← België

ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100114.7

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 14 januari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100114.7 Rolnummer: C.08.0082.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Handelsrecht Invoerdatum: 2010-02-02 Raadplegingen: 353 - laatst gezien 2026-07-02 21:14 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100114.7 Fiche 1 Noch de omstandigheid dat de redelijke opzeggingstermijn, waarop de concessiehouder recht heeft in geval eenzijdige beëindiging van een voor onbepaalde tijd verleende concessie van alleenverkoop, bepaald wordt bij de opzegging van het contract, noch de billijkheid waardoor de rechter zich moet laten leiden, beletten dat hij, bij de raming van de redelijke opzeggingstermijn, rekening houdt met alle elementen waarover hij op het tijdstip van zijn beslissing beschikt; de rechter oordeelt onaantastbaar in feite of een bepaald element, waarover hij op het tijdstip van zijn beslissing beschikt en dat dateert van na de opzegging van het contract, een effectieve weerslag dient te hebben op de raming naar billijkheid van de redelijke opzeggingstermijn

(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: KOOP UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - TUSSENPERSONEN (HANDEL) - Concessie Vrije woorden: Concessie van alleenverkoop voor onbepaalde duur - Eenzijdige beëindiging - Opzeggingsvergoeding - Berekening - In aanmerking te nemen referentieperiode Wettelijke bepalingen: Wet - 27-07-1961 - Art. 2 Fiche 2 Bij ontstentenis van een redelijke opzeggingstermijn moet de concessiegever een vergoeding betalen ter compensatie van de schade die de concessiehouder ingevolge die ontoereikende opzeggingstermijn lijdt; wanneer een partij de concessie beëindigt met een ontoereikende opzeggingstermijn, kan de rechter, in geval van betwisting, die partij enkel veroordelen tot de betaling van een vergoeding ter compensatie van de schade geleden ingevolge die ontoereikende opzeggingstermijn, nu de verplichting tot betaling van dergelijke opzeggingsvergoeding geen autonome contractuele verbintenis is, maar een verbintenis die in de plaats treedt van de niet-nagekomen contractuele verbintenis een redelijke opzeggingstermijn in acht te nemen
(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: KOOP UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - TUSSENPERSONEN (HANDEL) - Concessie Vrije woorden: Concessie van alleenverkoop voor onbepaalde duur - Eenzijdige beëindiging - Opzeggingsvergoeding - Verplichting tot betaling - Aard van de verbintenis Wettelijke bepalingen: Wet - 27-07-1961 - Art. 2 Fiches 3 - 4 Conclusie van advocaat-generaal THIJS. Thesaurus CAS: KOOP UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - TUSSENPERSONEN (HANDEL) - Concessie Vrije woorden: Concessie van alleenverkoop voor onbepaalde duur - Eenzijdige beëindiging - Opzeggingsvergoeding - Berekening - In aanmerking te nemen referentieperiode Concessie van alleenverkoop voor onbepaalde duur - Eenzijdige beëindiging - Opzeggingsvergoeding - Verplichting tot betaling - Aard van de verbintenis Tekst van de conclusie PARKET VAN HET HOF VAN CASSATIE _____ C.08.0082.N Conclusie van advocaat-generaal Dirk THIJS: Feitelijke omstandigheden en retro-acten
  1. Feiten Honda Belgium NV en de heer M. sluiten op 24 oktober 1991 een concessieovereenkomst waarbij aan de heer M. (verweerder) het exclusieve verkooprecht van wagens van het merk Honda over het grondgebied van de gemeenten Deinze, Sint-Martens-Latem, Nazareth en Nevele te verdelen. De aanvankelijke overeenkomst van vier jaar wordt bij gebrek aan opzegging van onbepaalde duur. Op 1 oktober 1999 neemt Honda Motor Europe North Gmbh (eiseres) alle rechten en plichten over van Honda Belgium NV. Op 1 juni 2001 beëindigt de eiseres de concessieovereenkomst eenzijdig met een opzeggingstermijn van 15 maanden, ingaande op 5 juni 2001 (dus tot 5 september 2002). De verweerder is het daar niet mee eens; hij stelt aanspraak te maken op een vervangende opzeggingsvergoeding en daarenboven op een bijkomende billijke vergoeding, conform art. 2 resp. art. 3 Wet Concessie Alleenverkoop. Deze aanspraak wordt door de eiseres van de hand gewezen. Net voor het einde van de toegestane - doch betwiste - opzeggingstermijn van 15 maanden, blijkt de verweerder reeds een andere concessie van alleenverkoop, ditmaal van MG en Landrover, te hebben aangegaan.
