← België

ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100114.8

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 14 januari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100114.8 Rolnummer: C.08.0330.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige - Internationaal publiekrecht - Handelsrecht Invoerdatum: 2010-02-02 Raadplegingen: 212 - laatst gezien 2026-07-02 21:13 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100114.8 Fiches 1 - 2 Om te beslissen dat een Belgische rechter geen internationale rechtsmacht kan ontlenen aan artikel 635 van het Gerechtelijk Wetboek volstaat het niet vast te stellen dat de verbintenis die ten grondslag ligt aan de vordering buiten België is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd, maar dient er bovendien te worden vastgesteld dat deze verbintenis niet in België is ontstaan

(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: BEVOEGDHEID EN AANLEG - BURGERLIJKE ZAKEN - Algemeen UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BEVOEGDHEID - Territoriale bevoegdheid GERECHTELIJK RECHT - EUROPEES EN INTERNATIONAAL GERECHTELIJK RECHT - Executie en Bevoegdheid - Verordening EG nr. 44/2001 van 22 december 2000 - Rechterlijke bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken - Algemeen HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - TUSSENPERSONEN (HANDEL) - Concessie Vrije woorden: Verweerster zonder woonplaats in België - Belgische rechter - Internationale rechtsmacht - Criteria Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 624, 2° en 635, 3° Wet - 16-07-2004 - zoals van toepassing vóór zijn opheffing bij Huishoudelijk Reglement - 22-12-2000 - Art. 4 Thesaurus CAS: RECHTBANKEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Algemeen UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BEVOEGDHEID - Territoriale bevoegdheid GERECHTELIJK RECHT - EUROPEES EN INTERNATIONAAL GERECHTELIJK RECHT - Executie en Bevoegdheid - Verordening EG nr. 44/2001 van 22 december 2000 - Rechterlijke bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken - Algemeen HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - TUSSENPERSONEN (HANDEL) - Concessie Vrije woorden: Verweerster zonder woonplaats in België - Belgische rechter - Internationale rechtsmacht - Criteria Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 624, 2° en 635, 3° Huishoudelijk Reglement - 22-12-2000 - Art. 4 Fiches 3 - 4 Conclusie van advocaat-generaal THIJS. Thesaurus CAS: BEVOEGDHEID EN AANLEG - BURGERLIJKE ZAKEN - Algemeen UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BEVOEGDHEID - Territoriale bevoegdheid GERECHTELIJK RECHT - EUROPEES EN INTERNATIONAAL GERECHTELIJK RECHT - Executie en Bevoegdheid - Verordening EG nr. 44/2001 van 22 december 2000 - Rechterlijke bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken - Algemeen HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - TUSSENPERSONEN (HANDEL) - Concessie Vrije woorden: Verweerster zonder woonplaats in België - Belgische rechter - Internationale rechtsmacht - Criteria Thesaurus CAS: RECHTBANKEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Algemeen UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BEVOEGDHEID - Territoriale bevoegdheid GERECHTELIJK RECHT - EUROPEES EN INTERNATIONAAL GERECHTELIJK RECHT - Executie en Bevoegdheid - Verordening EG nr. 44/2001 van 22 december 2000 - Rechterlijke bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken - Algemeen HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - TUSSENPERSONEN (HANDEL) - Concessie Vrije woorden: Verweerster zonder woonplaats in België - Belgische rechter - Internationale rechtsmacht - Criteria Tekst van de conclusie PARKET VAN HET HOF VAN CASSATIE _____ C.08.0330.N Conclusies van advocaat-generaal Dirk THIJS:
  1. Het tweede onderdeel werpt de vraag op naar de internationale rechtsmacht van de Belgische rechtbanken om kennis te nemen van de door eiseres in cassatie ingestelde vordering.
