← België

ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100211.2

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 11 februari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100211.2 Rolnummer: C.08.0542.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2010-03-04 Raadplegingen: 263 - laatst gezien 2026-07-02 21:48 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100211.2 Fiche 1 De nieuwe wet is niet alleen van toepassing op toestanden die na haar inwerkingtreding ontstaan, maar ook op de toekomstige gevolgen van onder de vroegere wet ontstane toestanden, die zich voordoen of die voortduren onder vigeur van de nieuwe wet, voor zover die toepassing geen afbreuk doet aan reeds onherroepelijk vastgelegde rechten

(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - WERKING IN DE TIJD EN IN DE RUIMTE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - WETTEN, DECRETEN, ORDONNANTIES, BESLUITEN - Werking in de tijd en in de ruimte Vrije woorden: Werking in de tijd - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Art. 2 Fiche 2 Behoudens wanneer de toestand van de belastingplichtige definitief is geworden, is een nieuwe wet die de voorwaarden wijzigt waaronder het bestuur een vervangende of een subsidiaire aanslag kan vestigen, vanaf de datum van haar inwerkingtreding van toepassing op de aanslagen die na een vernietiging door het bestuur of door de rechter opnieuw kunnen worden gevestigd, zelfs indien de belastingschuld reeds ontstaan was voor de inwerkingtreding van de nieuwe wet
(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - WERKING IN DE TIJD EN IN DE RUIMTE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - WETTEN, DECRETEN, ORDONNANTIES, BESLUITEN - Werking in de tijd en in de ruimte Vrije woorden: Fiscale wet - Wet die de voorwaarden wijzigt waaronder een vervangende of subsidiaire aanslag kan worden gevestigd - Werking in de tijd Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Art. 2 Wet - 26-03-1971 - Art. 35quinquiesdecies, § 4 Fiches 3 - 4 Conclusie van advocaat-generaal THIJS. Thesaurus CAS: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - WERKING IN DE TIJD EN IN DE RUIMTE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - WETTEN, DECRETEN, ORDONNANTIES, BESLUITEN - Werking in de tijd en in de ruimte Vrije woorden: Werking in de tijd - Draagwijdte Fiscale wet - Wet die de voorwaarden wijzigt waaronder een vervangende of subsidiaire aanslag kan worden gevestigd - Werking in de tijd Tekst van de conclusie PARKET VAN HET HOF VAN CASSATIE _____ C.08.0542.N Conclusie van advocaat-generaal Dirk THIJS: I. De feiten en procedurevoorgaanden.
  1. Onderhavig geschil betreft de heffing op waterverontreiniging, voorzien in de artikelen 35bis e.v. van de Oppervlaktewaterenwet van 26 maart 1971, voor het heffingsjaar 1993, die door verweerster werd gevestigd lastens eiseres. In haar op 5 maart 1993 ingediende aangifte vroeg eiseres de berekening van de heffing op basis van meet- en bemonsteringsresultaten. Zij deed aangifte van een jaarwaterverbruik van 50.207m3 (Qj) (opgepompt grondwater), en voegde bij haar aangifte de resultaten van een meetcampagne uitgevoerd door verweerster op 11, 12 en 13 mei
  2. In haar bericht van rechtzetting stelde verweerster een jaardebiet voor van 108.375m3, berekend op basis van de in mei 1992 gemeten gemiddelde dagdebieten. Op 8 oktober 1993 werd lastens eiseres een heffing ingekohierd ten belope van 6.108.042 frank, op basis van 10.180,07 vervuilingseenheden, berekend op basis van meet- en bemonsteringsresultaten van de meet-campagnes uitgevoerd op 11, 12 en 13 mei 1992, en rekening houdende met een jaarwaterverbruik van 108.375m
  3. Het bezwaar van eiseres tegen het in aanmerking genomen jaardebiet werd verworpen door de adjunct-administrateur generaal van verweerster dd. 5 juli