  2. Procedureverloop In graad van beroep oordeelt het Hof van Beroep te Brussel dat de toegekende opzeggingstermijn van 15 maanden wat aan de korte kant is, en is van mening dat 20 maanden, alle omstandigheden in aanmerking nemend, redelijker is. Het argument van de eiseres dat de verweerder reeds na 15 maanden (de toegekende opzeggingstermijn) een andere concessie uitbaatte, vindt geen genade in de ogen van het Hof van Beroep. Het Hof stelt dat het best mogelijk is dat de rechter, zich plaatsend op het ogenblik van het opzeggen van de concessie (dus vooraleer de nieuwe concessie werd gevonden), naar billijkheid oordelend en rekening houdend met alle elementen (ook het feit dat later een andere concessie werd gevonden), een redelijke opzegtermijn toekent die langer is dan de periode die de opgezegde concessionarishouder nodig had om een nieuwe concessie te vinden. Bovendien, zo vindt het Hof, zegt het vinden van een nieuwe concessie niets over de gelijkwaardigheid van die concessie met de oude. Het hof van beroep stelt daarbij als principe voorop dat "bij het bepalen van de (litigieuze) vergoeding geen rekening kan worden gehouden met de winst die de concessiehouder mogelijks uit een andere concessie zou hebben behaald tijdens de door de rechter bepaalde ontbrekende opzeggingstermijn". Het Hof kent op diegrond een vergoeding toe die overeenkomt met een bijkomende opzegtermijn van 5 maanden en vier dagen. Kernvraag. Voorliggende zaak betreft de toepassing van artikel 2 van de Alleenverkoopconcessiewet. Dit artikel stipuleert dat wanneer de concessie door één der partijen eenzijdig wordt beëindigd zonder reden (dwz anders dan ingeval van grove fout), er een redelijke opzeggingstermijn of een billijke vergoeding verschuldigd is, die door de partijen zal worden bepaald bij de opzegging van het contract. Zijn de partijen het niet eens, zo vervolgt artikel 2 in haar tweede lid, dan doet de rechter uitspraak naar billijkheid. De rechtsvraag die dit dossier aan de orde stelt, betreft de vraag of de rechter een vergoeding mag toekennen, die overeenkomt met een opzegperiode die de werkelijke periode die de concessiehouder nodig had om een andere concessie te vinden, overstijgt. Daartoe moet nagegaan worden wat de aard van de door de rechter toegekende vergoeding is. Analyse.
  3. Beginsel Artikel 2 van de Wet van 27 juli 1961 betreffende eenzijdige beëindiging van de voor onbepaalde tijd verleende concessies van alleenverkoop1 bepaalt dat, wanneer één der partijen een voor onbepaalde tijd verleende concessie van alleenverkoop zonder aanwijzing van reden beëindigt2, een redelijke opzeggingstermijn moet worden verleend en dat, bij gebreke daaraan, een bedrag tot vergoeding van de voordelen van een opzegging moet worden toegekend, waarbij rekening wordt gehouden met het verlies van die voordelen
  4. In beginsel dienen partijen onderling, op het ogenblik van de opzegging, tot een vergelijk te komen over de toe te kennen opzegtermijn of, ingeval er niet wordt geopteerd voor uitvoering in natura4, de toe te kennen (billijke) vergoeding. Als de partijen er niet uit raken, beslist de rechter naar billijkheid of naar de geldende gebruiken5 De rechter kan evenwel géén opzegtermijn opleggen, nu hij partijen niet kan dwingen om hun verbintenissen in natura te voldoen, doch enkel een vergoeding ter vervanging van die opzegtermijn
  5. De wet spreekt zich niet duidelijk uit over het tijdstip waarop de rechter zich moet plaatsen om die vergoeding te begroten en welke elementen hij mag, moet of niet mag laten meespelen in zijn oordeel over de hoegrootheid van die vergoeding.
  6. Vraagstelling De vraag rijst of die vergoeding een schadevergoeding, voortvloeiend uit een fout uitmaakt, dan wel of die vergoeding louter een wettelijk alternatief vormt voor de toe te kennen opzegtermijn
  7. Uit het antwoord op die vraag zal noodzakelijkerwijze voortvloeien in welke mate de rechter in zijn oordeel aan banden wordt gelegd door de concrete situatie van beide partijen en hun wedervaren na de opzegging
  8. Er zijn argumenten pro en contra voor elk van de twee standpunten, argumenten die mede gekleurd kunnen worden door beleidskeuzes die men maakt. Immers, het Belgisch systeem van afwikkeling van beëindigde alleenverkoopovereenkomsten van onbepaalde duur, is één van de meest gunstigste voor de concessiehouder van heel Europa
  9. Ook binnen het Belgische bestel vormt de concessiehouder een buitenbeentje. Zijn bescherming sluit aan bij deze die normaliter wordt voorbehouden voor werknemers, hoewel hij uiteraard over een grote mate van zelfstandigheid beschikt ten aanzien van de concessiegever. Zeker in vergelijking met een agent, die als zelfstandige optreedt in naam en voor rekening van zijn opdrachtgever, doet het feit dat de bescherming van de zelfstandig in eigen naam en voor eigen rekening optredende concessiehouder ruimer is dan die van genoemde agent, wenkbrauwen fronsen
  10. Sommigen zijn dan ook van mening dat de bepalingen van de Alleenverkoopwet door de rechtspraktijk (zo) eng (mogelijk) dienen te worden geïnterpreteerd, om aldus niet alleen enige logica in de interne rechtsorde te brengen wat de bescherming van beëindigde tussenpersonen betreft, maar ook om aansluiting te zoeken met de overige Europese rechtstelsels, die heel wat minder gul zijn op het vlak van opzegtermijnen en -vergoedingen. Anderzijds kan men er niet omheen dat de bestaande Belgische rechtspraktijk de wet traditioneel zodanig invult dat de beëindigde concessiehouder een goede bescherming wordt geboden