  2. Bedoelde vordering werd ingesteld bij dagvaarding van 29 oktober 2002, hetzij na de inwerkingtreding van de Verordening (EG) nr. 44/2001 van de raad betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna kortweg "EG-Verordening"), die van kracht werd op 1 maart
  3. Nu het een vordering betrof die werd ingesteld door een in België gevestigde eiseres tegen een in de Verenigde Staten gevestigde vennootschap, speelt artikel 4 van de EG-Verordening. Op grond van het eerste lid van die bepaling wordt, indien de verweerder geen woonplaats heeft op het grondgebied van een Lid-Staat, de bevoegdheid in elke Lid-Staat geregeld door de wetgeving van die Lid-Staat, onverminderd de artikelen 22 en 23 (het gaat om de gevallen van een bevoegdheidsovereenkomst en de exclusieve bevoegdheidsgronden). Op grond van artikel 4.2 EG-Verordening kan ieder tegen deze verweerder, ongeacht zijn nationaliteit, die op het grondgebied van een Lid-Staat woonplaats heeft, aldaar op dezelfde voet als de eigen onderdanen van die Staat een beroep doen op de bevoegdheidregels die daar van kracht zijn, met name de regels van bijlage I. In die bijlage wordt verwezen - wat België betreft - naar de artikelen 15 BW en 638 Ger.W. Een en ander brengt met zich mee dat - nu we kennelijk niet te maken hebben met een bevoegdheid gesteund op de artikelen 22 en 23 EG-Verordening - het gemeen recht dat op het moment van de inleiding van de vordering bestond, van toepassing is. De desbetreffende regels zijn terug te vinden in de artikelen 635 tot 638 Ger.W.
  4. De bevoegdheidsbetwisting tussen partijen blijkt als volgt te zijn verlopen. Eiseres was tot dagvaarding voor de Belgische rechtbank overgegaan en betoogde dat deze rechtbank internationale rechtsmacht had op grond van artikel 4 van de wet van 27 juli 1961 betreffende de eenzijdige beëindiging van de voor onbepaalde tijd verleende concessies van alleenverkoop. Verweerster in cassatie betwistte evenwel het bestaan van een concessieovereenkomst zodat de bevoegdheidsgrond van artikel 4 niet van toepassing kon zijn. In haar conclusie van 21 september 2006 riep verweerster vervolgens het bestaan van een bevoegdheidsbeding in ten voordele van de rechtbanken van Californië dat ze geldig achtte op grond van artikel 23 EG-Verordening (hetgeen overigens niet correct kan zijn vermits die bepaling slechts de bevoegdheidsbedingen ten voordele van een rechtscollege uit een Lid-Staat beheerst). De geldigheid van dat bevoegdheidsbeding werd evenwel betwist tussen eiseres. In het bestreden arrest wordt daar evenwel geen aandacht aan besteed. In haar zelfde conclusie wierp verweerster tenslotte op dat, zelfs bij gebreke aan forumkeuze, ook het gemeen recht geen bevoegdheid geeft aan de Belgische rechter vermits artikel 635, 3° Ger.W. geen toepassing kon vinden omdat de vordering strekt tot betaling van een billijke vergoeding of bijkomende vergoeding in de zin van artikel 2 en 3 van de Alleenverkoopwet van 27 juli 1961 en de betaling van dergelijke schulden ‘haalbaar' is, en dus in Californië dient te geschieden.
  5. De appelrechters oordelen dat de bevoegdheidsgrond van artikel 4 van de Alleenverkoopwet niet in aanmerking kan komen, gelet op het feit dat het bewijs van het bestaan van een concessieovereenkomst niet is geleverd zodat overeenkomstig het gemeen recht moet nagegaan worden of de Belgische rechter internationale rechtsmacht heeft. Ze besluiten dat dit ingevolge artikel 635, 3° (en 624, 2°) Ger.W. niet het geval is, vermits de "verbintenis waarover het geschil loopt" moet worden uitgevoerd in Californië.
