waarvan het bestaan door die vordering aan het licht is gebracht
INVORDERING - Aanslag - Aanslagtermijnen Vrije woorden: Rechtsvordering wijzend op het bestaan van niet aangegeven inkomsten - Bijzondere aanslagtermijn Wettelijke bepalingen: Wetboek van Inkomstenbelastingen - 12-06-1992 - Art. 263, § 1, 3° - 30 ELI link Pub nr 1992003455 Fiche 2 Conclusie van advocaat-generaal THIJS. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - AANSLAGPROCEDURE - Aanslagtermijnen UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING -VESTIGING
INVORDERING - Aanslag - Aanslagtermijnen Vrije woorden: Rechtsvordering wijzend op het bestaan van niet aangegeven inkomsten - Bijzondere aanslagtermijn Tekst van de conclusie PARKET VAN HET HOF VAN CASSATIE _____ F.08.0095.N Conclusie van advocaat-generaal Dirk THIJS: 1. Overeenkomstig de op deze betwisting over aanslagjaar 1978 toepasselijke versie van artikel 263, §1, 3°, van het W.I.B.
kel voor de inkomsten die niet werden aangegeven in één van de vijf jaren voor het jaar waarin de rechtsvordering werd ingesteld of ook voor de inkomsten die niet werden aangegeven in het jaar waarin de rechtsvordering werd ingesteld (of zelfs voor latere jaren)? Het bestreden arrest van het Hof van Beroep te Gent houdt vast aan zijn eerdere rechtspraak op dat vlak
oordeelt dat de buitengewone aanslagtermijn
kel geldt voor de inkomsten die niet werden aangegeven in de bedoelde vijf jaren. In de beroepsbesluiten van de eiser werd nochtans verwezen naar het arrest van Uw Hof van 18 oktober 2007 (A.R. nr. F.06.0086.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071018.5.), waarvan zelfs een kopie bij de besluiten werd gevoegd, dat volgens de eiser in tegengestelde zin heeft beslist. Het lijkt er dan ook op dat het Gentse Hof van Beroep zich uitdrukkelijk heeft willen afzetten tegen die nieuwe cassatierechtspraak. De appelrechters verwijzen uitdrukkelijk naar een ouder cassatiearrest van 9 mei 1996
lijken aldus bij die oudere rechtspraak aansluiting te zoeken. Het Hof van Beroep te Antwerpen besliste op 4 april 2006 in tegengestelde zin. Het cassatieberoep tegen dat arrest werd verworpen door voormeld arrest van 18 oktober
waarvan het bestaan aan het licht is gebracht door deze rechtsvordering. Het middel dat uitgaat van het tegendeel faalt naar recht".
L. DE BROECK, "Slaat artikel 358, §1, 3° ook op inkomsten die niet zijn aangegeven na het instellen van de vordering?", Fisc. Act. 2008, nr. 8, 1-5; M. DE JONCKHEERE, De taxatieprocedure, Brugge, Die Keure, 2003, 125 e.v.). Zij twijfelen eraan of dit arrest betekent dat de administratie de inkomsten die niet werden aangegeven in het jaar van de rechtsvordering (of later) binnen de verlengde termijn van artikel 358, §1, 3° kan vestigen. Volgens hen betekent het arrest mogelijk alleen dat de later niet-aangegeven inkomsten weliswaar kunnen worden belast, doch slechts binnen de gewone aanslagtermijnen van artikel 354. Ook verweerders in cassatie werpen in hun memorie van antwoord (p. 7) op dat Uw Hof in het betrokken arrest niet gezegd heeft dat artikel 358 toelaat op grond van dit artikel de aanslag te vestigen,
dat deze aanslag desgevallend zal gebeuren op grond van de "gewone aanslagtermijn" (artikelen 353
359) of de "buitengewone aanslagtermijn" (artikel 354).
kel de belastbare inkomsten kunnen belast worden die niet werden aangegeven gedurende de aanslagjaren 1986 tot 1990
niet aanslagjaar
waarvan het bestaan aan het licht is gebracht door deze rechtsvordering". De voorwaarde dat het bestaan van de litigieuze inkomsten aan het licht moet zijn gebracht door de rechtsvordering, kan inderdaad slechts gekoppeld worden aan een aanslag gesteund op artikel 358, §1, 3° van het W.I.B.
kel bepaalt hoever de fiscus in de tijd kan teruggaan wanneer een rechtsvordering niet aangegeven inkomsten aan het licht heeft gebracht, namelijk tot 5 jaren voor het jaar waarin de vordering is ingesteld. Anders oordelen zou inhouden dat inkomsten die zijn uitgewezen door de rechtsvordering
die niet werden aangegeven tijdens het jaar van het instellen van de rechtsvordering of een daarop volgend jaar niet kunnen worden beslast op grond van de bijzondere aanslagtermijn waarin artikel 263, §1, 3°
Zulks kan niet de bedoeling van de wetgever zijn geweest. 7. Men zou zich de vraag kunnen stellen hoe de rechtsvordering de niet-aangifte zou kunnen uitwijzen van inkomsten die op het ogenblik van het instellen van de rechtsvordering nog niet moesten worden aangegeven. Zulks zal inderdaad het geval zijn wanneer de belastingplichtige waartegen de rechtsvordering op zeker ogenblik wordt ingesteld door het openen van een opsporingsonderzoek of het vorderen van een gerechtelijk onderzoek, tijdens de eerste fase van die onderzoeken in het ongewisse verkeert
in die periode de fiscale inbreuken waaromtrent het strafonderzoek wordt gevoerd, verder zet. In de hypothese dat de gewone
buitengewone aanslagtermijnen verstreken zijn -welke de wetgever voor ogen moet hebben gehad - komt het mij evident voor dat de fiscus de in deze periode ontdoken inkomsten moet kunnen belasten op grond van de uitzonderlijke aanslagtermijn waarin artikel 263, §1, 3°
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.