  11. Hiervan afwijken breekt met een beleidslijn die reeds enkele decennia wordt gevolgd.
  12. Eerste stelling: de door de rechter bepaalde vergoeding is een schadevergoeding voor een begane fout 3.1 - De eenzijdige opzegging: recht of fout? De eerste vraag die men dient te beantwoorden, is welke gedraging van de concessiegever kan aangemerkt worden als een fout, die aanleiding geeft tot schadevergoeding. Men is het erover eens dat de billijke vergoeding in geen geval als een schadevergoeding kan worden aanzien voor de fout bestaande uit de eenzijdige opzegging
  13. Immers, wanneer het gaat over een contract van onbepaalde duur, zoals i.c. het geval, is de opzegging van een contract een recht van elk van de partijen
  14. Een en ander vloeit voort uit het beginsel dat niemand voor het leven kan gehouden zijn
  15. Het uitoefenen van dat recht op zich, kan dus bezwaarlijk worden aangemerkt als een fout, die aanleiding geeft tot schadevergoeding. 3.2 - De onvoldoende opzegtermijn Voorstanders van het schadevergoedingsmodel houden voor dat de billijke vergoeding die door de rechter wordt toegekend, een schadevergoeding uitmaakt van de fout van de opzeggende partij om een voldoende lange opzegtermijn te geven
  16. Hun redenering komt erop neer dat de wettelijke verplichtingen tot het geven van een redelijke opzeggingstermijn of van een billijke vergoeding, zoals neergelegd in artikel 2 van de Alleenverkoopwet, geacht worden deel uit te maken van het contract, zodat miskenning van deze contractuele verbintenissen een contractuele fout16 oplevert met aansprakelijkheid en vergoeding van alle vaststaande en voorzienbare schade tot gevolg. 3.3 - Gevolgen van de kwalificatie als fout van de onvoldoende opzegtermijn Bij gebreke aan een afwijkende wettelijke bepaling in de Alleenverkoopconcessiewet, heeft de kwalificatie als (contractuele) fout tot gevolg dat de gemene regelen inzake schade en schadeloosstelling ten dezen spelen
  17. Dat betekent dat de rechter zich bij de begroting van de schade zo dicht mogelijk bij het tijdstip van het effectieve herstel van de schade moet plaatsen en m.a.w. de schade moet begroten op het tijdstip van de uitspraak, eerder dan op het tijdstip van het zich voordoen van het schadeverwekkend feit. Een en ander vloeit voort uit de verplichting om de schade zo volledig mogelijk te vergoeden
  18. Aldus dient rekening gehouden te worden met feiten die zich na de beëindiging van de concessie met onvoldoende opzegtermijn hebben voorgedaan. Daarnaast moet de rechter in concreto oordelen19, en dus rekening houden met latere gebeurtenissen die van aard zijn om de schade te beïnvloeden. Zo zal het vinden en uitoefenen van een nieuwe handelsactiviteit met zich meebrengen dat de voormalige concessiehouder vanaf dat ogenblik geen schade meer lijdt, zodat de rechter gebonden is door dit gegeven bij het bepalen van de vergoeding die de ontbrekende periode van opzegtermijn zal compenseren. Omgekeerd daarover oordelen zou betekenen dat de rechter meer vergoedt dan de werkelijk geleden schade, wat in strijd is met de principes van schade en schadeloosstelling
  19. Tweede stelling: de door de rechter bepaalde vergoeding is geen (buiten)contractuele schadevergoeding 4.1 - Voorstelling Een andere opvatting gaat uit van een meer letterlijke interpretatie van de tekst van artikel 2 van de Alleenverkoopwet. Daarbij wordt opnieuw onderstreept dat het eenzijdig opzeggen, zonder (grove) fout in hoofde van één der medecontractanten, geen fout, maar integendeel een recht uitmaakt
  20. Vervolgens wordt in deze opvatting bijzondere aandacht besteed aan het tweede lid van artikel 2 Alleenverkoopwet. Het artikel stipuleert immers in zijn eerste lid dat de partijen in onderling overleg een opzegtermijn, dan wel een billijke vergoeding overeenkomen
  21. Pas wanneer zij niet tot een vergelijk komen, zo stelt het tweede lid van artikel 2, doet de rechter uitspraak naar billijkheid. Men kan daaruit afleiden dat de rechter, die uitspraak doet naar billijkheid, zich in de plaats stelt van de partijen, die niet tot een vergelijk kunnen komen
  22. Echter, nu die rechter (onwillige) partijen niet kan dwingen in een onwerkzame relatie te blijven, kan hij niet beslissen tot een 'redelijke opzegtermijn', maar dient hij noodzakelijkerwijze gebruik te maken van de door de wet in haar eerste lid voorziene 'billijke vergoeding'
  23. De door de rechter bepaalde vergoeding is dus géén schadevergoeding uit een (contractuele) fout, maar simpelweg de 'billijke vergoeding' uit het eerste lid van artikel 2 Alleenverkoopwet, die hij, bij gebrek aan een akkoord tussen partijen, moet vaststellen. Aldus treedt de rechter, uit kracht van wet, in de plaats van de beide partijen. 4.2 - Gevolgen van deze opvatting Eenvoudig stellen dat de gevolgen van deze opvatting neerkomen op het omgekeerde resultaat als wanneer de door de rechter begrote vergoeding zou neerkomen op een (buiten)contractuele schadevergoeding, gaat evenwel niet op. Het is weliswaar correct dat de rechter, wanneer hij zich in de plaats stelt van de partijen, bij het bepalen van de grootte van de vergoeding, zich moet plaatsen op het tijdstip dat die partijen die vergoeding in beginsel zouden hebben bepaald, zijnde - zo stelt artikel 2, eerste lid Alleenverkoopwet - op het ogenblik van de beëindiging van de concessieovereenkomst