  6. Terecht werpt eiseres onder het tweede onderdeel op dat de appelrechters op grond van artikel 635, 3° Ger.W. niet wettig konden oordelen dat zij geen rechtsmacht hadden omdat de verbintenis waarover het geschil loopt in Californië moet worden uitgevoerd; artikel 635, 3° Ger.W. verleent immers óók rechtsmacht aan de Belgische rechter indien de verbintenis waarover het geschil loopt in België is ontstaan. Vooraleer tot de bevinding te kunnen komen dat artikel 635, 3° Ger.W. geen internationale rechtsmacht verleende aan de Belgische rechter, diende het bestreden arrest noodzakelijk ook vast te stellen dat de verbintenis waarover het geschil loopt ook niet in België is ontstaan.
  7. Verweerster in cassatie werpt hier tegen op (memorie van antwoord, p. 5) dat het bestreden arrest, minstens impliciet, vaststelt dat de plaats van ontstaan van de betwiste verbintenis welke een vergoeding tot voorwerp heeft voor een beweerd onrechtmatig handelen van de verweerster, evenzeer buiten België te lokaliseren valt omdat het arrest vaststelt dat de aan verweerster geaffilieerde vennootschap Catapult Communications International per brief aan eiseres kennis gegeven heeft dat de overeenkomsten van 21 december 2001 en van 15 mei 2002 niet werden verdergezet na 31 december
  8. Het is m.i. uiterst betwistbaar dat met deze laatste vaststelling, de appelrechters zouden hebben geoordeeld dat de verbintenis waarover het geschil loopt ook buiten België is ontstaan. Eerst en vooral kan worden opgemerkt dat het begrip "de verbintenis die ten grondslag ligt aan de vordering" een breder toepassingsgebied heeft dan artikel 5 EG-Verdrag (of thans artikel 5.1 EG-Verordening) vermits het niet louter gaat om contractuele verbintenissen doch het ook kan gaan om delictuele of quasi-delictuele verbintenissen (zie: H. BORN en M. FALLON, "Chronique de jurisprudence. Droit judiciaire international (1978-1982)3, JT 1983, p. 221, nr. 175). Bovendien dient aan de hand van het verwijzingsrecht van het forum nagegaan worden waar de verbintenis is ontstaan (Ibid., nr. 177). Die laatste redenering bevat het bestreden arrest niet. Gelet op het feit dat volgens de appelrechters het bewijs van het bestaan van een concessieovereenkomst niet werd geleverd, is het niet uitgesloten dat men had kunnen besluiten dat er sprake was van een verbintenis waarover het geschil liep die als extra-contractueel van aard kon worden gekwalificeerd; in dat geval zou aan de hand van de toenterdijd van toepassing zijnde verwijzingsregels moeten worden achterhaald waar het ontstaan van die verbintenis kon worden gesitueerd. In die hypothese was het overigens niet uitgesloten dat die plaats in België kon worden gesitueerd zodat de Belgische rechters wel internationale rechtsmacht hadden in toepassing van artikel 635, 3° Ger.W.. De auteurs waren het er immers over eens dat er een alternatieve aanknoping bestond wat de aanduiding van de bevoegde rechtbank betreft (G. VAN HECKE en K. LENAERTS, Internationaal privaatrecht, in APR, Story-Scientia, 1989, nr. 779), en ook in de rechtspraak kwam dat principe tot uiting zodat toen ook als regel werd geponeerd om de keuze te laten (Cfr. J. ERAUW, De onrechtmatige daad in het internationaal privaatrecht, Antwerpen, Maarten Kluwer, 1982, 198 en de verschillende uitspraken die hij aanhaalt op p. 197-198).
