← België

ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100204.10

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 04 februari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100204.10 Rolnummer: C.09.0030.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige - Insolventierecht Invoerdatum: 2010-03-04 Raadplegingen: 108 - laatst gezien 2026-07-02 21:20 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100204.10 Fiches 1 - 2 Een schuldeiser van een debiteur die een gerechtelijk akkoord heeft aangevraagd, kan niet opkomen bij wege van derdenverzet tegen een beslissing van een rechtbank van koophandel die een definitieve opschorting toekent, behalve wanneer de debiteur bedrog heeft gepleegd of wanneer de schuldeiser zich kan beroepen op een hypotheek, een voorrecht of enig ander recht dat buiten zijn schuldvordering ligt; zijn stemrecht kan niet als zulk recht worden beschouwd

(1).
(1)Zie de concl. van het O.M. Thesaurus CAS: DERDENVERZET UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Derdenverzet - Algemeen GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Derdenverzet - Voorwaarden derdenverzet HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE - Gerechtelijk akkoord Vrije woorden: Gerechtelijk akkoord - Vonnis van definitieve opschorting van betaling - Schuldeiser - Stemrecht - Aard - Derdenverzet - Ontvankelijkheid Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1122, eerste en tweede lid, aanhef en 3° Wet - 17-07-1997 - Artt. 3, tweede lid en 32 Thesaurus CAS: FAILLISSEMENT, FAILLISSEMENTSAKKOORD EN GERECHTELIJK AKKOORD - RECHTSPLEGING UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Derdenverzet - Algemeen GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Derdenverzet - Voorwaarden derdenverzet HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE - Gerechtelijk akkoord Vrije woorden: Gerechtelijk akkoord - Vonnis van definitieve opschorting van betaling - Schuldeiser - Stemrecht - Aard - Derdenverzet - Ontvankelijkheid Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1122, eerste en tweede lid, aanhef en 3° Wet - 17-07-1997 - Artt. 3, tweede lid en 32 Fiches 3 - 4 Conclusie van advocaat-generaal DUBRULLE. Thesaurus CAS: DERDENVERZET UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Derdenverzet - Algemeen GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Derdenverzet - Voorwaarden derdenverzet HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE - Gerechtelijk akkoord Vrije woorden: Gerechtelijk akkoord - Vonnis van definitieve opschorting van betaling - Schuldeiser - Stemrecht - Derdenverzet - Ontvankelijkheid Thesaurus CAS: FAILLISSEMENT, FAILLISSEMENTSAKKOORD EN GERECHTELIJK AKKOORD - RECHTSPLEGING UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Derdenverzet - Algemeen GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Derdenverzet - Voorwaarden derdenverzet HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE - Gerechtelijk akkoord Vrije woorden: Gerechtelijk akkoord - Vonnis van definitieve opschorting van betaling - Schuldeiser - Stemrecht - Aard - Derdenverzet - Ontvankelijkheid Tekst van de conclusie PARKET VAN HET HOF VAN CASSATIE _____ C.09.0030.N Advocaat-generaal Dubrulle heeft in hoofdzaak gezegd
  1. Het arrest verklaart het derdenverzet van de verweerster, chirografaire schuldeiser van de eiseres, tegen het vonnis, dat de eiseres de definitieve opschorting van betaling toekende, ontvankelijk en gegrond, o.m. op volgende aangevochten grond: "Art. 1122, tweede lid, 3° Ger.W. is te dezen niet toepasselijk. Het toestaan van de definitieve opschorting en de gevolgen die daaraan door de wet gehecht worden tasten immers op rechtstreekse wijze de verhouding zelf aan tussen de schuldenaar en de schuldeiser. De eigen rechten van Telenet als schuldeiser maken het voorwerp uit van de aangevochten beslissing." Art. 1122, eerste lid, 3° Ger.W. bepaalt dat ieder die niet behoorlijk is opgeroepen of niet in dezelfde hoedanigheid in de zaak is tussengekomen, derdenverzet kan doen tegen een, zij het voorlopige, beslissing die zijn rechten benadeelt en die gewezen is door een burgerlijk gerecht, of door een strafgerecht in zover dit over burgerlijke belangen uitspraak heeft gedaan. Het tweede lid, aanhef en sub 3°, bepaalt dat dit rechtsmiddel evenwel niet kan worden ingesteld door schuldeisers, behalve wanneer hun schuldenaar bedrog heeft gepleegd of wanneer zij zich kunnen beroepen op een hypotheek, een voorrecht of enig ander recht dat buiten hun schuldvordering ligt.
