← België

ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100121.3

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 21 januari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100121.3 Rolnummer: C.08.0482.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Handelsrecht Invoerdatum: 2010-02-03 Raadplegingen: 325 - laatst gezien 2026-07-02 21:16 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100121.3 Fiche 1 Onder verkoper in de zin van artikel 1649bis B.W. dient te worden begrepen iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die op duurzame wijze een economische activiteit ontplooit, met uitsluiting van de persoon die niet beroepshalve handelt

(1).
(1)Zie de concl. van het O.M. Thesaurus CAS: KOOP UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BIJZONDERE OVEREENKOMSTEN - Koop-verkoop - Consumentenkoop HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - KOOPMAN - Begrip Vrije woorden: Consumentenkoop - Verkoper Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Art. 1649bis Fiche 2 Conclusie van advocaat-generaal DUBRULLE. Thesaurus CAS: KOOP UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BIJZONDERE OVEREENKOMSTEN - Koop-verkoop - Consumentenkoop HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - KOOPMAN - Begrip Vrije woorden: Consumentenkoop - Verkoper Tekst van de conclusie PARKET VAN HET HOF VAN CASSATIE _____ C.08.0482.N Conclusie van de heer advocaat-generaal G. Dubrulle
  1. Het vonnis verklaart de vordering van de verweerders tot ontbinding van de verkoop van een hond (van het ras Chihuahua) door de eiseres gegrond en veroordeelt de eiseres tot betaling van de aankoopprijs van het 19 dagen na de afhaling en drie maanden na zijn geboorte overleden dier, van de kosten voor dierenarts, autopsie en administratie, van een vergoeding voor morele schade, interesten en kosten van het geding. Bij de schouwing werd vastgesteld dat de hond leed aan "Glycogen Storage Disease" (d.i. suikertekort), waardoor het dier geen kans op overleven had. De vordering was gesteund op de artike1en 1604, eerste lid en 1649quater van het Burgerlijk Wetboek (verborgen gebrek). Het vonnis oordeelt "dat uit de(ze) (lijkschouwings)verslagen (van de dierenarts) ontegensprekelijk blijkt dat het bewuste dier was aangetast door een erfelijke aandoening, welke weliswaar misschien niet was vast te stellen op het moment van de verkoop maar eigenlijk vrij snel reeds aan het licht kwam. Dat deze aandoening uiteraard een verborgen gebrek uitmaakt welke in het licht van de wet van 01.09.2004 recht geeft op een schadeloosstelling". Het vonnis verwerpt de opmerking van de eiseres dat de ziekte wellicht op het moment van de verkoop niet opspoorbaar was aldus: "Dat zulks correct is maar geen afbreuk doet van de aansprakelijkheid van de verkoper in deze".
  2. Het cassatiemiddel voert de schending aan van artikel 1649bis, §§ 1 en 2, 2° van het Burgerlijk Wetboek, zoals ingevoegd door artikel 3 van de wet van 1 september 2004 betreffende de bescherming van de consumenten bij verkoop van consumptiegoederen, het beschikkingsbeginsel en het algemeen rechtsbeginsel van de eerbied voor het recht van verdediging. Krachtens dat artikel 1649bis, §1 is de Afdeling IV - Bepalingen met betrekking tot de verkopen aan consumenten - van Boek III, Titel VI, Hoofdstuk IV van het Burgerlijk Wetboek, van toepassing op de verkopen van consumptiegoederen door een verkoper aan een consument. Krachtens §2, 2° van dat artikel wordt, voor de toepassing van deze afdeling verstaan onder (2°) "verkoper": iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die consumptiegoederen verkoopt in het kader van zijn beroepsactiviteit of zijn commerciële activiteit. Het is geen voorwerp van betwisting dat deze bepaling toepasselijk is op de verkoop van een dier (een hond). Het middel voert aan dat uit de gedinginleidende dagvaarding en de conclusies voor partijen evenwel blijkt dat de eiseres zichzelf omschreef als een "hobbyfokker" en dat de verweerders deze hoedanigheid van eiseres niet betwistten, alsook dat de eiseres in de aanhef van het bestreden vonnis wordt voorgesteld als zijnde "zonder beroep". Door de wet van 1 september 2004 betreffende de bescherming van de consumenten bij verkoop van consumptiegoederen toepasselijk te verklaren op het geschil, hoewel niet betwist werd dat het fokken van honden niet behoort tot de beroepsactiviteit van de eiseres, gaat de Vrederechter er derhalve aan voorbij dat het toepassingsdomein van deze wet aan de zijde van de verkoper beperkt is tot een professionele verkoper van consumptiegoederen. Er wordt aldus een miskenning van het toepassingsgebied ratione personae van de wet (minstens van de draagwijdte van het wettelijk begrip "verkoper") opgeworpen. De schending van het beschikkingsbeginsel en van het algemeen rechtsbeginsel van de eerbied voor het recht van verdediging wordt aangevoerd in de lezing dat het vonnis er impliciet doch zeker zou van uitgaan dat eiseres een professionele hondenfokker is, wat niet in debat was.