  4. In dezelfde beslissing werd vastgesteld dat de maand mei 1992 niet als maand van de grootste bedrijvigheid in aanmerking kon genomen worden, waardoor de heffing diende berekend te worden op basis van omzettingscoëfficiënten. In toepassing van artikel 35quinquiesdecies, §2, van de Oppervlaktewaterenwet, werd het bedrag van de heffing behouden op 6.108.042 frank. Op 15 maart 1996 dagvaardde eiseres verweerster en het Vlaamse Gewest voor de Rechtbank van Eerste Aanleg te Dendermonde teneinde het bedrag van de heffing te horen herleiden tot het niet betwiste bedrag van 3.157.257 frank. Verweerster stelde een tegenvordering in teneinde het bedrag van de heffing te horen bepalen op 11.977.578 frank. Bij vonnis van 22 november 2001 verklaarde de Rechtbank van Eerste Aanleg te Dendermonde de hoofdvordering ongegrond, en heropende de debatten teneinde de Vlaamse Milieumaatschappij toe te laten aan te tonen op welke grond haar tegenvordering steunt. Ingevolge het hoger beroep van eiseres en het incidenteel hoger beroep van het Vlaamse Gewest, deed het Hof van Beroep te Gent, bij arrest van 15 februari 2005, het vonnis a quo teniet, en opnieuw wijzende, stelde het Vlaamse Gewest buiten zake, verklaarde het hoger beroep van eiseres gegrond, en beval de herberekening van de heffing op basis van de methode voorzien in artikel 35quinquies van de Oppervlaktewaterenwet (op basis van meet- en bemonsteringsresultaten) rekening houdende met het door eiseres aangegeven jaardebiet van 50.207m3, in plaats van 108.375m3 in de bestreden aanslag.
  5. Verweerster herberekende de heffing op grond van de criteria vooropgesteld in het arrest van 15 februari 2005, waardoor de oorspronkelijke heffing van 6.108.042 frank werd herleid tot 122.303,75 euro (4.945.944 frank). Eiseres betwistte de wijze van herberekening, waarop verweerster op 20 maart 2006 overging tot betekening van een dwangbevel aan eiseres op grond van het op 8 oktober 1993 uitvoerbaar verklaard kohier en een dwangschrift dd. 20 september
  6. Ingevolge verzet van eiseres tegen het dwangbevel verklaarde de Beslagrechter in de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge het dwangbevel van onwaarde. Ingevolge het hoger beroep van verweerster hervormde het Hof van Beroep te Gent, bij arrest van 10 juni 2008, de beslissing a quo, en verklaarde de oorspronkelijke vordering van eiseres ongegrond.
  7. Het bestreden arrest doet uitspraak over de regelmatigheid van het dwangbevel dat op 20 maart 2006 aan eiseres werd betekend voor de inning van de heffing op waterverontreiniging voor het heffingsjaar 1993, voorzien in de artikelen 35bis e.v. van de Oppervlaktewaterenwet van 26 maart 1971, zoals zij in "hoofdstuk II/bis Bijzondere bepalingen voor het Vlaamse Gewest inzake heffingen op de waterverontreiniging", van "afdeling 3 Water", van "hoofdstuk III Leefmilieu", werden ingevoerd bij artikel 44 van het decreet van 25 juni 1992 houdende diverse bepalingen tot begeleiding van de begroting
  8. Het bestreden arrest besluit in dit verband dat verweerster kon uitvoeren op basis van de oorspronkelijke aanslag, neergelegd in het oorspronkelijk, uitvoerbaar verklaard kohier dd. 8 oktober 1993, en verwerpt aldus het verweer van eiseres dat verweerster een subsidiaire aanslag had moeten vestigen, of na het arrest van 15 februari 2005 een nieuwe aanslag had moeten vestigen. Volgens de appelrechters impliceert de bij arrest van het Hof van Beroep te Gent dd. 15 februari 2005 bevolen herberekening van de aanslag op basis van 50.207m3 in plaats van 108.375 m3, geen volledige vernietiging of ontheffing, maar slechts een gedeeltelijke ontheffing, en blijft alleszins de oorspronkelijke aanslag voor het niet-ontheven gedeelte als uitvoerbare titel gelden. II. De voorziening in cassatie.
  9. Het enig cassatiemiddel verwijt het bestreden arrest in zijn twee onderdelen een miskenning van artikel 355 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 ("WIB 1992"), zoals van kracht vóór de inwerkingtreding van de wet van 15 maart
  10. Het verwijt het bestreden arrest een niet naar recht verantwoord onderscheid te hebben gemaakt tussen de begrippen "vernietiging" en "ontheffing" van de belasting (eerste onderdeel), en tussen de begrippen "gedeeltelijke vernietiging/ontheffing" en "volledige vernietiging/ontheffing" (tweede onderdeel).