  9. Het was in casu wellicht ook mogelijk om tóch internationale rechtsmacht op te nemen in toepassing van artikel 635, 3° Ger.W., met name omdat de verbintenis waarover het geschil liep kon worden beschouwd als zijnde ontstaan in België. Ook al is deze laatste redenering voor de beoordeling van het cassatieberoep eigenlijk niet relevant meer, toch maakt het duidelijk dat het niet voldoende was voor de appelrechters om te besluiten dat zij ingevolge artikel 635, 3° (en 624) Ger.W. geen internationale rechtsmacht hadden omdat de verbintenis in het buitenland moest worden uitgevoerd zonder dat zij ook nagingen of het ontstaan van de verbintenis waarover het geschil liep, niet in België kon worden gesitueerd. De conclusie van de appelrechters dat zij geen internationale rechtsmacht hebben verbaast overigens nog des te meer, nu het zeer waarschijnlijk is dat zij in alle geval in toepassing van de artikelen 638 en 636 Ger.W. wél rechtsmacht hadden om kennis te nemen van de verbintenis waarover het geschil liep.
  10. Hoewel hetgeen volgt eigenlijk geen belang meer vertoont voor het beoordelen van het tweede onderdeel, dat naar ons oordeel gegrond is in zoverre het artikel 635, 3° Ger. W. (zoals van toepassing voor de opheffing ervan door het WIPR) als geschonden aanwijst, kan inderdaad overeenkomstig het exorbitant forum van artikel 638 Ger.W., wanneer de verschillende in de desbetreffende titel van het Gerechtelijk Wetboek genoemde gronden ontoereikend zijn om de bevoegdheid van de Belgische rechtbanken ten aanzien van vreemdelingen te bepalen, de eiser de zaak brengen voor de rechter van de plaats waar hij zelf zijn woon- of verblijfplaats heeft. Zelfs indien geen internationale rechtsmacht zou bestaan voor de Belgische rechtbank op grond van artikel 635, 3° Ger.W. kon die m.i. hoe dan ook gesteund worden op artikel 638 (juncto art. 636) Ger. W. Het komt me daarom voor dat eiseres terecht stelt dat uit die bepaling volgt dat, zelfs zo op artikel 635, 3°, Ger.W. geen beroep kan worden gedaan teneinde zaak voor de Belgische rechter te brengen, de zaak niettemin kan worden gebracht voor de rechtbank van de plaats waar de eisende partij haar woonplaats heeft.
  11. Verweerster werpt daartegen op dat geen van de partijen melding gemaakt had van artikel 638 Ger.W. en het niet aan het geadieerde rechtscollege behoort ambsthalve zijn internationale bevoegdheid te stoelen op die bepaling, doch het hoogstens in geval de eisende partij de internationale bevoegdheid baseert op dat artikel, toekomt aan de rechter ambtshalve, in geval van niet verschijnen van de verwerende partij, het vereiste van wederkerigheid van artikel 636 Ger.W. te onderzoeken niet. Dit standpunt kan m.i. niet worden gevolgd. Inderdaad, hoewel voor de invoering van het WIPR geen duidelijke bepaling bestond die de rechter verplichtte zijn internationale bevoegdheid ambtshalve te onderzoeken - thans is er immers artikel 12 WIPR - werd ervoor gepleit het mechanisme van artikel 638 juncto artikel 636 Ger.W. redelijk te interpreteren (F. RIGAUX en M. FALLON, Droit international privé, Brussel, Larcier, 1993, II, nr.
  12. Zie ook: A. HEYVAERT, Belgisch internationaal privaatrecht. Een inleiding, Mechelen, Kluwer, 2002, nr. 203). Meer bepaald werd vanuit die optiek aangenomen dat onzekerheid over het bestaan van de wederkerigheid, wordt opgelost in de zin van het aanvaarden van rechtsmacht (J. ERAUW, Beginselen van internationaal privaatrecht, Gent, Story-Scientia, 1985, 52).