  3. Het middel komt me gegrond voor. Zoals in de toelichting van de voorziening wordt gesteld betreft de wet van 1 september 2004 de omzetting van de Richtlijn 1999/44/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 mei 1999 betreffende bepaalde aspecten van de verkoop en de garanties voor consumptiegoederen. In zijn daarin eveneens geciteerde bijdrage schrijft Prof. Dr. J. Stuyck hierover wat volgt:
(73)(...) "Volgens deze richtlijn is "verkoper" iedere natuurlijke of rechtspersoon die uit hoofde van een overeenkomst in het kader van zijn bedrijf of beroep consumptiegoederen verkoopt (art. 1) (...).
(74)De vervanging van de woorden "bedrijf of beroep" (in de Richtlijn) door "beroepsactiviteit of commerciële activiteit" (in de wet) wordt niet toegelicht. Evenmin wordt toegelicht wat onder "commerciële activiteit" moet worden verstaan. Zo duidelijk is dit nochtans niet. De Memorie van Toelichting verwijst naar de WHPC. En dit is juist een bron van verwarring. (...) Nu een verkoper van lichamelijke roerende zaken ook 'verkoper' kan zijn in de zin van de WHPC zonder dat zijn beroepsactiviteit commercieel is en zelfs zonder dat hij handelt in het kader van een beroepsactiviteit (onder meer het handelen ter verwezenlijking van een statutair doel, zoals bij VZW' s, levert die kwaliteit op), vallen het toepassingsgebied van de WHPC en dat van de artikelen 1 649bis B.W. e.v. niet samen. De term 'commerciële' activiteit kan anderzijds tot interpretatieproblemen leiden. Stellig zal de notie 'beroepsactiviteit' als vangnet fungeren voor alle professionele activiteiten die geen "commerciële activiteit" zouden zijn, maar de vervanging van de termen uit de Richtlijn door de 'Belgische' noties is zeker geen verduidelijking.
(75)Hoe dit ook zij, men kan betreuren dat noch de Europese, noch de Belgische wetgever het tot nu toe noodzakelijk hebben geacht datgene wat de Franstaligen "le professionnel" noemen (en wat al te vaak in de Vlaamse rechtsliteratuur met het gallicisme "de professioneel" wordt aangeduid) doorheen verschillende wetten, op uniforme wijze, met dezelfde term aan te duiden. Mijn voorkeur gaat duidelijk naar het ondernemingsbegrip zoals dit zowel in het EG- als in het nationale mededingingsrecht wordt gehanteerd: de zelfstandige entiteit die op duurzame wijze een economische activiteit ontplooit."
(1)Wat de omschrijving van het begrip "verkoper" betreft stelt de wetvoorbereiding enkel: "Hier ook kwam het criterium 'in het kader van zijn beroepsactiviteit of zijn commerciële activiteit' reeds voor in de vorige richtlijnen betreffende consumentenbescherming en is het reeds gebruikt in het kader van (voornoemde) wet van 14 juli 1991 (betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en bescherming van de consument)."
(2)De verkoper in de zin van de bedoelde wet zou dus veeleer een "professionele" verkoper
(3)zijn. Bij gebrek aan voldoende klaarheid van de wet consumentenkoop, kunnen we ons toch wagen aan een verdere vergelijking met de WHPC, daar beide (te fragmentarische)
(4)wetten toch minstens deels eenzelfde (titel en) doel hebben. Het arrest van het Hof van 13 september 2002
(5)stelt enerzijds (in antwoord op het eerste onderdeel) dat uit de samenhang van de artikelen 1.2 en 1.6 Wet Handelspraktijken volgt dat niet vereist is dat diegene die een dienst te koop aanbiedt of verkoopt handelt met winstoogmerk opdat hij als verkoper in de zin van artikel 1.6.
  1. a)Wet Handelspraktijken zou kunnen aangezien worden, maar dat de aard zelf van de activiteit of gestelde handeling ter zake determinerend is; anderzijds (in antwoord op het derde onderdeel) dat uit de samenhang van de artikelen 1.2 en 1.6.