  11. In haar memorie van antwoord (p. 4 e.v.) werpt verweerster op dat het middel niet ontvankelijk is, nu de schending van de wetsbepaling die het vermeldt, onvoldoende is om tot de vernietiging van de bestreden beslissing te leiden. Het als geschonden ingeroepen artikel 355 (oud) WIB 1992 is volgens verweerster niet van toepassing op de litigieuze heffing op waterverontreiniging.
  12. Het standpunt van eiseres dat de oorspronkelijke aanslag vernietigd zou zijn door de bij arrest van 15 februari 2005 bevolen herberekening, en dat verweerster enkel ingevolge een nieuwe aanslag binnen de wettelijke termijn de heffing had kunnen vestigen en invorderen, kan inderdaad niet gesteund worden op artikel 355 (oud) WIB 1992, nu de Oppervlaktewaterenwet hierover een eigen voorschrift bevat. Artikel 35quinquiesdecies, §8, van de Oppervlaktewaterenwet, zoals ingevoegd bij artikel 14 van het decreet van 22 december 1995 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1996 (B.S. 30 december 1995), in werking getreden op 1 januari 1996 (art. 83 decreet 22 december 1995), en zoals van toepassing vóór de vervanging bij artikel 12 van het decreet van 22 december 2000 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2001 (B.S. 30 december 2000), luidt als volgt: "Wanneer een aanslag nietig verklaard is omdat hij niet gevestigd is overeenkomstig een wettelijke regel, met uitzondering van een regel betreffende de verjaring, kan de Maatschappij, zelfs wanneer de termijnen bedoeld in artikel 35terdecies, §§1 en 2 voor het vestigen van de aanslag reeds verlopen zijn, ten name van dezelfde heffingsplichtige, op grond van dezelfde heffingselementen of op een gedeelte ervan, een nieuwe aanslag vestigen, zulks hetzij binnen drie maanden van de datum waarop de beslissing van de ambtenaar die daartoe conform §1 door de Vlaamse regering wordt aangeduid niet meer vatbaar is voor een voorziening als bedoeld in §3, hetzij binnen zes maanden van de datum waarop de rechterlijke beslissing niet meer vatbaar is voor een voorziening als bedoeld in §7". De decreetgever beoogde aldus "ter verhoging van de rechtszekerheid, de vetwijzing naar de rijksinkomstenbelastingen onder §1 van artikel 35septies decies te expliciteren naar analogie met de regels vervat in artikel 355 van het wetboek van inkomstenbelastingen, dit om te vermijden dat bij vernietiging van de aanslag de termijn om een nieuwe en juiste aanslag te vestigen reeds lang voorbij is" (M.v.T., Gedr.St. Vl.Raad, 1995-96, nr. 147/1, p. 10).
  13. Artikel 35quinquiesdecies, §8, van de Oppervlaktewaterenwet, zoals ingevoegd bij artikel 14 van het decreet van 22 december 1995, is te dezen wel degelijk toepasselijk. De herberekening van de litigieuze heffing werd bevolen bij arrest van het Hof van Beroep te Gent dd. 15 februari 2005, en indien, zoals door eiseres voorgehouden, hierdoor de oorspronkelijke aanslag werd nietig verklaard, dan bepaalt de wet geldend ten tijde van de nietigverklaring of de aanslagtermijn ‘heropend' wordt en hoe lang deze aanslagtermijn duurt.
  14. Uit artikel 2 van het Burgerlijk wetboek vloeit overigens voort dat de nieuwe wet in de regel niet alleen van toepassing is op toestanden die na haar inwerkingtreding ontstaan, maar ook op de toekomstige gevolgen van de onder de vroegere wet ontstane toestanden die zich voordoen of die voortduren onder vigeur van de nieuwe wet, voor zover die toepassing geen afbreuk doet aan reeds onherroepelijk vastgestelde rechten (cfr. Cass. 21 mei 2004, A.C. 2004, nr. 273; Cass. 24 mei 2002, A.C. 2002, nr. 316; Cass. 27 september 1999, A.C. 1999, nr. 484). In casu is de wet geldend ten tijde van de door eiseres voorgehouden nietigverklaring op 15 februari 2005 van de aanslag voor het heffingsjaar 1993, het artikel 35quinquiesdecies, §8, van de Oppervlaktewaterenwet, zoals toegevoegd bij artikel 14 van het decreet van 22 december 1995 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1996, aangezien de vervanging van artikel 35quinquiesdecies van de Oppervlaktewaterenwet bij artikel 12 van het decreet van 22 december 2000 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2001, niet van toepassing is op de rechtsgedingen waarover op 1 januari 2001 nog geen definitieve uitspraak is gedaan.