  13. In een noot bij een vonnis van de arbeidsrechtbank van Nijvel pleitte Hugues BORN ervoor om de rechtbank te verplichting op te leggen om zijn internationale rechtsmacht te onderzoeken in het licht van de artikelen 635, 2°, 6° en 638 Ger.W. ook al was door partijen enkel de eventuele toepassing van artikel 635, 10° Ger.W. ingeroepen. Deze auteur vond immers dat van zodra de vraag naar de internationale rechtsmacht in het geding is en er grondslagen waren om tot bevoegdheid te besluiten op grond van, onder meer, artikel 638 Ger.W., de rechtbank ook die grondslag voor het aannemen van internationale rechtsmacht moet onderzoeken zelfs al wordt dit niet door partijen opgeworpen. Inderdaad, "les règles de compétence internationale font évidemment partie du "droit" que le juge a le devoir d'appliquer d'office, comme l'implique l'adage "Iura novit curia". Or, ce devoir comporte celui de "choisir les règles de droit applicables au litige", même si son objet et sa cause sont délimités par les parties. Certes, le principe dispositif interdit au juge de "rendre d'office litigieux un point de fait ou une question de droit que les parties ont, dans les limites des droits dont elle disposent respectivement, décidé de soustraire à son appréciation" (H. BORN, noot onder Arbrb. Nijvel 14 okt. 1981, RRD 1982,
(171)181-182). Ook al had in die zaak de eiser enkel de bevoegdheidsgrond van artikel 635, 10 ° Ger.W. ingeroepen en verweerder dit ook enkel betwist zonder dat de eventuele toepassing van andere regels van internationale rechtsmacht of artikel 638 Ger.W. in het debat was, dan vond BORN dat de rechtbank "qui ne pouvait, lui, se retrancher derrière une telle ignorance, était donc tenu de pallier celle du demandeur ou son excès d'optimisme. Tout au plus eût-il été bien inspiré de rouvrir les débats pour permettre aux parties de s'expliquer sur les chefs de compétence qu'elles n'avaient pas envisagés, même s'il n'y était nullement tenu: l'article 774, alinéa 2 du code judiciaire n'est pas applicable lorsque le juge "se fonde sur un moyen invoquant des circonstances de fait soumises à son appréciation", ce qui était sans conteste le cas de toutes les bases de compétence non expressément invoquées par le demandeur" (H. BORN, 182). Het lijkt dat deze principes ook in deze zaak konden worden toegepast.
  1. Tot een vergelijkbare conclusie komen BORN en FALLON ook in hun overzicht van rechtspraak en dit onder verwijzing naar een cassatiearrest van 9 oktober 1980 (zie: H. BORN en M. FALLON, "Chronique de jurisprudence. Droit judiciaire international (1978-1982)", JT 1983, p. 224, nr. 185). Ook een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel besluit terzake tot internationale rechtsmacht op grond van artikel 638 Ger.W. zonder dat zulks blijkt te zijn opgeworpen door partijen (Rb. Brussel 9 maart 1990, Rev. trim. dr. fam. 1990, 409, noot M. FALLON, die van oordeel is dat de verwijzing naar artikel 638 Ger.W. zich slechts opdringt in geval van betwisting van de internationale rechtsmacht van de rechter (zie p. 414) - en dus niet alleen indien een (andere) aangevoerde rechtsgrondslag voor de internationale rechtsmacht van de rechter in het geding is).
  2. Overigens kan de verplichting voor de rechter om zijn internationale rechtsmacht te onderzoeken zoals die uit het bovenstaande werd afgeleid, ook gezien worden in het licht van de vraag of artikel 635, 3° Ger.W. rechtsmacht verleent in zoverre het gaat om het ontstaan van de verbintenis waarover het geschil loopt. Anders gezegd, de verplichting voor de rechter om zijn internationale rechtsmacht te onderzoeken noopte hem er ook al toe na te gaan of er in casu geen sprake was van een verbintenis die was ontstaan in de zin van artikel 635, 3° Ger.W., nu de vraag van het bestaan van internationale rechtsmacht van de Belgische rechter op zich reeds in het debat was. Besluit: VERNIETIGING. ARREST Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100114.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.