  2. a)en c), Wet Handelspraktijken, volgt dat diegene die een dienst te koop aanbiedt of verkoopt die op zichzelf een handelsdaad uitmaakt in de zin van de artikelen 2 en 3 van het Wetboek van Koophandel, als verkoper kan aangezien worden, ongeacht of er een tegenprestatie verschuldigd is door diegene aan wie de dienst ten goede komt. Aldus oordeelt het Hof dat het begrip verkoper in de WHPC ruim
(6)moet worden opgevat. Het geschil had betrekking op de vordering van een B.V.B.A., bedrijvig in het watertoerisme, tegen een concurrerende V.Z.W., wegens oneerlijke handelspraktijken, die door het voor het Hof bestreden arrest werd afgewezen op grond dat deze tegenpartij geen winstoogmerk nastreefde en dus ook haar diensten gratis aanbood. Waar dit oordeel kadert in een mededingingsverhouding tussen verkopers onderling, betekent dit nochtans niet meteen dat ook de consument op eenzelfde wijze zou beschermd worden in een geschil tegen een "niet commerciële verkoper", m.b.t. diens vrijwaringplicht tegen verborgen gebreken. Niettemin dient een keuze te worden gemaakt tussen een ruime uitlegging van het begrip verkoper, zoals in de wet van 14 juli 1991 betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en bescherming van de consument, en een beperkende (d.i. tot de "professionele"), in de wet van 1 september 2004 betreffende de bescherming van de consumenten bij verkoop van consumptiegoederen. Zijn dergelijke uiteenlopende interpretaties van eenzelfde begrip in wetten, die beide, zij het te fragmentarisch en dus op verschillende vlakken, de bescherming van de consument tot doel hebben, verantwoord? Als men de "professionele" verkoper kenmerkt als de natuurlijke persoon of rechtspersoon die op duurzame wijze een economische activiteit ontplooit
(7), beperkt men de bescherming van de consument: wat is dan zijn verhaal, voor het gebrek aan overeenstemming van het geleverde goed met de overeenkomst tegen de eerder "occasionele" verkoper? Anderzijds is de eenmalige, niet commerciële en niet professionele verkoper vanzelfsprekend uitgesloten van het toepassingsgebied van de "verkopen van consumptiegoederen door een verkoper aan een consument" (art. 1649bis, §1 B.W.). Maar waarbij horen de toch wel talrijke "hobbyverkopers", die niet "de jure" commercieel, noch professioneel zijn, doch wel ook vrij veel verkopen realiseren, zoals de eiseres, die zichzelf omschrijft als "hobbyfokker"? Beschermt de wet (art. 1649bis, §2, 2° B.W.) de consument niet tegen deze verkopers? Zij viseert "iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die consumptiegoederen verkoopt in het kader van zijn beroepsactiviteit of zijn commerciële activiteit". Wil ze de consument ook niet beschermen tegen een verkoper met een "activiteit" die - ook al voldoet deze niet aan de voorwaarden aan een gevestigde handelaar opgelegd en heeft ze niet hoofdzakelijk een winstoogmerk - niettemin, in hoofde van de consument, gelet o.m. op haar herhaald karakter en de prijs die hij betaalt, als een commerciële activiteit gepercipieerd wordt? De termen van deze bijzondere wet lijken me deze ruimere interpretatie, naar analogie van die andere bijzondere wet, niet toe te laten. Dat de verkoop van consumptiegoederen, volgens de Europese richtlijn, moet kaderen in het "bedrijf of beroep" van de verkoper impliceert professionaliteit in zijnen hoofde. Door de eiseres, hoewel haar vrijwaringplicht ressorteert onder het gemene kooprecht, te veroordelen op grond dat ze een verkoper is in de zin van artikel 1649bis, §§ 1 en 2, 2° van het Burgerlijk Wetboek, schendt het bestreden vonnis deze bepaling. Conclusie: vernietiging. ARREST _________________
(1)J. STUYCK, "Historiek en toepassingsgebied van de richtlijn consumentenkoop en van de omzettingswet", in S. STIJNS en J. STUYCK (Eds.), Het nieuwe kooprecht, Antwerpen, Intersentia, 2005, 24, nrs. 73-75.
(2)Doc. Kamer 51 0982/001, Wetsontwerp houdende aanvulling van de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek inzake verkoop teneinde de consumenten te beschermen, 9.
(3)L. PEETERS, De nieuwe wetgeving voor consumentenkoop ... (eindelijk) in het B.W., R.W. 2004-2005,
(441), 443, nr. 6 en voetnoot 20 en 445, nr. 10; C. CAUFFMAN, De nieuwe wet op de consumentenkoop, T.P.R. 2005, 799; C. CAUFFMAN en A. VERBEKE, Een jaar wet consumentenkoop, in A. VERBEKE en B. TILLEMAN (Eds.), Bijzondere Overeenkomsten, Themis, Brugge, Die Keure, 2005-06, 29.
(4)L. PEETERS, l.c., 442, nr. 4.
(5)A.R. C.01.0220.N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020913.6, A.C., 2002, nr. 449, met concl. O.M.
(6)Zie ook de conclusie in die zin.
(7)J. STUYCK, l.c., nr. 75. Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100121.3 citeert: ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020913.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.