  24. Dit wijkt dus af van het 'ogenblik van de uitspraak', waarop hij zich moet plaatsen wanneer het zou gaan om een (buiten)contractuele schadevergoeding. Dat betekent echter geenszins dat de rechter geen rekening kan en mag houden met feiten die zich na die opzegging hebben voorgedaan. Immers, de rechter dient uitspraak te doen 'naar billijkheid'. Net die billijkheid laat toe dat later optredende elementen mee de billijke vergoeding zullen gaan beïnvloeden, zonder echter - zoals wanneer men zou aanvaarden dat de vergoeding een contractuele schadevergoeding uitmaakt - daardoor gebonden te zijn
  25. Concreet is het dus mogelijk dat een rechter, hoewel hij zich dient te plaatsen op het ogenblik van de eenzijdige opzegging van de alleenverkoopovereenkomst, en dus eerder in abstracto oordeelt, uit het feit dat de opgezegde concessiehouder binnen zeer korte termijn een nieuwe concessie vond en uitbaatte, in concreto afleidt dat de markt waarop de concessiehouder actief is, veel mogelijkheden biedt, zodat een kortere opzegtermijn, en dus een lagere billijke vergoeding, gerechtvaardigd zijn. Anderzijds is de rechter niet verplicht om de opzegtermijn, die de billijke vergoeding zal bepalen, te beperkten tot maximaal de periode tussen de opzeg en het moment waarop de concessiehouder een nieuwe handelsactiviteit uitbaat.
  26. De rechtspraak van het Hof van Cassatie Uw Hof heeft zich al verschillende malen uitgesproken omtrent artikel 2 van de Alleenverkoopwet. Uit deze rechtspraak blijkt m.i. dat Uw Hof de voorkeur heeft gegeven aan de eerste van de hoger besproken stellingen. 5.
  27. In een arrest van 16 mei 2003 (A.R. nr. C.00.0375.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030516.3, A.C., 2003, nr. 300) oordeelde Uw Hof "dat noch de omstandigheid dat de billijke vergoeding waarop de concessiehouder aanspraak kan maken door de partijen wordt bepaald bij de opzegging van het contract, noch de billijkheid die de rechter moet leiden bij zijn uitspraak er aan in de weg staan dat bij de begroting van de vervangende opzeggingsvergoeding de rechter rekening houdt met alle gegevens waarover hij op het ogenblik van zijn uitspraak beschikt; dat hij ook rekening kan houden met de resultaten door de concessiehouder behaald tijdens het jaar waarin de concessie is opgezegd, hierin begrepen de periode van de gegeven opzeggingstermijn, wanneer niet blijkt dat de resultaten na de opzegging werden beïnvloed door de opzegging". (tekstmarkering toegevoegd) Ik kan terzake tevens verwezen naar volgende passus uit mijn schriftelijke conclusie bij dat arrest: "(De in artikel 2 van de Alleenverkoopconcessiewet) bedoelde billijke opzeggingsvergoeding strekt ertoe aan de concessiehouder, aan wie een onvoldoende opzeggingstermijn werd gegeven, onder een geldelijke vorm alle voordelen te verstrekken die de concessiegever haar ingevolge die opzegging heeft ontnomen. De rechtsleer gaat er hierbij van uit dat de billijke vergoeding moet beantwoorden aan de economische waarde die de uitvoering van de redelijke opzeggingstermijn zou hebben vertegenwoordigd, m.a.w. alle voordelen verschaffen die de concessiehouder had kunnen bekomen ingevolge de uitvoering van een redelijke opzeggingstermijn
(27). Voorgehouden wordt dat het bedrag van de billijke vergoeding gelijk moet zijn aan de winst voor belasting, die de concessiehouder zou hebben verwezenlijkt als hij een redelijke opzeggingstermijn zou hebben gekregen, vermeerderd met de algemene kosten die de concessiehouder blijft oplopen met betrekking tot de opgezegde concessie
(28). Bijgevolg zal moeten nagegaan worden welke waarde de concessie voor de concessiehouder vertegenwoordigde tijdens de opzeggingstermijn die de concessiegever in acht genomen heeft of had moeten in acht nemen
(29). In de gevallen (...) waarbij de overeenkomst na de opzegging wordt voortgezet ingevolge het in acht nemen van een bepaalde opzeggingstermijn, zal bij de begroting van het bedrag van de billijke vergoeding bijgevolg rekening moeten gehouden worden met de winst die de concessiehouder haalt uit de voortzetting van het contract tijdens die periode. Tijdens bedoelde periode heeft de concessiehouder immers de voordelen, voortvloeiend uit de overeenkomst, verder kunnen genieten
(30). De vergoeding stemt immers overeen met de voordelen, waarvan de concessiehouder beroofd werd tijdens de duur van de opzeggingstermijn, die hem had moeten worden verzekerd
(31). De toekenning van de billijke opzeggingsvergoeding veronderstelt immers dat de concessiehouder schade lijdt door de beëindiging van de concessie zonder betekening van een opzeggingstermijn. De bewijslast hiervan rust op de concessiehouder die aanspraak maakt op een billijke vergoeding