  15. Wat dit laatste betreft kan verduidelijkt worden dat de vervanging van artikel 35quinquiesdecies van de Oppervlaktewaterenwet bij artikel 12 van het decreet van 22 december 2000, tot doel had de procedures inzake de heffing op de waterverontreiniging aan te passen aan de wet van 15 maart 1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen (zie de uitdrukkelijke verantwoording in die zin: M.v.T., Gedr.St., Vl.Parl., 2000-2001, nr. 463/1, p. 5 en p. 11; Verslag BEX, Gedr.St., Vl. Parl., 2000-2001, nr. 463/12). Zoals inzake inkomstenbelastingen werd de mogelijkheid van een nieuwe aanslag na vernietiging door het gerecht afgeschaft en werd een "subsidiaire aanslag" voorzien die slechts invorderbaar is via een beslissing van het gerecht (zie 35quinquies-decies, §§3 en 4 (nieuw) Oppervlaktewaterenwet; zie art. 355 en 356 WIB-1992, na vervanging door de wet van 15 maart 1999). De vervanging van artikel 35quinquiesdecies van de Oppervlaktewaterenwet bij artikel 12 van het decreet van 22 december 2000 is in werking getreden op 30 december 2000 (art. 82 decreet 22 dec. 2000). Een overgangsregeling werd ingevoerd in artikel 35novies van de Oppervlaktewaterenwet (bij art. 14 van het decreet van 22 dec. 2000), waaruit blijkt dat de afhandeling van de rechtsgedingen waarover op 1 januari 2001 nog geen definitieve uitspraak is, zoals te dezen, "afgehandeld (worden) volgens de procedure die geldig was op het tijdstip waarop het geding aanhangig werd gemaakt", m.n. te dezen 15 maart 1996, datum van dagvaarding door eiseres voor de Rechtbank van Eerste Aanleg te Dendermonde in herleiding van het bedrag van de litigieuze heffing (syntheseberoepsbesluiten eiseres, p. 2, bovenaan).
  16. In casu is derhalve niet artikel 355 (oud) WIB1992 van toepassing, maar wel artikel 35quinquiesdecies, §8, van de Oppervlaktewaterenwet, zoals toegevoegd bij artikel 14 van het decreet van 22 december 1995, en zoals van toepassing voor de vervanging bij artikel 12 van het decreet van 22 december
  17. Verweerster voert dan ook terecht aan dat het middel onontvankelijk is, nu het nalaat artikel 35quinquiesdecies, §8, van de Oppervlaktewaterenwet als geschonden bepaling aan te wijzen.
  18. Louter in subsidiaire orde weze opgemerkt dat het middel ook ten gronde niet kan worden aangenomen om de redenen uiteengezet in de memorie van antwoord (p. 9 e.v.).
  19. Overeenkomstig de in belastingzaken geldende beginselen kan een aanslag slechts gedurende bepaalde termijnen, en, behoudens wettelijke uitzondering, maar éénmaal gevestigd worden (non bis in idem) (zie o.m. zie Cass. 3 september 1968, Pas. 1969, I, 4 met conclusie van advocaat-generaal Mahaux; MAHAUX, P., "Het rechterlijk gewijsde en het Gerechtelijk Wetboek", rede uitgesproken ter plechtige zitting van 1 sept. 1971, R.W. 1971-72, 105; RUTSAERT, C., "Chose jugée", in R.P.D.B., compl. t. VI, 1983, nr. 337; COPPENS, P. en BAILLEUX, A., Droit Fiscal, Brussel, Larcier, 1985, 612; LOOCKX, M., "In welke gevallen kan een nieuwe aanslag gevestigd worden", noot bij Cass. 15 september 2000, T.F.R. 2001, 174). Wanneer een aanslag op bezwaar of voorziening vernietigd wordt, zal de aanslagtermijn meestal reeds lang verstreken zijn, zodat de administratie de aanslag in principe niet kan overdoen. Dit probleem wordt ondervangen door een "heropening" van de aanslagtermijn (VAN ORSHOVEN, P., Behoorlijke rechtsbedeling bij geschillen over directe rijksbelastingen, Antwerpen, Kluwer, 1987, 235, nr. 192).
