← België

ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100211.3

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 11 februari 2010

waarvan het bestaan door die vordering aan het licht is gebracht

(1).
(1)Zie de concl. van het O.M. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - AANSLAGPROCEDURE - Aanslagtermijnen UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING -VESTIGING

INVORDERING - Aanslag - Aanslagtermijnen Vrije woorden: Rechtsvordering wijzend op het bestaan van niet aangegeven inkomsten - Bijzondere aanslagtermijn Wettelijke bepalingen: Wetboek van Inkomstenbelastingen - 12-06-1992 - Art. 263, § 1, 3° - 30 ELI link Pub nr 1992003455 Fiche 2 Conclusie van advocaat-generaal THIJS. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - AANSLAGPROCEDURE - Aanslagtermijnen UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING -VESTIGING

INVORDERING - Aanslag - Aanslagtermijnen Vrije woorden: Rechtsvordering wijzend op het bestaan van niet aangegeven inkomsten - Bijzondere aanslagtermijn Tekst van de conclusie PARKET VAN HET HOF VAN CASSATIE _____ F.08.0095.N Conclusie van advocaat-generaal Dirk THIJS: 1. Overeenkomstig de op deze betwisting over aanslagjaar 1978 toepasselijke versie van artikel 263, §1, 3°, van het W.I.B.

(1964)mag de belasting of de aanvullende belasting worden gevestigd, zelfs nadat de in artikel 259 bepaalde termijn is verstreken, ingeval een rechtsvordering uitwijst dat belastbare inkomsten niet werden aangegeven in één der vijf jaren voor het jaar waarin de vordering is ingesteld. Krachtens §2, 3° van dit artikel, moet de belasting in dat geval worden gevestigd binnen twaalf maanden te rekenen vanaf de datum waarop tegen de beslissing over de rechtsvordering geen verzet of voorziening meer kan worden ingediend. Onderhavige betwisting betreft de vraag voor welke niet-aangegeven inkomsten gebruik kan worden gemaakt van de bijzondere aanslagtermijn waarin voormelde bepalingen voorzien (thans artikel 358 §1, 3°

§2, 3° W.I.B

(1992)). Is dat

kel voor de inkomsten die niet werden aangegeven in één van de vijf jaren voor het jaar waarin de rechtsvordering werd ingesteld of ook voor de inkomsten die niet werden aangegeven in het jaar waarin de rechtsvordering werd ingesteld (of zelfs voor latere jaren)? Het bestreden arrest van het Hof van Beroep te Gent houdt vast aan zijn eerdere rechtspraak op dat vlak

oordeelt dat de buitengewone aanslagtermijn

kel geldt voor de inkomsten die niet werden aangegeven in de bedoelde vijf jaren. In de beroepsbesluiten van de eiser werd nochtans verwezen naar het arrest van Uw Hof van 18 oktober 2007 (A.R. nr. F.06.0086.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071018.5.), waarvan zelfs een kopie bij de besluiten werd gevoegd, dat volgens de eiser in tegengestelde zin heeft beslist. Het lijkt er dan ook op dat het Gentse Hof van Beroep zich uitdrukkelijk heeft willen afzetten tegen die nieuwe cassatierechtspraak. De appelrechters verwijzen uitdrukkelijk naar een ouder cassatiearrest van 9 mei 1996

lijken aldus bij die oudere rechtspraak aansluiting te zoeken. Het Hof van Beroep te Antwerpen besliste op 4 april 2006 in tegengestelde zin. Het cassatieberoep tegen dat arrest werd verworpen door voormeld arrest van 18 oktober

  1. Een eerder arrest van het Antwerpse Hof van Beroep oordeelde nochtans in de lijn van het thans bestreden arrest (Antwerpen 18 feb. 2003, FJF 2003, nr. 2003/140, 532).
  2. Bij voornoemd arrest van 18 oktober 2007 oordeelde Uw Hof als volgt: "Artikel 358 heeft als doel in de gevallen erin bepaald, de administratie een verlengde termijn te geven waarin zij een aanslag kan vestigen. Dit artikel laat aan de administratie niet toe verder terug te gaan dan tot de inkomsten van één van de vijf jaren die het instellen van de rechtsvordering voorafgaan die de niet-aangifte van belastbare inkomsten heeft uitgewezen. Dit artikel sluit evenwel niet uit dat de administratie ook de inkomsten belast die na het instellen van de rechtsvordering niet zijn aangegeven

waarvan het bestaan aan het licht is gebracht door deze rechtsvordering. Het middel dat uitgaat van het tegendeel faalt naar recht".