(32). Doorgaans wordt de vervangende vergoeding door de hoven en rechtbanken bepaald op grond van de winst gerealiseerd in een referentieperiode, die zich voor de opzegging situeert. (...) Uit artikel 2 van de Alleenverkoopwet volgt echter geenszins dat de rechter bij het bepalen van de vergoeding geen rekening zou mogen houden met de in concreto gerealiseerde winst tijdens de voortzetting van de overeenkomst na de datum waarop de opzegging werd gegeven. (...) Indien het recht op vergoeding ontstaat vanaf de betekening van de wil van één der partijen om de overeenkomst te verbreken, dient de schade zelf te worden begroot op een tijdstip dat het effectieve herstel zo dicht mogelijk benadert, te weten dat van de uitspraak, zulks conform de principes, welke gelden inzake contractuele en quasi-delictuele aansprakelijkheid
(33). Dat impliceert dat de rechter bij het begroten van de compensatoire vergoeding rekening zal moeten houden met alle feitelijke concrete gegevens die zich tot dan toe hebben gemanifesteerd
(34). In artikel 2, tweede alinea, van de wet van 27 juli 1961 wordt overigens uitdrukkelijk gepreciseerd dat de rechter uitspraak doet naar billijkheid, indien de partijen het niet eens zijn. Rekening houdende met de diverse elementen van de zaak en de wijze van berekening, voorgesteld door partijen, zal de rechter derhalve de vergoeding bepalen op de wijze die hem het meest billijk blijkt
(35). Zo wordt er aangenomen dat de beslissing over de opzeggingstermijn of -vergoeding wordt beïnvloed door de omstandigheden die zich voordoen na de opzegging, zoals de omstandigheid dat de concessiehouder onvoldoende actief is geweest in het zoeken naar een nieuwe verkoopconcessie dan wel onmiddellijk een nieuwe concessie gevonden heeft
(36). Het zou bovendien niet billijk zijn indien de concessiegever gehouden zou zijn tot betaling van een vergoeding bepaald in functie van een abstract gegeven, te weten de gemiddelde winst gemaakt in een referentieperiode, voorafgaand aan de opzegging, indien blijkt dat de concrete schade beïnvloed werd door feiten die zich na de opzegging hebben voorgedaan, zoals het eigen gedrag van de concessiehouder." (...) 5.
  1. In een arrest van 10 februari 2005 (A.R. nr. C.03.0418.F ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050210.4, A.C., 2005, nr. 84) oordeelde Uw Hof dat het bestreden arrest een juiste toepassing maakte van artikel 2 van de Alleenverkoopconcessiewet. Dat arrest oordeelde inzonderheid, na te hebben vermeld dat de redelijke opzeggingstermijn naar billijkheid moet worden bepaald, "dat het doel van de wetgever erin bestond de concessiehouder de nodige tijd te geven om zijn activiteiten te heroriënteren opdat de beëindiging van de concessie niet tot haar ondergang zou leiden; (dat), bijgevolg, teneinde te voldoen aan het doel van de wet, de redelijke opzeggingstermijn de concessiehouder in staat moet stellen de verbintenissen die hij met derden is aangegaan na te komen en zich een netto-inkomen te verschaffen dat gelijkwaardig is aan het gederfde inkomen, desnoods door een volledige of gedeeltelijke reconversie van zijn activiteiten" en dat "de concessiehouder geen aanspraak kan maken op een opzeggingstermijn die hem in elk geval in staat stelt een andere concessie te vinden die gelijkwaardige gevolgen heeft als de verloren concessie, ongeacht de afloop van die zoektocht." In dat arrest preciseerde Uw Hof tevens "dat de bijkomende vergoeding waarop de concessiehouder (op grond van artikel 3 van de Alleenverkoopconcessiewet) recht heeft, ontstaat en bepaald wordt op het tijdstip van de opzegging van het contract; dat de rechter, om te voldoen aan het door de wet vastgestelde billijkheidscriterium, alle elementen in aanmerking mag nemen waarvan hij kennis heeft op het ogenblik van zijn beslissing, inzonderheid de toestand van de concessiehouder na de beëindiging van het contract." 5.
  2. In een arrest van 7 april 2005 (A.R. nr. C.04.0242.F ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050407.5, A.C., 2005, nr. 209; T.B.H. 2005, 20) herhaalde Uw Hof de regel "dat noch de omstandigheid dat de redelijke opzeggingstermijn waarop de concessiehouder recht heeft, bepaald wordt bij de opzegging van het contract, noch de billijkheid waardoor de rechter zich moet laten leiden, beletten dat hij, bij de raming van de redelijke opzeggingstermijn, rekening houdt met alle elementen waarover hij op het tijdstip van zijn beslissing beschikt." Uw Hof oordeelde in die zaak dat het bestreden arrest artikel 2 van de Alleenverkoopconcessiewet geschonden had door te beslissen dat "de redelijke opzeggingstermijn, in abstracto, beoordeeld moet worden op het ogenblik van de kennisgeving ervan en dat de latere gebeurtenissen dus niet in aanmerking kunnen komen", en daaruit af te leiden dat "het door (eiseres) aangevoerde feit, 'dat er al dan niet voorstellen of onderhandelingen met andere firma's waren meer dan een jaar voor het verstrijken van de opzeggingsperiode', geen enkele weerslag kan hebben op de beslechting van het geschil." 5.
