat enkel op de eigen schulden van de gefailleerde. Met de eigen fiscale schulden van de gefailleerde worden die belastingschulden beoogd waarvoor het belastbaar feit in hoofde van de gefailleerde is ontstaan. Het gedeelte van de aanslag in de personenbelasting in verband met de eigen belastbare inkomsten van de gefailleerde maakt in zijnen hoofde een eigen fiscale schuld uit die ingevolge de verschoonbaarverklaring onherroepelijk teniet wordt gedaan, zodat het niet meer kan worden verhaald op het gemeenschappelijk vermogen van de echtgenoten, noch op hun eigen vermogen. Het gedeelte van de aanslag in verband met het belastbare inkomen van de niet-gefailleerde, vormt geen eigen schuld van de gefailleerde. Hieraan wordt geen afbreuk gedaan door het gegeven dat bedoeld gedeelte van de aanslag krachtens artikel 394, § 1, W.I.B.
(1992)wel verhaalbaar is op het eigen vermogen van de gefailleerde en op het gemeenschappelijk vermogen dat deel uitmaakt van de failliete boedel.
  1. In zoverre de fiscus, voor het gedeelte van de belastingen vastgesteld op de inkomsten van de niet-gefailleerde echtgenoot, krachtens artikel 394 WIB92 ook verhaal kan instellen op het eigen vermogen van de gefailleerde en op het gemeenschappelijk vermogen, dat deel uitmaakt van de failliete boedel, zal de gefailleerde en het gemeenschappelijk vermogen tengevolge van de verschoonbaarverklaring ook bevrijd zijn van de betaling van de eigen fiscale schulden van de niet-gefailleerde echtgenoot. Het eigen vermogen van de niet-gefailleerde echtgenoot zal daarentegen, zonder enige beperking, verder het voorwerp kunnen uitmaken van het verhaal van de fiscus wat betreft het aandeel van deze echtgenoot in de personenbelasting in verband met zijn eigen inkomsten (B. VANERMEN, «Principes inzake invordering van directe belastingen», in Fiscaal executierecht, E. DIRIX en P. TAELMAN (eds), Intersentia, Antwerpen, 2003, 104, nr.154; M. DEBUCQUOY «De Wet van 20 juli 2005: koppel verschoonbaarheid & bevrijding uit elkaar», T.R.V. 2006, 453, nr.23; Rb. Dendermonde 12 september 2006, R.W. 2006-2007, 1686). Het eigen vermogen van deze niet-gefailleerde echtgenoot behoort niet tot de failliete boedel en ontsnapt aan de gevolgen van de verschoonbaarverklaring. Waar het verhaal van de fiscus aldus beperkt is tot het eigen vermogen van de echtgenoot van de gefailleerde, blijven de inkomsten die de gefailleerde na zijn verschoonbaarheid zal verwerven uit een nieuwe activiteit aldus buiten schot zodat aan de doelstelling van de wet om de gefailleerde een tweede kans te geven wordt voldaan.
  2. Voor de beoordeling van de invorderingsmogelijkheden van de fiscus na verschoonbaarheid vertrekt het bestreden arrest van de kwalificatie van de belastingschuld (gemeenschappelijke aanslag in de personenbelasting) als een gemeenschappelijke schuld. Deze kwalificatie is bepalend voor de verdere redenering die door de appelrechters wordt gevolgd. Volgens het bestreden arrest verandert de schuldsplitsing die ingevolge artikel 394 W.I.B.
(1992)wordt doorgevoerd, niets aan de aard van de schuld, noch maakt het deze gemeenschappelijke schuld tot een eigen schuld van de deelgenoten zodat de uitgesplitste gedeelten in de aanslag het lot van de gemeenschappelijke schulden in het faillissement moeten ondergaan. Aangezien het gemeenschappelijk vermogen van de gefailleerde echtgenoot ingevolge de verschoonbaarheid niet meer kan worden aangesproken, slaat de bevrijding van de echtgenoot van de gefailleerde, volgens de appelrechters, bijgevolg op alle schulden van het gemeenschappelijk vermogen, waaronder de belastingschulden.
  1. Zoals door eiser in de toelichting bij zijn voorziening wordt gepreciseerd, kan deze zienswijze van de appelrechters niet worden gevolgd vermits zij tot de onaanvaardbare conclusie zou leiden dat de professionele schuldeisers van de niet-gefailleerde echtgenoot - welke schulden verhaalbaar zijn op het gemeenschappelijk vermogen en aldus deel uitmaken van de failliete boedel - door de verschoonbaarheid van de gefailleerde hun verhaalsrechten verliezen op het eigen vermogen van de contracterende, niet-gefailleerde echtgenoot. Het faillissement van een onder een gemeenschapsstelsel gehuwde echtgenoot heeft dan tot gevolg dat het faillissement als het ware wordt uitgebreid tot zijn (niet-gefailleerde) echtgenoot, zeker indien die echtgenoot zelf koopman is. Het bestreden arrest breidt de gevolgen van de verschoonbaarheid zodoende uit tot de schulden van de niet-gefailleerde echtgenoot, verhaalbaar op het gemeenschappelijk vermogen, en geeft daardoor een dermate ruime interpretatie aan artikel 82 van de Faillissementswet dat die indruist tegen de ratio legis van dit artikel.
  2. Het Grondwettelijk Hof merkte in dit verband reeds herhaaldelijk op dat de uitbreiding van de gevolgen van de verschoonbaarheid tot de echtgenoot die zich persoonlijk aansprakelijk heeft gesteld voor de schuld van de gefailleerde, werd ingevoerd omdat, in geval van gemeenschap van goederen, de inkomsten van de gefailleerde uit een nieuwe beroepsactiviteit in het gemeenschappelijk vermogen terechtkomen (artikel 1405, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek). Vervolgingen op de goederen van de echtgenoot, ingesteld door de schuldeisers van de gefailleerde, zouden de inkomens van de gefailleerde uit zijn nieuwe activiteiten kunnen raken, wat strijdig zou zijn met het nagestreefde doel (Grondwettelijk Hof, nr 3/2008, 17 januari 2008). De bedoeling van de wetgever bestond erin te vermijden dat het gemeenschappelijk vermogen nog wordt gevat door de schuldeisers van de gefailleerde. Het ligt dus geenszins in de bedoeling van de wetgever om de gevolgen van de verschoonbaarheid uit te breiden tot de eigen schulden van de niet-gefailleerde echtgenoot of tot diens schuldeisers. De door het bestreden arrest aangehaalde arresten van het Grondwettelijk Hof zijn in casu niet relevant, nu zij uitsluitend de schulden betreffen van de gefailleerde of de verbintenissen van de echtgenote ten gunste van (de schulden van) de gefailleerde en dus niet handelen over de schulden van de echtgenote zelf.
  3. Het bestreden arrest schendt bijgevolg artikel 82 van de Faillissementswet en artikel 394 W.I.B.
(1992)in de mate waarin de appelrechters het aandeel in de personenbelasting van de niet-gefailleerde echtgenoot kwalificeren als een gemeenschappelijke schuld die de gevolgen van de verschoonbaarheid moet ondergaan én de invorderingsmogelijkheid van dat aandeel op de eigen goederen van de belaste niet-gefailleerde echtgenote uitsluiten. Het middel komt mij dan ook gegrond voor. Besluit: VERNIETIGING. ARRES Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100114.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.