  1. In casu beroept de belastingadministratie zich op dit cassatiearrest om de gedeeltelijke vernietiging van het bestreden arrest te bekomen. Het middel voert aan dat de appelrechters ten onrechte beslist hebben dat de verlengde aanslagtermijn van artikel 263 §1, 3° niet geldt voor de litigieuze aanslag voor aanslagjaar 1978 nu de rechtsvordering werd ingesteld in
  2. Gelet op het arrest van Uw Hof van 18 oktober 2007, komt het middel mij gegrond voor. De draagwijdte van dit arrest van 18 oktober 2007 is voor bepaalde auteurs evenwel niet helemaal duidelijk (K. JANSSENS, "Mag de fiscus ook nog inkomsten van na rechtsvordering belasten op basis van artikel 358?", Fisc. Act. 2008, nr. 10, 9-11; J. ROSELETH

L. DE BROECK, "Slaat artikel 358, §1, 3° ook op inkomsten die niet zijn aangegeven na het instellen van de vordering?", Fisc. Act. 2008, nr. 8, 1-5; M. DE JONCKHEERE, De taxatieprocedure, Brugge, Die Keure, 2003, 125 e.v.). Zij twijfelen eraan of dit arrest betekent dat de administratie de inkomsten die niet werden aangegeven in het jaar van de rechtsvordering (of later) binnen de verlengde termijn van artikel 358, §1, 3° kan vestigen. Volgens hen betekent het arrest mogelijk alleen dat de later niet-aangegeven inkomsten weliswaar kunnen worden belast, doch slechts binnen de gewone aanslagtermijnen van artikel 354. Ook verweerders in cassatie werpen in hun memorie van antwoord (p. 7) op dat Uw Hof in het betrokken arrest niet gezegd heeft dat artikel 358 toelaat op grond van dit artikel de aanslag te vestigen,

dat deze aanslag desgevallend zal gebeuren op grond van de "gewone aanslagtermijn" (artikelen 353

359) of de "buitengewone aanslagtermijn" (artikel 354).

  1. Het lijkt mij evenwel duidelijk dat het arrest van 18 oktober 2007 inderdaad bedoelt dat de verlengde aanslagtermijn van artikel 358 ook geldt voor belastbare inkomsten waarvoor de niet-aangifte dateert van het jaar waarin de rechtsvordering werd ingesteld of zelfs van het jaar nadien. Zulks blijkt in de eerste plaats uit een analyse van de draagwijdte van het middel dat geleid heeft tot het arrest van 18 oktober
  2. In het eerste middel van de cassatievoorziening voerde de eiser de grief aan dat de rechtsvordering werd ingesteld in 1991 zodat met toepassing van artikel 358, §1, 3° WIB 92

kel de belastbare inkomsten kunnen belast worden die niet werden aangegeven gedurende de aanslagjaren 1986 tot 1990

niet aanslagjaar

  1. Het middel besluit dat de appelrechters artikel 358, §1, 3° WIB 92 hebben geschonden door te beslissen dat de inkomsten met betrekking tot aanslagjaar 1992 konden belast worden op basis van artikel 358, §1, 3° gelet op het instellen van de rechtsvordering op 12 november
  2. Voorts blijkt zulks uit de tekst zelf van het betrokken cassatiearrest dat in zijn beoordeling van het eerste middel stelt dat artikel 358 "niet uitsluit dat de administratie ook de inkomsten belast die na het instellen van de rechtsvordering niet zijn aangegeven

waarvan het bestaan aan het licht is gebracht door deze rechtsvordering". De voorwaarde dat het bestaan van de litigieuze inkomsten aan het licht moet zijn gebracht door de rechtsvordering, kan inderdaad slechts gekoppeld worden aan een aanslag gesteund op artikel 358, §1, 3° van het W.I.B.

(1992). 6. De leer van het arrest is dan ook duidelijk: de wetgever heeft op het toepassingsgebied van de verlengde aanslagtermijn slechts een beperking gesteld voor wat het beginpunt betreft, maar niet voor wat betreft het eindpunt. Eiser in cassatie kan dan ook worden gevolgd waar hij argumenteert dat artikel 263, §1, 3°, W.I.B.
(1964)

kel bepaalt hoever de fiscus in de tijd kan teruggaan wanneer een rechtsvordering niet aangegeven inkomsten aan het licht heeft gebracht, namelijk tot 5 jaren voor het jaar waarin de vordering is ingesteld. Anders oordelen zou inhouden dat inkomsten die zijn uitgewezen door de rechtsvordering

die niet werden aangegeven tijdens het jaar van het instellen van de rechtsvordering of een daarop volgend jaar niet kunnen worden beslast op grond van de bijzondere aanslagtermijn waarin artikel 263, §1, 3°

§2, 3° voorziet.

Zulks kan niet de bedoeling van de wetgever zijn geweest. 7. Men zou zich de vraag kunnen stellen hoe de rechtsvordering de niet-aangifte zou kunnen uitwijzen van inkomsten die op het ogenblik van het instellen van de rechtsvordering nog niet moesten worden aangegeven. Zulks zal inderdaad het geval zijn wanneer de belastingplichtige waartegen de rechtsvordering op zeker ogenblik wordt ingesteld door het openen van een opsporingsonderzoek of het vorderen van een gerechtelijk onderzoek, tijdens de eerste fase van die onderzoeken in het ongewisse verkeert

in die periode de fiscale inbreuken waaromtrent het strafonderzoek wordt gevoerd, verder zet. In de hypothese dat de gewone

buitengewone aanslagtermijnen verstreken zijn -welke de wetgever voor ogen moet hebben gehad - komt het mij evident voor dat de fiscus de in deze periode ontdoken inkomsten moet kunnen belasten op grond van de uitzonderlijke aanslagtermijn waarin artikel 263, §1, 3°

§2, 3° W.I.B.

(1964)voorziet, uiteraard op voorwaarde dat de inkomsten aan het licht worden gebracht door het verder verloop van het strafonderzoek. Zoals gezegd, komt het middel mij dan ook gegrond voor. Besluit: VERNIETIGING. ARREST Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100211.3 citeert: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071018.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.