  3. Tevens kan verwezen worden naar het arrest van Uw Hof van 13 februari 2006 (A.R. nr. S.05.0089.F ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060213.7, www. cass.be, met concl. Proc.-gen. J.-F. LECLERCQ) inzake de toepassing van artikel 35, eerste lid, van de Arbeidsovereenkomstenwet, krachtens welke bepaling de partij die de overeenkomst zonder opzegging of voor het verstrijken van de termijn om een dringende reden beëindigt, recht heeft op schadeloosstelling als zij schade lijdt die door de beëindiging van de overeenkomst niet wordt hersteld. De in dat artikel bedoelde schadeloosstelling moet eveneens op dezelfde wijze bepaald worden als in extracontractuele aangelegenheden. Uw Hof stelde in dat arrest als principe voorop dat, "om die schade te ramen, de rechter zich moet plaatsen op het tijdstip van zijn uitspraak en daarbij rekening moet houden met alle omstandigheden van de zaak die het bestaan en de omvang van die schade kunnen beïnvloeden. Hoewel hij geen rekening kan houden met gebeurtenissen die na de schade hebben plaatsgegrepen en die geen verband houden met de onrechtmatige daad of met de schade zelf, moet hij daarentegen rekening houden met de gebeurtenissen die, hoewel ze geen verband houden met de onrechtmatige daad, de daaruit voortvloeiende schade beïnvloeden." Uw Hof oordeelde vervolgens dat "het arrest op grond van de op onaantastbare wijze vermelde omstandigheden heeft kunnen oordelen dat het feit dat eiseres opnieuw werk gevonden had, niet vreemd was aan haar schade, en zijn beslissing bijgevolg naar recht heeft verantwoord". 5.
  4. In het arrest van 4 december 2003
(37)preciseerde Uw Hof dat "de verplichting tot betaling van (een) opzeggingsvergoeding (waarin de Alleenverkoopconcessiewet voorziet) geen autonome contractuele verbintenis is, maar een verbintenis die in de plaats treedt van de niet-nagekomen contractuele verbintenis een redelijke opzeggingstermijn in acht te nemen." Ook hier betreft het bijgevolg een extracontractuele aangelegenheid zodat de rechter de schadevergoeding niet in abstracto doch in concreto moet bepalen rekening houdend met alle elementen waarover hij op het tijdstip van zijn beslissing beschikt, en inzonderheid met alle omstandigheden van de zaak die het bestaan en de omvang van de schade kunnen beïnvloeden. 6. Besluit. De omstandigheid dat de concessiehouder in casu na de beëindiging van de alleenverkoopconcessie vlug een nieuwe concessie heeft gevonden is niet vreemd aan de schade
(38). Het bestreden arrest kan bijgevolg niet worden gevolgd waar het als principe vooropstelt dat de rechter bij het bepalen van de vergoeding ter compensatie van de door hem ontoereikend geachte opzeggingstermijn, geen rekening kan houden met de winst die de concessiehouder mogelijks uit een andere concessie zou hebben behaald tijdens de door de rechter bepaalde ontbrekende opzeggingstermijn. Bijgevolg bestaat er m.i. aanleiding toe het bestreden arrest te vernietigen op grond van het tweede onderdeel van het eerste middel. Besluit: VERNIETIGING. ARREST ________________
(1)Hierna: de Alleenverkoopwet.
(2)C. SUNT, "Art. 2 Alleenverkoopwet.", Bijzondere Overeenkomsten. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Mechelen, Kluwer, losbl. (april 1989), p. 17 e.v.
(3)Cass. 4 dec. 2003, T.B.H., 2005, afl. 1,
(24)25, tweede overweging.
(4)De letterlijke lezing van art. 2 Alleenverkoopwet zou laten vermoeden dat men de keuze heeft tussen een opzegtermijn en een billijke vergoeding (zie ook C. SUNT, "Art. 2 Alleenverkoopwet.", Bijzondere Overeenkomsten. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Mechelen, Kluwer, losbl. (april 1989), p. 17, nr. 1). Nochtans is het geven van een redelijke opzeggingstermijn de regel; de vergoeding wordt pas toegekend bij gebrek aan een opzegtermijn (Cass. 6 nov. 1987, T.B.H., 1988,
(182)183, noot J.-M. NELISSEN-GRADE).
(5)Er bestaan blijkbaar geen 'gebruiken' terzake - zie A. BENOIT-MOURY en D. MATRAY, "Les concessions exclusives de vente. Préavis et indemnités de rupture.", Ann. dr. Liège 1980,
(127)145, nr. 17 en de aldaar aangehaalde rechtspraak.