  20. Naar luid van artikel 355 van het WIB 1992 (zoals van toepassing voor de wijziging door de wet van 15 maart 1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen), kan de administratie, wanneer een aanslag nietig verklaard is omdat hij niet werd gevestigd overeenkomstig een wettelijke regel, met uitzondering van een regel betreffende de prescriptie, zelfs wanneer de voor het vestigen van de aanslag gestelde termijn reeds verlopen is, ten name van dezelfde belastingschuldige, op grond van dezelfde belastingelementen of op een gedeelte ervan, een nieuwe aanslag vestigen, zulks hetzij binnen drie maanden van de datum van waarop de beslissing van de directeur der belastingen of van de door hem gedelegeerde ambtenaar niet meer vatbaar is voor een voorziening bij het hof van beroep, hetzij binnen zes maanden van de datum waarop de rechterlijke beslissing niet meer vatbaar is voor voorzieningen in cassatie. De vernietiging van de aanslag is een noodzakelijke voorwaarde om tot hertaxatie te kunnen overgaan binnen voornoemde aanslagtermijnen.
  21. Gelet op het uitvoerbaar karakter van de aanslag zonder rechterlijke tussenkomst, zal de rechter, die deze aanslag onwettig bevindt, het executoir karakter van de aanslag moeten wegnemen. Hij zal aldus niet louter de onwettigheid van de aanslag moeten vaststellen, maar deze ook moeten ongedaan maken, m.a.w. nietig verklaren (VAN ORSHOVEN, P., Behoorlijke rechtsbedeling bij geschillen over directe rijksbelastingen, Antwerpen, Kluwer, 1987, p. 308, nr. 257 en p. 381, nr. 314). De nietigverklaring brengt ook ontheffing met zich van de ten onrechte opgelegde belastingen, wat ook de verplichting tot terugbetaling van de inmiddels eventueel betaalde sommen met zich brengt (ibid.) (waarop moratoriumintresten worden toegekend: art. 418 WIB-1992).
  22. De aanslag die "niet werd gevestigd overeenkomstig een wettelijke regel", die de voorwaarde vormt, waaraan de in voornoemd artikel 355 van het WIB 1992 voorziene mogelijkheid van vestiging van een nieuwe aanslag wordt ondergeschikt, is, overeenkomstig de rechtspraak van het Hof van Cassatie, de aanslag die hetzij een procedureregel, hetzij een regel ten gronde miskent (zie o.m. Cass. 22 nov. 2001, www.juridat.be; Cass. 15 sept. 2000, A.C. 2000, nr. 472 en T.F.R., 2001, 172, met noot LOOCKX, M., "In welke gevallen kan een nieuwe aanslag gevestigd worden"; Cass. 16 april 1999, A.C. 1999, nr. 216; Cass. 6 feb. 1962, Pas. 1962, I, 644; Cass. 13 okt. 1947, Pas. 1947, I, 418; SYMOENS, H., "Vernietiging versus ontheffing", noot bij Brussel 8 juni 2001, T.F.R. 2002, 325-329; VAN FRAEYENHOVEN, G., "Le droit de réenrôlement du fisc et les articles 260 et 262 C.I.R.", in Liber Amicorum Prof.em. E.Krings, Brussel, Story-Scientia, 1991,
(1119), 119-1121, nrs. 8-10; COPPENS, P. en BAILLEUX, A., Droit Fiscal, Brussel, Larcier, 1985, 614).