  2. Het eerste cassatiemiddel, dat schending aanvoert van deze bepalingen, alsook van artikel 3 van de wet van 17 juli 1997 betreffende het gerechtelijk akkoord, stelt de vraag naar de ontvankelijkheid van dergelijk rechtsmiddel tegen zodanig vonnis, door een chirografaire schuldeiser. Dat artikel 3, tweede lid, eerste zin, bepaalt dat, onverminderd de toepassing van de faillissementswet, tegen de beslissingen van de rechtbank rechtsmiddelen kunnen worden aangewend volgens de in het Gerechtelijk Wetboek voorgeschreven regels en termijnen. Artikel 11 bepaalt dat de schuldenaar die het akkoord aanvraagt een verzoekschrift richt tot de rechtbank van koophandel. Dit is een eenzijdig verzoekschrift, ingeleid en behandeld zoals geregeld in de artikelen 1025 e.v. Ger.W. Art. 1033 Ger.W. bepaalt dat al wie niet in dezelfde hoedanigheid in de zaak is tussengekomen, verzet kan doen tegen de beslissing die zijn rechten benadeelt. En art. 1034 Ger.W. bepaalt dat art. 1125 Ger.W. mede van toepassing is op dat verzet. Dat art. 1125 bepaalt enkel de vormen van het verzet, maar dit betekent niet dat artikel 1122, dat bepaalt welke personen verzet kunnen doen, dus niet toepasselijk zou zijn. De wet van 17 juli 1997 betreffende het gerechtelijk akkoord houdt geen afwijking op deze gemeenrechtelijke regeling in. Aldus kan, krachtens het art. 1122, tweede lid, aanhef en 3°, door een schuldeiser, behalve wanneer zijn schuldenaar bedrog heeft gepleegd of wanneer hij zich kan beroepen op een hypotheek, een voorrecht of enig ander recht dat buiten zijn schuldvordering ligt, geen verzet worden gedaan tegen het vonnis, dat zijn schuldenaar de definitieve opschorting van betaling toekende. De verweerster beroept zich niet op een hypotheek, noch op een voorrecht. Blijft dan nog enkel de vraag over of zij zich kan beroepen op "enig ander recht dat buiten haar schuldvordering ligt".
  3. Ik meen dat deze vraag ontkennend moet beantwoord worden. Artikel 32 van de wet van 17 juli 1997 betreffende het gerechtelijk akkoord bepaalt dat de schuldeisers verwittigd worden dat ze opmerkingen kunnen maken betreffende het door de schuldenaar voorgestelde herstel- of betalingsplan en dat over dat plan moet worden gestemd. Dit stemrecht kan niet worden beschouwd als enig ander recht dat buiten de schuldvordering van de schuldeisers ligt. De eiseres lijkt me gevolgd te kunnen worden waar ze in haar middel stelt dat de bepaling van art. 1122, tweede lid, aanhef en 3° van het Gerechtelijk Wetboek haar verantwoording vindt in de idee dat de schuldeisers de fluctuaties van het vermogen van hun schuldenaar moeten ondergaan en dat de toepassing van deze bepaling niet, zoals het bestreden vonnis oordeelt, wordt uitgesloten door de enkele omstandigheid dat de geviseerde beslissing de verhouding zelf tussen schuldenaar en de schuldeiser aantast doordat de schuldeiser een deel van zijn schuldvordering niet meer zal kunnen of mogen verhalen op het vermogen van de schuldenaar ingevolge de goedkeuring, door de rechtbank, van een herstel- of betalingsplan. De opvatting dat deze bepaling niet zou gelden wanneer de schuldeiser en de schuldenaar tegenstrijdige belangen hebben, zodat de schuldeiser, in dat geval, derdenverzet kan doen, lijkt me niet terzake dienend: zijn die belangen niet steeds per definitie tegenstrijdig? De schuldeisers hebben overigens opmerkingen kunnen maken op het plan en de wet verplicht de rechtbank het aan hun stem te onderwerpen. Evenmin kan de opvatting gevolgd worden dat, louter op grond dat niet blijkt dat een schuldeiser die deelneemt aan die stemming, tussenkwam als partij in de rechtspleging, deze schuldeiser als belanghebbende partij derdenverzet kan doen tegen het vonnis dat de definitieve opschorting van betaling toestaat
(1). Dit rechtsmiddel staat ook niet open enkel omdat hij door zijn deelname aan de stemming zijn recht van verdediging niet uitoefent
(2).
  1. Dit alles is bv. niet het geval in het stelsel van de collectieve schuldenregeling, waar de wet (art. 1675/16, derde lid, Ger.W.) uitdrukkelijk enkel het derdenverzet tegen een beschikking van toelaatbaatheid voorziet en dit rechtsmiddel in alle andere gevallen uitsluit. De schuldeisers worden daarin niet ter stemming opgeroepen, maar beschikken over een aantal mogelijkheden om hun rechten te vrijwaren: - bezwaar in te dienen tegen het door de schuldbemiddelaar opgesteld ontwerp van minnelijke aanzuiveringsregeling, bij ontstentenis waarvan ze geacht worden ermee in te stemmen (art.1675/10, § 4, tweede lid, Ger.W.); - bij moeilijkheden bij de uitvoering van de gerechtelijke aanzuiveringsregeling of nieuwe feiten, door een eenvoudige schriftelijke verklaring ter griffie, de zaak opnieuw voor de rechter te brengen (art.1675/14, § 2, derde lid, Ger.W.); - de herroeping van de beschikking van toelaatbaarheid of van de minnelijke of gerechtelijke aanzuiveringsregeling (art.1675/15, §§ 1 en 2 Ger.W.). De wet van 17 juli 1997 betreffende het gerechtelijk akkoord heeft geen dergelijke regeling.
  2. Het bestreden arrest verklaart het derdenverzet van de verweerster, chirografaire schuldeiser van de eiseres, tegen het vonnis, dat de eiseres de definitieve opschorting van betaling toekende, dus ten onrechte ontvankelijk.
  3. Conclusie: het middel is gegrond en leidt tot volledige vernietiging. ARREST ____________
(1)Brussel, 17 dec. 2002, R.W. 2004-2005, 547; zie ook: Mons, 22 nov. 1999, J.T. 2000, 187: de enkele oproeping ter stemming heeft niet tot gevolg dat de schuldeiser tussenkomende partij wordt, zodat zijn hoger beroep tegen het vonnis van definitieve opschorting van betaling niet ontvankelijk is.
(2)Luik, 17 juni 1999, R.D.C. 2000, 792. Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100204.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.