(6)Een concessieovereenkomst is immers een intuitu personae - overeenkomst, zodat partijen niet kunnen verplicht worden hun samenwerking verder te zetten. De rechter die dit beginsel opzij schuift, grijpt in in de uitvoering van de overeenkomst (Cass. 6 nov. 1987, T.B.H., 1988, 183, noot J.-M. NELISSEN-GRADE).
(7)Anders gesteld: moet de rechter in concreto oordelen of in abstracto? Wanneer het schadevergoedende karakter in de verf wordt gezet, moet uiteraard in concreto worden geoordeeld; wordt het forfaitiare karakter van de vergoeding die in de plaats treedt van de ontbrekende opzegtermijn, dient in abstracto geoordeeld te worden (zie A. DE SCHOUTHEETE, "Détermination in concreto ou in abstracto de l'indemnité de rupture visée à l'article 2 de la loi du 27 juillet 1961.", noot onder Antwerpen, 19 sept. 2002, T.B.H. 2003,
(537)537-538, rnr. 4-7.
(8)Zie infra.
(9)E. MONARD, "Distributie vereist flexibiliteit. Een onredelijke invulling van de redelijkheid?", noot onder Antwerpen, 19 sept. 2002, T.B.H. 2003,
(543)543-544.
(10)Ibid., 544.
(11)Volgens auteur DAELE is de reden te vinden in de wetsgeschiedenis van de Alleenverkoopwet. De grote investeringen die concessies vaak kenmerken en de drang van sommige handelaars om te allen prijze concessiehouder te worden, resulteren vaak - zo vreesde de wetgever - in onevenwichtige contracten, die de concessiegever toelaten om de concessiehouder zonder veel plichtplegingen aan de deur te zetten, hem achterlatend met een schuldenberg wegens een hoop nutteloos geworden investeringen. De wet is erop gericht om dat evenwicht (gedeeltelijk) te herstellen door het aan banden leggen van de contractuele vrijheid van de partijen (K. DAELE, "De contractuele bepaling van een minimum opzeggingstermijn in een overeenkomst inzake alleenverkoop.", noot onder Cass. 27 okt. 2000, T.B.H. 2001,
(458)460, rnr. 7).
(12)P. KILESTE en P. HOLLANDER, "Examen de Jurisprudence (1992-1997). La Loi du 27 juillet 1961 relative à la résiliation unilatérale des concessions de vente exclusive à durée indéterminée.", T.B.H. 1998,
(3)22, rnr 56.
(13)Cass. 9 maart 1973, A.C., 1973,
(671)671.
(14)Men kan het ook aanzien als een exponent van de vrijheid van handel, zoals gewaarborgd door het Decreet D'Allarde (zie Y. VAN COUTER, "Schadebegroting bij de toepassing van artikel 2 van de Wet van 27 juli 1961: "juger selon la raison plutôt que selon les inclinaisons du coeur".", noot onder Cass., 4 dec. 2003, T.B.H. 2005, afl. 1,
(26)28, rnr. 7).
(15)T. FAELLI, "La notion de préavis raisonnable dans la loi du 27 juillet 1961 relative à la résiliation unilatérale des concessions de vente exclusive à durée indéterminée.", noot onder Cass. 10 feb. 2005, T.B.H. 2005, afl. 9,
(924)925; A. BENOIT-MOURY en D. MATRAY, "Les concessions exclusives de vente. Préavis et indemnités de rupture.", Ann. dr. Liège 1980,
(127)155, nr. 25.
(16)De miskenning van een wettelijk voorschrift - het geven van een voldoende opzeggingstermijn - maakt ipso facto een fout uit. VAN COUTER meent dat dit eveneens een extra-contractuele fout uitmaakt (zie Y. VAN COUTER, "Schadebegroting bij de toepassing van artikel 2 van de Wet van 27 juli 1961: "juger selon la raison plutôt que selon les inclinaisons du coeur".", noot onder Cass. 4 dec. 2003, T.B.H. 2005, afl. 1,
(26)30, nr. 11).
(17)Y. VAN COUTER, "Schadebegroting bij de toepassing van artikel 2 van de Wet van 27 juli 1961: "juger selon la raison plutôt que selon les inclinaisons du coeur".", noot onder Cass. 4 dec. 2003, T.B.H. 2005, afl. 1,
(26)31, p. 11.
(18)A. DE SCHOUTHEETE, "Détermination in concreto ou in abstracto de l'indemnité de rupture visée à l'article 2 de la loi du 27 juillet 1961.", noot onder Antwerpen, 19 september 2002, T.B.H. 2003,
(537)541, rnr. 12; E. MONARD, "Beperkt het snel vinden van een nieuwe concessie de rechten op schadevergoeding van de opgezegde concessiehouder?", Liber Amicorum Alfons Vandeurzen, Gent, Mys & Breesch, 1995, p. 148, nr. 5.
(19)Cass. 13 april 1995, A.C., 1995, nr. 201,
(409)409.
(20)Y. VAN COUTER, "Schadebegroting bij de toepassing van artikel 2 van de Wet van 27 juli 1961: "juger selon la raison plutôt que selon les inclinaisons du coeur".", noot onder Cass. 4 dec. 2003, T.B.H. 2005, afl. 1,
(26)33, rnr. 14; A. DE SCHOUTHEETE, "Détermination in concreto ou in abstracto de l'indemnité de rupture visée à l'article 2 de la loi du 27 juillet 1961.", noot onder Antwerpen, 19 sept. 2002, T.B.H. 2003,
(537)542.