  1. Wanneer het hof van beroep beslist dat de betwiste aanslag nietig is wegens niet naleving van een substantiële procedurevorm bij de vaststelling ervan, dan heeft het hof zijn rechtsmacht geheel uitgeoefend en vermag het niet verder te onderzoeken of bij de vaststelling van de nietige aanslag werd uitgegaan van een juiste belastbare grondslag (Cass. 10 okt. 1986, A.C. 1986-87, 166; CARDYN, C., DEPRET, H. en LOOCKX, M., Procédure fiscale contentieuse, II, Brussel, Bruylant, 1992, 295, nr. 244). Het staat aan de administratie om alsdan, binnen de termijnen bepaald in artikel 355 van het WIB-1992, een nieuwe aanslag vast te stellen die de nietige aanslag vervangt (ibid.; Cass. 17 jan. 1961, Pas. 1961, I, 532). Het hof van beroep kan dienvolgens slechts de belastingschuld vaststellen voor zover het aanneemt dat de litigieuze aanslag als titel, overeenkomstig de wettelijke vormen, regelmatig tot stand is gekomen (Cass. 4 dec. 1987, A.C. 1987-88, 445).
  2. Uit de rechtspraak van Uw Hof blijkt dat voor de toepassing van artikel 355 (oud) WIB 1992 geen onderscheid kan worden gemaakt tussen het geval waarin de oorspronkelijke aanslag volledig vernietigd wordt, en dat waarin deze aanslag slechts gedeeltelijk vernietigd wordt omwille van de vermindering van de belastbare grondslag ten belope van die vermindering. Zulks impliceert dat de oorspronkelijke aanslag behouden blijft ten belope van de inkomsten die belastbaar zijn verklaard in hoofde van de heffingsplichtige, en voor het surplus moet beschouwd worden als vernietigd, derwijze dat, met toepassing van artikel 355 (oud) WIB 1992, een nieuwe aanslag kan worden gevestigd ten laste van een met de belastingplichtige gelijkgestelde, ten belope van dit surplus (Cass. 6 feb. 1962, Pas. 1962, I, 644).
  3. In casu stelt het bestreden arrest vast dat: het hof van beroep bij arrest van 15 februari 2005 de herberekening heeft bevolen van de heffing op basis van aan jaardebiet van 50.207m3 geloosd afvalwater in plaats van 108.375m3 weerhouden in de oorspronkelijke aanslag; de oorspronkelijke aanslag niet nietig werd verklaard; de bevolen herberekening als een impliciete gedeeltelijke ontheffing te beschouwen is, en niet als een volledige vernietiging of ontheffing; de gedeeltelijke ontheffing betekent dat de oorspronkelijke aanslag voor het niet-ontheven gedeelte als uitvoerbare titel blijft gelden (arrest p. 4, onderaan en p. 5, bovenaan).
  4. Uit de redengeving van het bestreden arrest blijkt derhalve dat de titel van de oorspronkelijke aanslag regelmatig is, dat de heffing op grond van een lager jaardebiet geloosd afvalwater verschuldigd is dan het jaardebiet weerhouden in de aanslag (voor de toepassing van de berekeningsmethode van de heffing op grond van meet- en bemonsteringsresultaten: art. 35quinquies Oppervlaktewaterenwet), dat het arrest van 15 februari 2005 niet overging tot vaststelling van het lager bedrag van de heffing dat op grond van het weerhouden lager jaardebiet verschuldigd is, maar de precieze berekening ervan opdroeg aan verweerster. De oorspronkelijke aanslag werd aldus behouden ten belope van het "jaardebiet afvalwater" dat belastbaar werd verklaard voor de toepassing van de berekening van de heffing. Verweerster kon derhalve na herberekening van de heffing overeenkomstig de instructies van het hof van beroep, op basis van de oorspronkelijk uitvoerbare titel waarvan het heffingsbedrag verminderd werd door het hof van beroep, tot invordering overgaan door betekening van een dwangbevel gesteund op het kohier van
  5. Door op de gronden die het bevat te besluiten dat de oorspronkelijke aanslag voor het niet-ontheven gedeelte als uitvoerbare titel bleef gelden, verantwoordt het bestreden arrest zijn beslissing "dat wel degelijk kon worden uitgevoerd op basis van de oorspronkelijke aanslag, neergelegd in het oorspronkelijk uitvoerbaar verklaard kohier" (arrest p. 5, vierde alinea), dan ook naar recht. Beide onderdelen van het middel kunnen derhalve ook ten gronde niet aangenomen worden. Besluit: VERWERPING. ARREST Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100211.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.