(21)M. WILLEMART, S. WILLEMART en C. SMITS, Les concessions de vente en Belgique. Eléments de droit positif, de doctrine et de jurisprudence, Waterloo, Kluwer, 2007, p. 109.
(22)Er wordt herhaald dat het niét gaat om alternatieven van elkaar, in de zin dat partijen een keuze hebben tussen twee gelijkwaardige alternatieven. Het beginsel blijft de uitvoering in natura, m.a.w. een opzegtermijn. Pas wanneer en in zoverre die opzegtermijn niet wordt geëerbiedigd, kan men beroep doen op de billijke vergoeding. Dit vindt men terug in de uitspraak van het Hof van Cassatie dat 'de verplichting tot het betalen van ... [een billijke] opzeggingsvergoeding geen autonome contractuele verbintenis is, maar een verbintenis die in de plaats treedt van de niet-nagekomen contractuele verbintenis een redelijke opzeggingstermijn in acht te nemen' (Cass. 4 dec. 2003, T.B.H., 2005, afl. 1,
(24)25, r.o. 3.
(23)J. MALHERBE, "Les concessions de vente en droit belge et communautaire.", B.R.H. 1973, III,
(53)65.
(24)Cass. 6 nov. 1987, T.B.H., 1988,
(182)183, noot J.-M. NELISSEN-GRADE.
(25)M. WILLEMART, S. WILLEMART en C. SMITS, Les concessions de vente en Belgique. Eléments de droit positif, de doctrine et de jurisprudence, Waterloo, Kluwer, 2007, p. 109; J. MALHERBE, "Les concessions de vente en droit belge et communautaire.", B.R.H. 1973, III,
(53)65.
(26)De rechter oordeelt dus in abstacto, vertrekkende van concrete elementen en corrigeert aldus een naar het forfaitaire neigende oplossing naar de concrete omstandigheden toe in functie van redelijkheid en billijkheid (E. MONARD, "Beperkt het snel vinden van een nieuwe concessie de rechten op schadevergoeding van de opgezegde concessiehouder?", Liber Amicorum Alfons Vandeurzen, Gent, Mys & Breesch, 1995, p. 151, nr. 7.
(27)WILLEMART M. en DESTRYCKER A., De Concessieovereenkomst in België, Kluwer Rechtswetenschappen België, 1996, 65, nr. 70; BENOIT-MOURY A. en MATRAY D., Les concessions exclusives de vente, préavis et indemnité de rupture, Ann. Dr. Liège, 1980, 155, nr. 25; GOOSSENS B., Concessie van alleenverkoop, in Bijzondere overeenkomsten. Commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, IV, Kluwer Rechtswetenschappen België, afl. 40, feb. 1999, 111, nr. 69.
(28)VAN GERVEN W., COUSY H. en STUYCK J., Handels- en economisch recht, deel 1, Ondernemingsrecht, B, Story-scientia, 1989, nr. 557.
(29)BENOIT-MOURY A. en MATRAY D., o.c., 157, nr. 27.
(30)VAN RYN J. en HEENEN J., Principes de droit commercial, IV, Bruylant, Brussel, 1988, 73, nr. 90.
(31)KILESTE P., La concession de vente, in La distribution dans tous ses états, Jeune Barreau, Brussel, 1997, 73, nr. 65.
(32)BOGAERT G. en VAN COUTER Y., Schade en schadebegroting bij de toepassing van artikel 2 van de Wet van 27 juli 1961, in Distributierecht 1987-92, ed. G. BOGAERT en P. MAEYAERT, Kluwer Rechtswetenschappen België, 1994, 209, nr. 12; BRICMONT G. en PHILIPIS J.M., Commentaire des dispositions de droit belge et communautaire, Jeune Barreau, Brussel, 1977, 48, nr. 47.
(33)Zie o.m. Cass. 27 juni 1974, A.C., 1974, 1128, inzake contractuele aansprakelijkheid; Cass. 20 sept. 1979, Pas., 1980, I, 69, met concl. proc.-gen. Dumon inzake de billijke vergoeding verschuldigd bij onteigening; BOGAERT G. en VAN COUTER Y., o.c., 217, nr. 39.
(34)BOGAERT G. en VAN COUTER Y., o.c., 217, nr. 41.
(35)VAN RYN J. en HEENEN J., o.c., 71, nr. 88; MALHERBE J., Les concessions de vente en droit belge et communautaire, B.R.H., 1973, 67.
(36)FORIERS P.A., Le droit commun des intermédiaires commerciaux: courtiers, commissionnaires, agents, in Les intermédiaires commerciaux, Jeune Barreau, Brussel, 1990, 170, nr. 36; MAES B., Recente ontwikkelingen inzake alleenverkoopconcessie en franchising, in Liber amicorum Paul De Vroede, II, Kluwer Rechtswetenschappen België, II, 1994, 1027, nr. 1.4.6.
(37)T.B.H. 2005, afl. 1, p. 24-25, noot Y. VAN COUTER.
(38)Vergelijk met Cass. 13 feb. 2006, supra nr. 5.4. Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100114.7 citeert: ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030516.3 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050210.4 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050407.5 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060213.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.